Geschiedenis
Wijk aan Zee is een dorp dat sinds 1936 deel uitmaakt van de gemeente Beverwijk, daarvoor was het een zelfstandige gemeente genaamd Wijk aan Zee en Duin. Het dorp heeft circa 2400 inwoners. Er zijn 2 campingterreinen, een Nivonhuis met een camping, 9 hotels en 30 horecazaken. Verder is er een revalidatiecentrum en een scholengemeenschap voor meervoudig gehandicapten: Heliomare. In dorpshuis De Moriaan worden regelmatig internationale schaaktoernooien gehouden.

Wijk aan Zee ligt op ��n autoweg na ingeklemd tussen het strand- en duingebied en het staalbedrijf Corus (het vroegere Hoogovens), het Noordzee Kanaal, de Noordzee en het Noordhollands Duinreservaat.

De Wijk aan Zeese families Schelvis en Snijders


De website van families Schelvisen Snijders geeft toegang tot de genealogieën van de families Schelvis, Schellevis en Snijders uit Wijk aan Zee en de familie Wewers uit Groenlo. Daarnaast heb is een kwartierstaat opgenomen.



Lees meer over de families op http://home.planet.nl/~schel820/

Erfgoed 1: De Vuurbaak

1      De Vuurbaak

 

1.1     De opkomst en neergang van de visserij

 

·         Een punt van herkenning

·         Een kust met rijke visgronden

·         Een tijd van grote bloei

·         De Enquestre van 1494

·         Aanhoudende tegenspoed

·         Het einde van de visserij

 

1.2     De samenloop van zeestromen

 

·         De vloedstromen van de Noordzee

·         De plankton eter van de zee

·         De paaiplaatsen van de haring

·         De schelpenvisserij

 

1.3     De visserschepen en hun vistuig

 

·        De ‘Zijdsche’ bom

·        De haringbuis

·        De beug of kolvisserij

·        Het verbod van de korvisserij

·        De regels van de visafslag

 

1.4    De reis naar verre oceanen

 

·         De handelsvaart

·         De walvisvaart

·         Het scheepje in de kerk

 

1.5    Van badplaats naar woonplaats

 

·        Botaniseren in de Breesaap

·        Zeebaden in de Moriaen

·        De droom van Tappenbeck

·        Nieuwe groepen, nieuwe kansen

·        De getijstromen van het toerisme

 

 

 

 


 

 

1. De Vuurbaak

 

1.1     Opkomst en neergang van de visserij


·         Een punt van herkenning

·         Een kust met rijke visgronden

·         Een tijd van grote bloei

·         De Enquestre van 1494

·         Aanhoudende tegenspoed

·         Het einde van de visserij


1        Een punt van herkenning

 

De vuurbaak bood de vissers een punt van herkenning, hoog op het duin ten zuidwesten van het dorp Wijc op See. Een tekening met bomschuiten op het strand van Wijc op See laat een bouwsel zien, dat veel op een toren lijkt. Daar werd bij nacht vuur gestookt om de vissers de weg naar huis te wijzen. Het vuur werd brandend gehouden door een vuurboetstoker onder toezicht van twee vuurboetmeesters. Deze mannen bekleedden een openbaar ambt. Zij waren aangesteld door de vroedschap, oftewel de schout en schepenen tezamen. Om in aanmerking te komen voor de aanstelling tot vuurboetmeester moesten de mannen zelf ruime zeemanservaring hebben en zij moesten het lezen en schrijven machtig zijn. Dat gaf oude vissers een nuttige taak aan de wal. In de jaren zestig van de 20ste eeuw heeft men op deze plaats een stenen vlak blootgelegd. Het vierkant meet ongeveer vier bij vier meter en het bleek opgebouwd uit zeer oude, middeleeuwse stenen. Het vlak was niet alleen met zand, maar ook in  verschillende lagen, bedekt met de resten van houtvuren. De nachtwaker van Wijc op See, ook door de vroedschap aangesteld, moest op zijn nachtelijke ronden de schepen op het strand bewaken. Waren er nog schepen van ‘Wijc’ ter zee, dan moest hij opletten, dat de vuurbaak voldoende licht verspreidde. Was dat niet het geval, dan moest hij de vuurbaakmeesters waarschuwen.

 

2        Een kust met rijke visgronden

 

Ruim voordat Wijc op See in 1275 opduikt in de geschriften hadden zich daar al mensen gevestigd. De vallei in de duinen had de nieuwkomers weinig te bieden. Het land werd geteisterd door scherp stuifzand, de grond was moeilijk te ontginnen en nauwelijks geschikt voor de teelt van gewassen. Zelfs naar de maatstaven van die tijd was het een bar en onherbergzaam oord. Maar, de visgronden dicht onder de kust waren rijk aan kabeljauw, schelvis, schol en vooral aan haring. De korte afstand tussen de visgronden en de kust was in die tijden van levensbelang, want voor de invoering van het ‘kaken’ was de vis zeer bederfelijk. Ter hoogte van de Hollandse kust kon de vis nog dezelfde dag aan land gebracht worden voor afslag, verwerking en vervoer naar het achterland.

 

De visserij op de onderscheiden vissoorten was gebonden aan bepaalde gedeelten van het jaar. Zo viste men in de winter op schelvis, ongeveer van november tot februari. In het tijdvak dat volgde, viste men tot mei op schol en kabeljauw. In de voorzomer maakte men jacht op de zalm en de wijting. Vanaf juni tot november stond de visserij geheel in het teken van de haringvangst. Die tak van de visserij werd in de loop van de tijd steeds belangrijker. De eerste reden was, dat de bevolking van de Hollandse steden geleidelijk toenam en voor die bevolking bestond het voedsel vooral uit bonen, brood en bokking (gerookte haring). Althans, tot aan de komst van de aardappel. De tweede reden was, dat tegen het einde van de 14de eeuw men reeds ter zee een deel van de ingewanden verwijderde, het zogenoemde ‘kaken’. Dat maakte het mogelijk langer op zee te blijven, grotere ladingen aan land te brengen en vis tot dieper in het achterland te verkopen. In de loop van de tijd maakten de vissers gebruik van ‘haringjagers’.

 

 

3        Een tijd van grote bloei

 

De visserij bracht Wijc op See tot grote bloei en het dorp groeide vanaf 1450 uit tot een van de grootste aan de kust van het Noorderkwartier van Holland. Het dorp telde toen niet minder dan 250 haardsteden en 42 zeegaande schepen, waaronder visserspinken, bomschuiten en haringbuizen. De visserij in het dorp bracht niet alleen werk voor de varensgezellen, maar ook aan visrokers, nettenboeters, touwslagers, timmerlieden, voerlieden en beurtschippers. Niet alle vis, die te Wijc op See werd aangevoerd, werd gevangen door de eigen vloot. De ‘buitenvis’ had een aanmerkelijk aandeel in de omzet van de visafslag van het dorp. Die vis kwam voor een groot deel uit de Oostzee en veel bootsgasten uit die omstreken  werden destijds ‘oosterlingen’ genoemd in het dorp.

 

4        De Enquestre van 1494

 

De opkomst en neergang van Wijc op See was door de eeuwen heen sterk gebonden aan de visserij. Zodra schepen door kaapvaart ter zee of plundering te land verloren gingen, daalde het aantal haardsteden sterk. Zo telde het dorp, na plunderingen in 1489 en 1491, volgens een ‘Enquestre’ uit 1494  nog maar 14 zeegaande schepen en 160 haardsteden, een verlies van tweederde gedeelte van de schepen. Die gebeurtenissen hebben Wijc op See in zijn groei ernstig geknakt en eeuwen van neergang zijn daarop gevolgd. Verder droeg aan de neergang bij, dat de opkomende havensteden in het achterland, zoals Enkhuizen en Hoorn, de haringvisserij steeds meer in hun macht kregen. Het ‘Placaet ende Ordonnantie’ van keizer Karel V uit  1519 inzake de haringvaart en aanverwante aangelegenheden liet de kustvissers nog enige vrijheid, maar het raakte op de achtergrond. Want zodra het hertogdom Gelre, het bisdom Utrecht, het Oversticht en Friesland in de Habsburgse kring werden opgenomen, werd de Zuiderzee een veilig vaarwater, vrij van kapers en oorlogsschepen. Dat maakte het mogelijk, dat steden als Hoorn en Enkhuizen zich sterk konden toeleggen op de haringvangst op de Noordzee.  In 1567 hebben die steden en nog enkele het College voor de Groote Visscherij opgericht.  De macht van het College nam zo sterk toe dat het in 1663 kon verordenen, dat de vissers van de ‘Zijde’ (= de kust) hun vis niet langer mochten kaken. In 1676 volgde de bepaling dat de kustvissers niet langer mochten vissen met het schrobnet of de ‘kor’. Dat was een slag voor Wijc op See,  men was in dit dorp sterk gericht op de korvisserij. Het verbod leidde tot ongeregeldheden in het dorp en uiteindelijk werd het ingetrokken in 1689. Maar het kwaad was inmiddels geschied.  In de oorlogen ter zee van de 16de tot en met de 18de eeuw raakten veel kustvissers hun schepen kwijt aan inbeslagname en kaapvaart. De opkomst van de aardappel in de 18de eeuw heeft het brood en de vis uit het volksvoedsel verdrongen. De vraag naar vis nam bijgevolg sterk af en de rokerijen verdwenen uit Wijc op See en ook elders. 

 

5        Aanhoudende tegenspoed

 

De eerste helft van de 18de eeuw verliep nog tamelijk rustig, maar in 1751 werd het verbod op het kaken van de vis nogmaals uitgevaardigd. In 1781 kwam de uitvoer van vis naar de Zuidelijke Nederlanden geheel tot staan. In de voorafgaande jaren waren de invoerrechten van lieverlee opgevoerd en de opbrengsten van de vis in Holland bereikten telkens opnieuw een dieptepunt. In diezelfde jaren vormde zich een zandbank voor de kust ter hoogte van Wijc op See en de schippers konden het strand nog maar moeilijk bereiken. Alsof dat nog niet genoeg was, stoof de toegang tot het strand bij de uitmonding van de duinbeek, de Rel in 1798 zo goed als dicht, na langdurige verwaarlozing van de helmaanplant op de duinen van de zeereep. Dat bracht de afvoer van vis en schelpen van het strand ernstig in gevaar. De tegenspoed hield aan, het IJ werd gaandeweg ondieper en men kon nauwelijks nog met de beurtschepen vanaf Beverwijk de vis afvoeren naar het achterland.

 

 

6        Het einde van de visserij

 

 

De Franse tijd en de steeds weerkerende oorlogen met Engeland legden de visserij in Wijc op See zo goed als stil. Hoe sterk de omvang van het dorp en de vissersvloot nog steeds met elkaar in  verband stonden, mag blijken uit het gegeven, dat in 1809 het dorp nog maar 2 zeegaande schepen telde en slechts 60 haardsteden. Dat is vele malen minder dan de aantallen rond 1450. Het Continentaal Stelsel van keizer Napoleon was gericht op een algehele blokkade van Engeland. Het stelsel legde de handelsvaart en de visserij zelfs volledig stil en het hield van 1810 tot 1813 stand. Het betekende de nekslag voor de visserij van Wijc op See, de vissers vervielen tot bittere armoede. Daarna is het nooit meer goed gekomen, want in 1833 hield de laatst overgebleven visser er mee op. De eigenaar van de boot, schoolmeester Vink, hield de bomschuit nog jaren aan. In 1861 kwam ten slotte het schip in de verkoop. De beroepsvisserij van Wijc op See had afgedaan.

 

 

1.2     De samenloop van zeestromen


 

·         De vloedstromen van de Noordzee

·         De plankton eter van de zee

·         De paaiplaatsen van haringen

·         De schelpenvisserij      

 


1        De vloedstromen van de Noordzee

 

Twee maal daags dringen de vloedstromen  van de Atlantische Oceaan de Noordzee binnen. Vanuit het noorden door de brede monding tussen Schotland en Denemarken. Vanuit het zuiden door het Kanaal en het Nauw van Calais. De omwenteling van de aarde duwt deze stroom tegen de kusten van Vlaanderen, Zeeland en Holland. Hij voert de  eitjes en larven mee van de vissen die  in de monding van het Kanaal hebben gepaaid. Dit dierlijke plankton, zoöplankton genoemd, is overvloedig genoeg om vele soorten vis aan te trekken. Maar dat verklaart de rijkdom van de visgronden slechts voor een deel. De grote rivieren, en dan vooral de Schelde, de Maas en de Rijn, voeren vanuit hun stroomgebied niet alleen zand en slib, maar ook voedingstoffen aan. Dat maakt dat deel van de Noordzee nog eens te meer aantrekkelijk voor plantaardig en dierlijk zeeleven.

 

Onmiddellijk voor de kust is het zeewater nog troebel van het meegevoerde zand en slib, maar verder op zee is dat materiaal bezonken. Daar kan het licht diep doordringen in het water. Dat licht zet het plantaardig leven, fytoplankton genoemd, aan tot de omzetting van de voedingstoffen in plantencellen. In een zo gunstige omgeving vermenigvuldigt het fytoplankton zich snel en dan is het een rijke voedselbron, niet alleen voor vissen, maar ook voor bodemdieren. De mosselen en andere schelpdieren filteren hun voedsel uit het zeewater. Van tijd tot tijd spuien de bodembewoners sperma en eitjes en een deel daarvan raakt bevrucht. Dat alles bij elkaar is een voedzame soep voor het maritieme leven, zoals vissenlarven. Voor het overige doen de larven van de vissen, die met de vloedstroom mee naar het noorden drijven, zich tegoed aan het plantaardig en dierlijk plankton. Zij dienen op hun beurt de meer volgroeide vissen tot voedsel.

 

2        De plankton eter van de zee

 

De zandspiering is de planktoneter van de zee. Hij leeft van plankton en bereikt een lengte van ongeveer 25 centimeter. Op deze vis jagen niet alleen de makreel, de koolvis, de wijting, de schelvis en de kabeljauw, maar ook de bruinvis, de witsnuitdolfijn en de zeehond. Ter overleving zwemmen de zandspieringen dan ook in heel grote scholen door de Noordzee, bovendien zijn zij in staat om zich snel in de zandbodem in te graven om zo aan hun belagers te ontkomen. Het helpt ze te overleven, maar toch sneeft niet minder tweederde in de bek van een viseter. Slechts eenderde krijgt de kans zich voort te planten. Altijd nog zo’n half miljoen ton in de Noordzee. Het rijkste zeeleven blijft beperkt tot een smalle strook voor de kust. Verder de zee op is het water nog steeds helder, maar de invloed van de rivieren vermindert sterk en valt uiteindelijk geheel weg. Dat deel van de zee is armer aan voedingstoffen. Er zwemmen weliswaar prooivissen en roofvissen, maar van een volledige voedselketen is geen sprake meer.

 

 

3        De paaiplaatsen van de haring

 

Er is nog een derde verschijnsel dat sterk bijdraagt aan de rijkdom van de visgronden aan de oostelijke kusten van de Noordzee. Jaarlijks zwemmen de vissen, die in de Waddenzee tot wasdom zijn gekomen, zoals haringen en schollen, terug naar de zuidelijke paaiplaatsen, gelijk duizenden generaties van vissen hen daarin zijn voorgegaan. Die geslachtsrijpe vissen volgen weldoorvoed, de meest vruchtbare strook langs de kust. De visgronden dienen deze vissen tijdens hun trek tot jachtgebied. Zo bereiken zij in de best mogelijke gezondheid hun paaiplaatsen. Van oudsher kent de Noordzee drie ondersoorten in het haringbestand. De Shetlandharing heeft de Schotse kusten tot paaiplaats van augustus tot september, de Doggersbankharing paait van augustus tot oktober boven dit onderzeese heuvelland en de Southern Bight zoekt de paaiplaatsen op aan de monding van het Kanaal van november tot januari. De vaste trek van de ondersoorten van de Noordzeeharingen naar de afzonderlijke paaigebieden heeft zich vele duizenden jaren voltrokken. Vanaf het begin zijn de vissers van Wijc op See nog onder de Hollandse kust gebleven, maar sinds de 18de eeuw waagden zij zich bij de Doggersbank en de Shetland Eilanden.

 

In de tweede helft van de 20ste eeuw is het leven in de Noordzee ernstig verstoord geraakt door overbevissing. Zo worden enkele soorten, waaronder de kabeljauw, vrijwel met uitsterven bedreigd en vangen de vissers van andere soorten alleen nog maar (te) jonge exemplaren. De scheikundige vervuiling van het zeewater heeft geleid tot een opeenhoping van giftige stoffen. Eerst in het fytoplankton en vervolgens in het zoöplankton, daarna in de prooivissen en de roofvissen en uiteindelijk ook in de zeehond, de bruinvis, de dolfijn en zelfs in de mens. Deze opeenhoping begint een levensbedreigende omvang aan te nemen, vooral vanwege de te verwachten schade aan het genetisch erfgoed.

 

4        De schelpenvisserij

 

Naast de visserij, de koopvaardij en de walvisvaart heeft de schelpenwinning altijd een belangrijke plaats ingenomen in het dorp Wijc op See. De schelpen schraapte men van het strand en zij werden op de Stet gestort. Vandaar voerde men de schelpenvracht naar Beverwijk. De weg naar Beverwijk stond lange tijd bekend als de Schulpweg. In de kalkovens aldaar werden de schelpen tot gebrande kalk verwerkt, toentertijd een belangrijk bestanddeel van metselspecie. Tijdens de voorbereiding van de veldtocht van graaf Willem IV van Holland, die in 1345 jammerlijk mislukte, zijn grote hoeveelheden schelpen tot metselkalk gebrand. De schelpenvissers van Wijc op See zullen in deze oorlogsvoorbereidingen zeker hun aandeel in hebben gehad. Tijdens de expeditie tegen Friesland voerde men bijzonder veel bouwmateriaal mee. Het was namelijk de bedoeling om onmiddellijk na het breken van de Friese weerstand dwangburchten te bouwen in het gebied tussen het Vlie en de Middelzee. Het plan vond geen doorgang, een storm sloeg de vloot uiteen. De schepen met het bouwmateriaal en de oorlogsvloot raakten van elkaar verwijderd en tot een geslaagde landing kwam het niet meer. Graaf Willem sneuvelde voor Warns in de omgeving van Stavoren.

 

 

1.3     De vissersschepen en hun vistuig

 


·         De ‘Zijdsche’bom

·         De haringbuis

·         De beug- of kolvisserij

·         Het verbod van de korvisserij

·         De regels van de visafslag

 


1        De ‘Zijdsche bom’

 

Op de tekening van bomschuiten op het strand aan de voet van de vuurbaak is goed te zien hoe deze schepen er uit zagen. Het was een stevig en breed schip met een platte bodem, gemakkelijk op het strand of op een zandplaat te zetten. De plankieren liepen overnaads over de rondspanten. Aan de platte bodem of bom ontleende het schip waarschijnlijk ook zijn naam. De bomschuit was langsscheeps getuigd en had als regel een enkele mast. Behalve een grootzeil kon het schip, zonodig een gaffeltopzeil voeren, een stagfok en een kluiver. Omdat een kiel ontbrak, stak bij het schip aan bakboord of aan stuurboord een lang en smal zwaard in zee, wanneer het onder zeil voer. De schuit staat bekend onder de naam ‘Zijdse bom’ en die naam gaat terug op de aanduiding van de kust van Holland tussen de Maasmonding en Huisduinen als de ‘Zijde’. De bomschuit was een verbetering van de visserspink. En de visserspink zal zich geleidelijk aan hebben ontwikkeld uit de snelle en zeer zeewaardige schepen, die de Friezen nog eerder dan de Vikingen gebruikten om de Noordzeekusten te bevaren. Tot in de 15de eeuw heeft men nog gebruik gemaakt van de ‘slabbert’of slapbuis. Dit was een klein en open vissersvaartuig, vooral geschikt voor de visserij dicht onder de kust.

 

2        De haringbuis

 

Uit de slabbert is een verbeterd model voortgekomen, de haringbuis. Ook die schepen maakten deel uit van de vissersvloot van Wijc op See. De haringbuis was een rondspant kielschip met een hoog achterschip. De boorden van de romp waren ingetrokken, dat wil zeggen: naar binnen gebogen. Het schip had als regel een lengte van 20 meter en de bemanning telde 15 koppen. De naam ‘buis’ is waarschijn een verbastering van een oude scheepsnaam, de ‘cnorbuse’. Dat was een scheepje in gebruik bij de kustvaart. Die naam ‘cnorbuse’ komt al voor in de toltarieven van 1163 van het Vlaamse Nieuwpoort en omstreeks 1160 in de havenstukken van Letterwerve, bij Damme.  Ondanks de matige vaareigenschappen wist het schip zich tot in de 19de eeuw te handhaven. Bij meer dan een gelegenheid visten de haringbuizen als een ‘span’ met een drijfnet vastgemaakt aan de beide achterstevens. Hollandse vissers voeren sinds het begin van de 18e eeuw met de haringbuis zelfs naar de oostkust van Engeland en naar het visrijke gebied rondom de Shetland eilanden. Dan kende men nog de hoekerbuis. Dit schip had naar verhouding een grote laadcapaciteit en werd vaak ingezet als ‘visjager’. Deze schepen haalden de vangsten bij de visserschepen op volle zee van boord en brachten ze aan de wal. Op de heenreis brachten zij zout mee voor de verwerking van de vis op de schepen. De hoeker werd ook wel rechtstreeks ingezet, voornamelijk bij de beugvisserij.

 

3        De beug- of kolvisserij

 

De oudste vorm van visserij, ook op de Noordzee, is de beugvisserij geweest. De beug of ‘kol’ bestond uit een lange lijn en daaraan hingen vislijnen of sneuen met haken, ook wel hoeken genoemd. Telkens als de visser de beug uitwierp moest hij de haken van aas voorzien, opdat de roofvissen zouden bijten. Als aasvissen werden prikken gebruikt. Deze vis lijkt nog het meest op een kleine paling. Aan boord werd deze vis levend gevangen gehouden in een ‘bun’, dat is een bak in het schip die in open verbinding staat met de zee. Op een teken van de schipper greep de scheepsjongen een prik uit de bun. Hij beet de kronkelende vis eerst dood voordat hij hem aan de haak kon spietsen. De buizen, waarmee men ter beugvisserij voer, die werden vanwege gebruik van de haken ook wel hoekerbuizen genoemd. De beugvisserij op de Noordzee kent een lange geschiedenis, maar uiteindelijk is deze visserij verdrongen door een minder bewerkelijke aanpak. Al spoedig, kort na 1400,  ging men over op de drijfnetvisserij. Lange rijen netten kwamen bij de vleetvisserij rechtop in de zee te hangen. De maaswijdte was zo gekozen, dat de haringen met hun kieuwen in het net bleven hangen. De vleet hing op 18 meter diepte, omdat de haring op deze diepte zwemt, op jacht naar plankton dat dichter naar de oppervlakte stijgt bij het vallen van de duisternis. Later in het jaar, wanneer de haring zwaar van kuit en hom naar de paaiplaatsen zwom, gooiden de vissers hun vleet uit op een diepte van 14 tot 28 meter.


4        Het verbod op de korvisserij

 

Gaandeweg kwam echter de haringvisserij in de macht van enkele steden in het achterland en legden de vissers van de ‘zijde’ zich toe op het vissen met de kor, een open sleepnet. Lange tijd ging dat goed, totdat de belangengroep van de haringsteden- zoals reeds vermeld- ook dat vistuig voor de kustvissers verbood van 1676 tot 1689.

Door de eeuwen heen is een zeewaardig visserschip een kostbaar vaartuig geweest, niet alleen om het te bouwen, maar ook om het zeewaardig te houden. Het onderhoud ging de draagkracht van eender welk vissershuishouden in Wijc op See en elders ver te boven. Om die reden namen de vissers van de ‘Zijd’ gewoonlijk een aandeel in het reden van een visserspink, een bomschuit of een haringbuis om zo de goede en de kwade kansen van de visserij met anderen te delen.

 

5        De regels van de visafslag

 

Zodra de vis op het strand van Wijc op See aan land kwam, moest de visafslager er aan te pas komen. Hij liet de klok luiden en begaf zich dan naar het strand. Hij zag er op toe, dat bij aanvoer van meer dan driehonderd vissen, de afslagkavels werden verdeeld in ‘kopen’ van vijftig vissen. Die veilde de afslager dan vervolgens onder de aanwezige viskopers. Om het eerlijk en overzichtelijk te houden, moesten de kopers op ten minste zeven voet (ruim 2 mtr) van de vis verwijderd blijven en mochten zij geen vismanden op het hoofd plaatsen of in de hand houden. Op overtreden  van deze regels stond een boete van 50 stuivers. Op zondagen en andere christelijke feestdagen moest de visafslag beperkt blijven tot twee kopen van schollen of scharren, roggen of tongen. Deze zondagse visafslagen moesten altijd plaats vinden voor het luiden van de torenklok dat de kerkgemeente opriep tot de predikatie. Op andere dagen waren er geen beperkingen en dan kon het gebeuren, dat op een en dezelfde dag niet minder dan drie veerschepen de vis naar Amsterdam brachten. Gewoonlijk voeren de veerschepen drie maal per week met vis naar de stad.

 

De visafslager, was een door de vroedschap aangestelde ambtsdrager. Hij betaalde jaarlijks pacht aan het dorpsbestuur om de functie te kunnen uitoefenen. Het was voor die tijd blijkbaar geen bezwaar, dat de belangen nogal door elkaar liepen en dat de schout als regel optrad als visafslager. Wat betekende dat hij mede de hoogte van de pacht bepaalde, die hij als afslager had te betalen en dat hij mee besliste over zijn aanstelling. Om de pachtsom terug te winnen en het liefst nog aanzienlijk meer, vroeg de afslager van de vissers en de viskopers een vergoeding voor zijn tussenkomst. Daar bovenop was de opbrengt van elke honderdste vis, bestemd voor de kerk.

 

Katholieke vissers waren van de verplichting om bij te dragen in de kosten van het ‘Gereformeerde’ kerkgebouw vrijgesteld. Zij betaalden met elke honderdste vis aan het Gasthuis voor Oude Mannen en Vrouwen en ook aan het onderhoud van de vuurbaak.  Een groot deel van de vis, die werd aangevoerd en afgeslagen, voerde men onmiddellijk af naar Amsterdam. Een ander deel werd licht gezouten en verscheept naar steden in het Rijngebied, zoals Keulen en Mainz. Weer een ander deel van de aangevoerde vis werd gedroogd of gerookt. Vooral haringen verwerkte men in de kustdorpen tot ‘bokkingen’ in grote rookschuren. Tot ver in de 18de eeuw leefde de stadsbevolking op bonen, brood en bokking. Met de intrede van de aardappel verloor de bokking zijn vooraanstaande plaats in het volksvoedsel en nam het aantal rookschuren in het dorp sterk af. Zo verging het ook de stokvis en de schuren, waarin de vis werd gedroogd.

  

 

1.4     De reis naar verre oceanen


·         De handelsvaart

·         De walvisvaart

·         Het scheepje in de kerk

 


1        De handelsvaart

 

Zo lang vissers de Noordzee hebben bevaren, hebben zij de handelsvaart bedreven. Het was een bijverdienste, waaruit de handel op Engeland en op de Duitse Bocht en de Oostzee voortkwam. Bier, boter en kaas werden aan deze kusten afgezet. De oorlogen ter zee maakten visserij en de handelsvaart tot een gevaarlijke onderneming. Om die reden monsterden veel vissers van de ‘Zijde’ en ook die van Wijc op See op de grote handelsvaart. Zij voeren naar Afrika, Oost en West Indië, en naar de Levant, het oostelijk deel van de Middellandse Zee. In dat gebied wemelde het van de zeerovers en het gebeurde dan ook herhaaldelijk, dat zeelieden werden ‘uitgeschud’ en daarna als slaaf verkocht werden op de markten in Noord-Afrika, de Maghreb. Alleen een hoog losgeld kon hen nog bevrijden. Zo moest Wijc op See voor Wouter Gerritse in 1659 het voor die tijd enorme bedrag van fl 800 opbrengen om hem in Tripoli vrij te kopen. Schout en schepenen stelden een bedrag ter beschikking, maar de rest moest het dorp opbrengen.

 

2        De walvisvaart

 

In de 17de en 18de eeuw bloeide de walvisvaart op het noordelijk halfrond. Reders in het achterland, vooral in de Zaanstreek verenigden zich onder andere in de Noordse Compagnie. In navolging van de Oost-Indische en de West-Indische Compagnie. Deze Noordse compagnie had het octrooi op de walvisangst in de noordelijke wateren van 1614 tot 1643. In die tijd richtte men op de pooleilanden Jan Mayen en Spitsbergen factorijen in om traan te koken uit het walvisvlees. Toen men de omgeving van deze eilanden zo goed als leeg had gevist, verplaatste de jacht zich naar open zee en kookte men traan aan boord van de schepen. In het begin kochten de Hollandse walvisvaarders de ervaring en de kennis van Basken. Die wisten dan ook hoge vergoedingen bij het aanmonsteren te bedingen. Maar als het er op aan kwam, toonden zij zich weinig bereid hun kennis en ervaring over te dragen. Dat werkte geschillen in de hand en die hebben geleid tot een reeks van processen, waarin de betrokken Basken wanprestatie werd verweten.

 

Het uitrusten van een walvisvaarder ging de draagkracht van Wijc op See ver te boven  en daarom monsterden varensgezellen uit het dorp als commandeurs of als manschappen op deze scheppen aan. De Hollandse walvisvaart richtte zich gedurende de gehele 18de eeuw op de omgeving van Groenland en op de Straat Davis, die tussen Groenland en Baffin Eiland ligt. De commandeurs ter walvisvaart bleven als regel in het dorp Wijc op See wonen. Zij namen in het kerkelijk en maatschappelijk leven een vooraanstaande plaats in. Zo waren van de 12 ‘Groenlandse’ commandeurs er maar liefst 9 lid van de kerkenraad van de ‘Gereformeerde Gemeente’. Van de 6 commandeurs, die op Straat Davis voeren, waren er 3 lid van de kerkenraad. Een zo vooraanstaande plaats in de kerk, betekende in die tijd tegelijk een vooraanstaande plaats in het dorp. Want de lidmaten van de ‘Gereformeerde Gemeente’ genoten politiek en bestuurlijk aanmerkelijke voorrechten, die aan hun ‘Paepsche’ dorpsgenoten stelselmatig ontzegd bleven.

 

3        Het scheepje in de kerk

 

In de dorpskerk hangt een scheepsmodel, en het stelt een pinas voor. Een gewapende koopvaarder , die de Verenigde Oost Indische Compagnie sinds 1652 in gebruik had voor een reeks van taken. Het werd gebruikt als een snelzeilend jacht, men gebruikte het in voorkomende gevallen als oorlogsschip en meestal diende het als vrachtvaarder. Het schip was opgetuigd als een driemast volschip en daarvan ook nauwelijks te onderscheiden, behalve dat het een slag kleiner was dan de retourschepen van de VOC, het toppunt van scheepsbouwkunst van die tijd. Het sachip had een platte achterkant (spiegel). Van de twee dekken liep er een door van de boeg tot aan de achtersteven. Het bakdek was midscheeps onderbroken. De pinas ontleende zijn vloeiende lijn aan de hoge verschansing, die veel zaken aan dek aan het oog onttrok. Het schip viel dan ook op door zijn welgevormde zeeg.

 

Het model in de kerk is een kopie van een ouder model, dat naar schatting twee eeuwen in de kerk heeft gehangen. Het oorspronkelijk scheepsmodel is aangekocht in 1911, door een kenner. Deze heer Crone liet het scheepje restaureren en schonk het vervolgens aan het Scheepvaartmuseum in Amsterdam. Voor de dorpskerk van Wijk aan Zee liet hij een kopie maken.

 

1.5     Van badplaats naar woonplaats


·         Botaniseren in de Breesaap

·         Zeebaden in de Moriaen

·         De droom van Tappenbeck

·         Nieuwe groepen, nieuwe kansen

·         De getijstromen van het toerisme

 


1        Botaniseren in de Breesaap

 

In 1839 schrijft Nicolaas Beets onder de schuilnaam Hildebrand een bundel verhalen over het Hollandse leven. Hij noemt die bundel ‘Camera Obscura’. Een van die verhalen draagt de naam ‘Een nurks in de Haarlemmerhout’. Het gaat over een vervelende neef, die met zijn onheus aangekondigde bezoek Hildebrand ervan afhoudt te gaan botaniseren in de Breesaap, een duinvallei net ten zuidoosten van Wijk aan Zee. Hij schrijft: ‘Ik had een Leidse makker bij mij gelogeerd, met wie ik te Zomerzorg eten zou, om vervolgens over Velzerend naar Velzen te wandelen, waar wij de nacht zouden doorbrengen om ’s morgens naar de Breezaap te gaan en aldaar wat te botaniseren, waarvan wij beide grote liefhebbers zijn’. Dit voornemen van Hildebrand en zijn vriend om te gaan botaniseren, dat wijst op een nieuwe en andere belangstelling voor de natuur. Een belangstelling die zich nooit eerder zo sterk had voorgedaan. Blijkbaar was de Breesaap voor de natuurliefhebbers van die tijd een aantrekkelijk gebied met een grote rijkdom aan planten. De nieuwe liefde voor de natuur, samen met de afkeer van de sterk vervuilde steden waar keer op keer de cholera uitbrak, bracht de steedse burger er toe de kust op te zoeken. Daar kon hij frisse lucht  inademen, wandelen en baden.

 

2        Zeebaden in de Moriaen

 

Scheveningen, Noordwijk en Zandvoort zijn Wijk aan Zee als badplaats voorgegaan, maar in 1839 verleende het toenmalige gemeentebestuur vergunning voor een badinrichting in de herberg De Moriaan aan de toenmalige Brink. De badinrichting mocht bestaan uit vier gastenkamers, twee badkamers en een badkoetsje. In grote kuipen konden de gasten een bad nemen in het zeewater, dat met sleperskarren in tonnen werd aangevoerd. De badgast, die het aandurfde, die kon zich met de koets naar het strand laten rijden. De voorman bracht de koets tot aan de waterlijn en daar kon de badgast enkele treden afdalen en te water gaan. Wel was hij van de enkels tot en met de polsen en de hals, gekleed in een badpak. Een bad kwam er in die tijden op neer, dat de bader zich enkele malen onderdompelde in de zee om vervolgens de treden van de badkoets te bestijgen. Het goede gerucht over de kust en het dorp Wijk aan Zee verspreidde zich snel onder de hogere burgerij van Amsterdam. De een na de ander bouwde voor een langdurig zomerverblijf een villa langs de tegenwoordige Rijckert Aertszweg, de Van Ogtropweg en de Julianaweg.

 

Ongeveer een veertig jaar na de eerste vergunning kwam de herberg De Moriaan in handen van de Amsterdamse zakenman van Duitse afkomst, Heinrich Tappenbeck. Hij vroeg het gemeentebestuur toe stemmen in de bouw van een luifel. Zo wilde hij van De Moriaan en de aangrenzende gebouwen bouwkundig een grotere eenheid maken. Zakelijk werd het blijkbaar een succes, want nog geen jaar later mocht Tappenbeck de oude herberg en de aangrenzende gebouwen slopen. Zij moesten in 1881 plaats maken voor  het Badhotel aan de Brink, later hernoemd tot De Zwaanstraat. Het tweede gedeelte kwam te staan aan de Gasthuisstraat. Al spoedig bleek dat Tappenbeck zijn kansen te hoog had ingeschat, zijn onderneming zowel actief in Wijk aan Zee als in Noordwijk, bezweek onder de schuldenlast en hij ging failliet. De ‘desolate’ boedel kwam in handen van een exploitatiemaatschappij ‘E pluribus unum’ , kortaf  ‘EPU’, wat zoveel betekende als ‘Eenheid in verscheidenheid’.

 

3        De droom van Tappenbeck

 

Tappenbeck had het goed gezien, al kwam zijn droom voor hemzelf niet uit. De aanleg van de spoorlijn van Haarlem naar Alkmaar en de bouw van het station Beverwijk brachten niet alleen de burgerij naar de kust, maar ook de meer gegoede middenstanders en ambachtslieden. Zij zochten onderdak en van lieverlee kwamen er meer hotels en pensions in Wijk aan Zee. Het uiterlijk van die gebouwen was kenmerkend voor een badplaats uit die tijd. De kamers op de verdiepingen en op de begane grond kwamen uit op balkons en veranda’s. Zo konden de gasten, beschut tegen de wind en de felle zon, toch genieten van het uitzicht. Toen nog vooral over de Dorpswei, want de weidekant van de Voorstraat en de Julianaweg waren toen nog nauwelijks bebouwd, zoals dat bij de Verlengde Voorstraat en het oostelijk deel van de Julianaweg nog steeds het geval is. Genieten van het uitzicht dus, want al te bruin worden, daar hield de stadsmens niet van. Gezondheid, dat was  bepaald niet de reden om de zon te mijden, het was standsbewustzijn. Want wie al te gebruind door het leven ging, kon wel eens een handarbeider of een landarbeider zijn, een boer of een schipper en dat misverstand omtrent hun stand wilden de stedelingen, maar liever vermijden. Een erger gezichtsverlies was toentertijd nauwelijks denkbaar.

 

4        Nieuwe groepen, nieuwe kansen

 

Nieuwe groepen in de stad kwamen tot welvaart en ook zij wisten de weg te vinden naar de kust bij Wijk aan Zee. Winkeliers en arbeiders stapten op hun vrije zondag op de pakketboot in Amsterdam en voeren naar de steiger bij Velsen-Noord, toen nog Wijkeroog geheten. Vandaar wandelden zij door de Breesaap en het landgoed Rooswijk over de Bosweg naar de zuidvoet van het Paasduin en zo kwamen zij in Wijk aan Zee. Tegen de avond legden zij dezelfde weg af en voeren terug naar de kade achter het Centraal Station van Amsterdam. De Tweede Wereldoorlog en al eerder de economische crisis die daaraan vooraf ging, maakte aan dit alles een eind. De bezetter verklaarde het strand en het duingebied tot ‘Sperrgebiet’. In 1942 besloot de bezetter tot een grootscheepse ontruiming van het dorp en in 1944 moest iedereen, die nog was achtergebleven verdwijnen. Het overgrote deel van de inwoners moest in het achterland een onderdak zien te vinden. De jaren na de oorlog gaven een opleving te zien, de stadsmensen keerden terug naar Wijk aan Zee en zochten opnieuw hun intrek in de hotels, de pensions en in de woonhuizen. De vaste bewoners van die huizen pakten hun boeltje op en woonden enkele maanden in het ‘zomerhuis’ achter op het erf. Het heeft zo nog twintig jaar geduurd, toen was het gedaan met het verblijf van badgasten in het dorp voor enkele dagen, een week of zelfs weken achtereen. De auto werd een bezit van velen in alle lagen van de samenleving en het voertuig bracht verre bestemmingen binnen bereik. Onderweg kon nog wel een regenbui vallen, maar de Spaanse costa’s waren zonzeker en wel zo goedkoop. Heel anders dan de wisselvalligheden van de Hollandse kusten. Op de auto volgde de goedkope vakantievlucht. Het vliegtuig legde nog meer vakantiebestemming open voor de badgasten van het noorden.

 

5        Getijstromen van het toerisme

 

Het dorp bleef achter, maar niet in arren moede en nog minder in armoede. Dank zij de zomerse verhuur hadden veel inwoners van Wijk aan Zee kans gezien om hun wintervoorraad kolen  te kopen. In de jaren die volgden begonnen zij hun zomerhuis te verhuren en dat stelde de een na de ander in staat om zijn huurwoning te kopen van de eigenaar. Eigen woningbezit werd in het dorp regel, huren een uitzondering. In die zomerhuizen woonden de werknemers, die meewerkten aan de uitbreiding van het Hoogovenbedrijf, nu Corus.

 

De badplaats Wijk aan Zee bleef nog voortbestaan en zag in de zomermaanden het dorp zo nu en dan volstromen met auto’s en het strand met badgasten. Tegen het vallen van de avond stroomden die badgasten met hun auto’s weer landinwaarts. Een enkeling bleef nog even hangen  in de tapperijen en eetgelegenheden van het dorp. Maar dat gebeurde zeker niet op grote schaal. De hereniging van de beide Duitslanden in 1990 bracht het toerisme in Wijk aan Zee een nieuwe slag toe. De voormalige Westduitsers trokken in grote aantallen naar de Oostzeekust en lieten de Noordzee voor wat zij was. Toch heeft Wijk aan Zee tot betrekkelijk kort voor de eeuwwende zijn winkelstand op peil weten te houden, net als de logiesgelegenheden en de uitgaanscentra. Dat is in eerste aanleg het gevolg geweest van de grote uitbreidingen van Hoogovens en later van de ingrijpende moderniseringen van het productieproces. In verband daarmee zocht veel technisch personeel een tijdelijk onderdak in Wijk aan Zee. Zo kon het gebeuren slechts geleidelijk de ene winkel na de andere in het dorp zijn deuren heeft gesloten. Tot er in feite nog maar een winkel voor levensmiddelen is overgebleven. In de laatste jaren dwong de economische toestand tot soberheid en nu is ook de betekenis van Wijk aan Zee als uitgaanscentrum sterk afgenomen. Dat was voldoende reden voor de Dorpsraad van Wijk aan Zee om vast te stellen, dat het dorp nog steeds twee functies heeft, namelijk wonen en recreatie. Maar als het op beleidskeuzes aankomt, dan zou niet de recreatie maar het wonen de doorslag moeten  geven, naar de mening van  de Dorpsraad.
Erfgoed 2 Commandobunker

2      De commandobunker

 

2.1            De Festung Ijmuiden

 

·         De Marine Artillerie Abteilung 201

·         Het luchtdoelgeschut

·         De tactische berekening

·         De noodsprong van september 1944

·         Het landfront van de Festung

·         Het effect van de Festung

 

2.2            De lunettenlinie van Krayenhoff

 

·         De bescherming van het ‘Bataafse’kerngebied

·         De opbouw van de lunetten

·         De staat van de lunetten

·         De bouwmeester van de linie

·         ‘Ware Bataafsche trouw’

·         De Russisch-Engelse inval

·         Een voorspoedig begin

·         Een pijnlijk misverstand

 

2.3     De Spaanse veldtocht

 

·         De ruïnekerk van Wijk aan Zee

·         Een nieuw geloof en een oude staatsordening

·         De Nederlanden onder hoger bewind

·         De Nederlanden in opstand

 

2.4     De Middeleeuwse twisten

 

·         De Loonse oorlog van 1203

·         De Kennemer opstanden

·         Hoekse en Kabeljauwse twisten

         De jonker Frans oorlog

         Het Kaas- en Broodvolk van 1492

 

2.5     De Hollandse heertochten

 

·         De krans van kastelen

·         De stamvader van de Gerulfingen

·         De Rooms-Koning, graaf Willem II

 

2.6     Van hertogdom naar graafschap

 

·         De hertog van Groot-Friesland

·         De ijdele hoop van Gerulf

·         De Friezen van Kinheim

·         De Friezen van de Voortijd

·         De Friese opstand van het jaar 29     



 

2      De Commandobunker


 

2.1            De Festung IJmuiden


·         De Marine Artillerie Abteilung 201

·         Het luchtdoelgeschut

·         De tactische berekening

·         De noodsprong van september 1944

·         Het landfront van de Festung

·         Het effect van de Festung


1        De Marine Artillerie Abteilung 201

 

Het hotel-restaurant het Hoge Duin in Wijk aan Zee staat op het dak van een commandobunker uit de Tweede Wereldoorlog. Vanuit deze bunker werden de drie kustbatterijen geleid van de Festung IJmuiden. De commandant Van MAA 201 had de leiding over de batterijen Wijk, Kernwerk en Heerenduinen.

·         De batterij Wijk lag halverwege Wijk aan Zee en de noordelijke havendam van IJmuiden. Een deel is nog steeds zichtbaar vanaf de huidige Reyndersweg.

·         De kustbatterij Kernwerk stond op het forteiland in de havenmond van IJmuiden.

·         Van de kustbatterij Heerenduinen liggen de resten in de Heerenduinen ten zuiden van IJmuiden.

De batterijen van de marine waren gericht tegen doelen op zee en waren van een zwaar kaliber (150-170 mm). Zowel de batterijen als de commandogroep waren ondergebracht in bunkers, die werden aangeduid als ‘Ständiger Ausbau’, wat betekende dat de batterijen en de bunkers onder vrijwel elke omstandigheid aan de strijd konden deelnemen. Zij waren door metersdik beton beschermd tegen aanvallen vanuit de lucht en vanaf de zee. Een eigen installatie voor de luchtbehandeling en stalen deuren zorgden er voor dat de bouwwerken een aanval met gifgas of vlammenwerpers konden doorstaan. Schietgaten in de toegangen tot de bunkers en de binnenruimten stelden de verdedigers in staat aanvallen van grondtroepen af te slaan, althans te vertragen. Om het naderen van de commandobunker nog moeilijker te maken, was het gebouw omgeven door mitrailleurposten, mijnenvelden en versperringen van prikkeldraad.

 

De commandobunker van de artillerie afdeling stond in een complex van vier bunkers. Drie daarvan waren bestemd voor de huisvesting van officieren, onderonderofficieren en manschappen. Zij vormden de bezetting van de commandopost, voornamelijk stafofficieren en verbindingspersoneel. Ook hun bunkers waren berekend op de zwaarste omstandigheden tijdens gevechten. De commandopost met de woonbunkers maakte deel uit van een groter geheel, het Widerstandsnest 63.

 

2        Het luchtdoelgeschut

 

Dit WN 63 omvatte niet alleen het bunkercomplex op het Hoge Duin, maar ook de versterkingen op het duin achter hotel de Wijck. Hier stond een  radarstation opgesteld, Mammut. Het was vernoemd naar de indrukwekkende omvang van de antenne( 13x 19 meter). In de loop van 1943 is deze installatie geschikt gemaakt voor de geleiding van  raketwapens (V1 en V2).

 

Op de duintop tegenover het Paasduin en achter hotel de Klughte lag Widerstandsnest 64, de luchtdoelbatterij Dũnenberg.  WN 64 bestond uit een batterij van vier geschutstellingen met ondersteunende versterkingen. Deze luchtdoelbatterij vormde met de vier andere batterijen van de Festung IJmuiden de verdediging tegen luchtaanvallen. Alle luchtdoelbatterijen werden  geleid vanuit een commandobunker en die stond wat verder naar het zuiden. Bij de uitbreiding van de installaties op het Hoogoventerrein is deze bijzondere bunker gesloopt (de Fl 250, Marflakgrukostand, dat betekent: groepscommandopost van de marine luchtdoel artillerie)

 

3        De tactische betekenis

 

De Festung IJmuiden werd aanvankelijk ingericht voor de bescherming van het Hoogovenbedrijf, het sluizencomplex en de onderkomens voor de torpedoboten, Schnellboote, in de Visserijhaven. Naarmate de krijgskansen voor Duitsland ten kwade keerden, kwam het zwaartepunt te liggen op de verdediging. De havens van de Franse en de Belgisch-Hollandse kusten moesten tot elke prijs uit handen van de Geallieerden blijven. IJmuiden en omgeving werd van Verteidigungsgebiet verheven tot Festung en het Duitse opperbevel bepaalde in januari 1944, dat de Festung IJmuiden tot de laatste man en tot de laatste patroon verdedigd moest worden. Tot het eind van de vijandelijkheden in mei 1945 bleef dat zo.  Het Duitse opperbevel kon er op rekenen, dat een voorspoedige opmars van de Geallieerden door Noord-Frankrijk en België de bevoorrading van de troepen zou overbelasten. Eens zouden de aanvoerlijnen te lang worden, de bezetting van de frontlijn te zwak en dat gaf mogelijkheden voor een tegenaanval. En die Duitse tegenaanval zou de steun krijgen van de meest moderne wapens, zoals de V1 en V2 raketten, straaljagers, raketvliegtuigen en nieuwe antitankwapens. Die zouden binnen enkele maanden ter beschikking komen en dat was geen propagandaleugen, de Duitse industrie draaide in 1944 op hogere toeren dan ooit tevoren. De strategische schatting bleek in beginsel juist, de eindstrijd bood kansen en die leken in de zomer van 1944 nog redelijk en realistisch. De Duitsers hadden  het zelf ondervonden in 1941 en 1942 in Rusland. Zij wisten, wat het betekende goederen te moeten aanvoeren over grote afstanden en aan het eind van die lange weg te moeten vechten tegen nieuwe tanks, raketwerpers, vliegtuigen en goed uitgeruste eenheden.

 

4        De noodsprong van september 1944

 

 Tegen het eind van augustus 1944 reikten de aanvoerwegen van Normandië tot aan Noord-België en daarmee waren voor de Geallieerden de grenzen van de bevoorrading bereikt. Hun stormaanval verloor zijn kracht en kwam in de Britse sector zelfs tot stilstand op de lijn Woensel-Turnhout-Eindhoven. De voorraden waren niet voldoende voor een doorbraak over een breed front met inzet van grote legereenheden. Met de winter in het vooruitzicht, besloot men aan Geallieerde zijde tot een noodgreep, de operatie Market Garden (17 september 1944). Daarbij wilde men met grootscheepse inzet van luchtlandingstroepen in een enkele slag de bruggen over de rivieren de Waal en de Rijn veroveren. De aanval mislukte, de luchtlandingstroepen hielden nauwelijks 10 dagen stand. Enkele maanden later zette het Duitse opperbevel in december 1944 de tegenaanval in, precies daar waar het front van de Britse legers in de Ardennen aansloot op het Amerikaans front. Het Ardennenoffensief kon het tij niet meer keren.

 

Het verloop van de slag om de Europese laagvlakte maakt duidelijk, hoe doorslaggevend het bezit van de zeehavens is geweest en hoe het Duitse opperbevel dit tactisch voordeel heeft weten uit te buiten. Het haperen van de bevoorrading in augustus 1944 en het mislukken van de operatie Market Garden hebben de Tweede Wereldoorlog met acht maanden verlengd. In die eindstrijd zijn meer doden en gewonden gevallen onder burgers en militairen, dan in alle voorafgaande oorlogsjaren sinds 1939

 

5        Het landfront van de ‘Festung’

 

Vanwege het grote tactisch-strategische belang van de Festung IJmuiden was deze niet alleen ingericht tegen aanvallen vanuit zee, maar ook tegen aanvallen te land. Ter hoogte van het huidige pompstation Wim Mensink begon een netwerk van versperringen, tankvallen,  keermuren en verdedigingswerken, dat liep van de Croften via Tussenwijk en Rooswijk in de richting van het Noordzeekanaal. Aan de zuidoever zette de lijn van verdedigingswerken zich voort ten oosten van het dorp Velsen, langs Driehuis-Westerveld en IJmuiden-Oost en bereikte via de Heerenduinen uiteindelijk de kust. De Festung  had eigen voorzieningen voor drinkwater, verpleging, medische hulp en energie, beschikte over opslagplaatsen voor voedsel, goederen en munitie. En ook al was de Luftwaffe nog maar een schim van de strijdmacht die zij ooit was geweest, in de Festung waren toch plaatsen aangelegd voor de bevoorrading vanuit de lucht.

 

Tot in het voorjaar van 1945 hebben Duitse officieren rapporten uitgebracht over de voortgang van de bouwwerkzaamheden. Het voortgangsoverzicht van 25 maart 1945 over het Widerstandnest 61, dat deel uitmaakte van het Stutzpunkt Castricum, is daar een voorbeeld van. Tot zeer kort voor de ineenstorting van het Derde Duitse Rijk bleef men zich in de Festung IJmuiden voorbereiden op de laatste beslissende slag. In de marine commandopost op het Hoge Duin was dat niet anders, immers: ‘Die Festung war zum letzten Mann und zur letzte Patrone zu halten’.

 

6        Het effect van de ‘Festung’

 

De Festung IJmuiden was een effectieve schakel in de zogenaamde Atlantikwall, die van Zuidwest-Frankrijk tot aan Noord-Denemarken liep. Binnen de Festung IJmuiden was de commandobunker van de Marine Artillerie Abteilung 201 van doorslaggevende betekenis als het op vechten zou aankomen. De resten van deze commandopost onder het Hoge Duin houden de herinnering aan de slag om Europa (1944-1945) levend.

 

De bouw van de Festung IJmuiden begon in 1941 bescheiden, maar de bedrijvigheid nam snel toe in 1942 en 1943. In het eerste half jaar van 1944 werd alles op alles gezet in verband met  een Geallieerde invasie die op handen scheen. Naarmate de bouwactiviteiten toenamen, wilde de bezetter zo min mogelijk burgers in de buurt hebben. Om die reden werd Wijk aan Zee in 1942 grotendeels ontruimd. Wie een bedrijf had, dat voor de Duitse bezetting van belang was, die kon voorlopig blijven. In september 1944 voltrok zich een tweede ontruiming, waarna het dorp zo goed als uitgestorven was.

 

2.2     De lunettenlinie van Krayenhoff


·         De bescherming van het Bataafse kerngebied

·         De opbouw van de lunetten

·         De staat van de lunetten

·         De bouwmeester van de linie

·         ‘Ware Bataafsche trouw’

·         De Russisch-Engelse inval 1799

·         Een voorspoedig begin

·         Een pijnlijk misverstand

 


1        De bescherming van het ‘Bataafse’ kerngebied

 

Honderd vijftig jaar eerder was in de omgeving van wijk aan Zee ook al een groot complex verdedigingwerken aangelegd. In februari 1800 nam de ’Uitvoerende Magt’ (regering) van de Bataafsche Republiek de aanleg ter hand van de lunettenlinie tussen het Wijkermeer en de Noordzee. Deze linie moest het kernland van de Republiek beschermen tussen Amsterdam, Haarlem, Den Haag en Woerden. Het werk stond onder toezicht van de luitenant-kolonel ingenieur Cornelis R.T. Krayenhoff, de directeur der Fortificatiën van de Republiek. De uitvoering lag in handen van de luitenant-kolonel ingenieur Gilet, waarschijnlijk een hier te lande gelegerde officier van het Franse ‘Armee du Nord’.

 

Het werk werd voortvarend aangepakt en reeds voor het einde van het jaar had men dwars over de landengte van Midden-Kennemerland (‘Holland op zijn smalst’) een linie aangelegd. Drie rijen lunetten lagen in verspringend verband ten opzichte van elkaar. Op telkens een afstand van 400 meter lagen in eerste lijn  zware lunetten. Daarachter, in tweede lijn  middelzware lunetten en die werden in de rug gedekt door lichte lunetten in de derde lijn. Dat was de opbouw van het stelsel tussen het Wijckermeer en de duinrand, het Wijcker Hek. Vanaf de duinrand tot aan het Noordzeestrand lagen 10 middelzware lunetten. De gehele linie werd na de afbouw bewaakt door een eenheid Bataafsche troepen, die was gelegerd in een kampement ter hoogte van Tussenwijck.

 

2        De opbouw van de lunetten

 

Een lunet had de vorm van een maansikkel, volgens vestingbouwers, en het ontleende daaraan dan ook zijn naam (luna= maan). In feite ging het om een vijfhoekige veldversterking, waarvan twee zijden (= faces)een betrekkelijk scherpe punt vormden naar het noorden, in de richting van de vijand. Was de punt zeer scherp dan noemden de vestingsbouwers zo’n lunet of ravelijn ook wel een flèche. De luneten van de Krayenhofflinie waren betrekkelijk stomp.  De korte zijden van het lunet (= flanken) waren schuin achterwaarts gericht en daartussen lag de ‘keel’ (= achterzijde)van het lunet. De keel was afgesloten met een paalversperring, een palissade, en daarlangs konden de eigen troepen het lunet binnenkomen en verlaten. In hoofdzaak bestond het lunet uit wallen van uitgegraven aarde met een borstwering. In het gevecht op korte afstand konden de verdedigers van daar af de vijand beschieten met geweren en musketten. In het gevecht op grotere afstand diende het lunet als geschutstelling voor de batterijen van de artillerie. Waar dat nodig was had men de ‘punt’ van het lunet opgevuld, zodat de vuurmonden over de borstwering schoten. In het drassige gebied tussen het Wijkermeer en de duinrand waren de lunetten van de eerste lijn voorzien van een gracht aan de voorzijde. De lunetten in eerste linie waren geschikt voor de opstelling van vier stukken 12-ponds veldgeschut en nog enkele 6-ponders.

 

Ter ondersteuning dienden 4 kruitmagazijnen en 12 kruitkelders. Het wachtdetachement beschikte over 6 wachtloodsen.

Het militaire belang van de linie is van korte duur geweest. Reeds in 1801 besloot de Agent van Oorlog van de Bataafsche Republiek tot verkoop van de palissades en werd het onderhoud gestaakt. En zo werd in minder dan een jaar het bedrag van een half miljoen gulden volledig afgeschreven. Een aanzienlijk deel van de Bataafsche oorlogsbegroting, die in zijn geheel 31 miljoen gulden beliep. Hoe de uitgaven voor de oorlog uit de hand waren gelopen,valt af te lezen uit het gegeven, dat overige uitgaven van de republiek toen niet meer bedroegen dan 9 miljoen gulden. In 1806 heeft de militaire leiding van het Koninkrijk Holland de bezetting van de linie opgeheven. Aanvankelijk stond het wachtdetachement onder leiding van kolonel Chassé. Hij werd bevorderd 1806 tot generaal-majoor en nam deel aan de Napoleontische veldtocht in Spanje. Hij vocht als divisie commandant in 1815 bij Waterloo en verdedigde in 1830 de stad Antwerpen tijdens de Belgische Opstand.

 

 

3        De staat van de lunetten

 

In 1806 werd het wachtdetachement opgeheven en van Tussenwijck teruggetrokken. Alleen de terreinen bleven in handen van de Republiek en dat is de reden geweest, dat de legerleiding van het Koninkrijk der Nederlanden in 1865 op de gedachte kwam om de linie in te passen in het geheel van de Stelling van Amsterdam. Uiteindelijk heeft men daar van af gezien. Allengs raakten de lunetten in verval. Van de gehele reeks van 36 lunetten zijn er nog 9 bewaard gebleven, althans ze zijn nog enigszins herkenbaar in het landschap.

 

Naar de staat waarin de lunetten in 2005 verkeren, valt de linie in vijf delen uiteen:

 

·         De lunetten 1 - 7, die waren gelegen in de huidige woonwijken Oosterwijk en Meerestein van de gemeente Beverwijk zijn alle verloren gegaan. Naar verluidt bevinden de resten van een lunet zich nog onder een flatgebouw in Meerestein, dat onlangs is gerenoveerd.

·         De lunetten 8 - 14 bevinden zich naar verhouding in een redelijke staat. Lunet 8 ligt tussen de Kuikensweg in Beverwijk en de Krayenhofflaan in Heemskerk. De overige lunetten van dit gedeelte liggen in de nabijheid van de Plesmanweg, waar deze door het open veld loopt naar de Caagpoort van Corus, voorheen Hoogovens. Op lunet 14 staat een monument, een zuil met met het opschrift: ‘Si vis pacem, para bellum’ (Zo gij vrede wilt, bereidt u ten oorlog). Dit monument is heropgericht ter gelegenheid van het 200-jarig bestaan van de linie in het jaar 2000.

·         De lunetten 15 - 22 zijn verloren gegaan bij de aanleg en uitbreiding van zowel de begraafplaats Duinrust als van het Hoogovenbedrijf, benoorden de Zeestraat tussen Beverwijk en Wijk aan Zee.

·         De lunetten 23 - 24 liggen ter hoogte van Tussenwijck in de groenstrook rondom de Zeestraat.

·         De lunetten 25 - 36 bestreken van af het Gaasterduin, het Paasduin en de Tuinberg het voorterrein van de linie met hun geschut. In dit voorterrein van destijds lag ook het dorp Wijc op See. Het zou bij een aanstaand gewapend treffen gesloopt worden om een schootsveld vrij te maken. Indien de tijd daarvoor zou ontbreken dan zou het dorp vrijwel zeker in puin geschoten zijn. Het is zo ver niet gekomen.

 

4        De bouwmeester van de linie

 

De bouwheer van de lunettenlinie, de Directeur van de Fortificatiën, de luitenant-kolonel ingenieur Krayenhoff, was in zijn tijd een opmerkelijk man. Tijdens de aanleg bekleedde hij een hoge functie bij het Agentschap van Oorlog (ministerie). In de tijd van het Koninkrijk Holland heeft hij het onder koning Lodewijk Napoleon gebracht tot minister van Oorlog. En met de ministers Gogel (Financiën) en Van Maanen (Justitie) behoorde hij tot de bekwaamste dienaren van de Kroon. Onder het bewind van Napoleon (1810-1813) na de inlijving bij het Franse keizerrijk kwam daarin geen verandering. Even zo trouw diende hij onder koning Willem I  het Koninkrijk der Nederlanden.

 

Als militair ingenieur heeft hij behalve de lunettenlinie nog twee belangrijke werken op zijn naam staan. De ‘Posten van Krayenhoff’, een verdedigingslinie rondom de hoofdstad Amsterdam, aangelegd in 1805. Het tweede werk is de Nieuwe Hollandsche Waterlinie (1806-1830). Onder Krayenhoff is deze waterlinie uitgebouwd van Muiden aan de Zuiderzee tot aan de Biesbosch bij Dordrecht. Een andere, meer blijvende verdienste van Krayenhoff is geweest, dat hij sinds 1798  ‘Nederland’ tot in zijn uithoeken in kaart heeft laten brengen, van de Dollard tot de Schelde en van Texel tot de Peel.

 

Krayenhoff werd in 1758 in Nijmegen geboren als de zoon van een militair. Hij volgde de Latijnse school  van 1770 tot 1777 in zijn vaderstad en studeerde in 1784 af aan de universiteit van Harderwijk als filosoof, geneesheer en ingenieur. Hij was een tegenstander van het Oranjebewind  en hij week in 1794 uit naar Frankrijk. Daar werd hij onder generaal Daendels ingedeeld bij het Franse leger van het Noorden. Onder generaal Pichegru trok hij in 1795 de Noordelijke Nederlanden binnen.

 

 5    ‘Ware Bataafsche trouw’

 

Bij de opmars van het leger naar Amsterdam stuurde generaal Daendels zijn ondergeschikte Krayenhoff vooruit om de Bataafsche omwenteling van Amsterdam in beweging te brengen. Hij slaagde daarin verrassend snel en tegen de tijd, dat Daendels met zijn troepen de stadsgrens bereikte, kon Krayenhoff  de stad aan hem overdragen. Tijdens de invasie van de Russen en de Engelsen in het najaar van 1799, de directe aanleiding tot de bouw van de lunettenlinie, raakte Krayenhoff licht gewond en generaal Daendels  zond hem naar de achterhoede met de opdracht de stad Amsterdam in staat van verdediging te brengen. Binnen enkele dagen was Amsterdam niet alleen door het opwerpen van versterkingen voor de stad en bij Spaarndam,  maar ook door het onder water zetten van gedeelten van Waterland, zo goed als onneembaar geworden.

 

Krayenhoff bleef tot op hoge leeftijd, 72 jaar, in dienst van het land. In 1830 werd hij geschorst wegens vermeende onregelmatigheden in zijn administratie. Het Hoog Militair Gerechtshof sprak hem daarvan vrij, maar hij trad wel uit actieve dienst met behoud van tractement. In 1840 stierf hij, in zijn 82ste levensjaar. Hij werd begraven in het fort Krayenhoff bij Nijmegen en toen dat gesloopt werd in 1914 heeft men  zijn stoffelijk overschot overgebracht naar de Nijmeegse begraafplaats Rustoord. Op de steen boven zijn graf staat onder meer: ‘Een serieus en verstandig man met heldenmoed en ware Bataafsche trouw, mannelijke ervarenheid en eindeloze arbeid, die door eigen verdiensten tot de hoogste functies en tot aanzienlijke posities in leger en staatsbestuur is opgeklommen. Hij heeft een roem bereikt die ver boven afgunst uitgaat’.

 

6        De Russisch-Engelse inval 1799

 

De aanleg van de lunettenlinie was een onmiddellijke reactie op een Engels-Russische landing op het schiereiland van Holland in de nazomer en herfst van 1799. Op 2 oktober 1799 liep een aanval van de Engels-Russische invasiemacht vast ter hoogte van Wijk aan Zee. De Frans-Bataafsche verdedigers onder generaal Brune hadden de opmars van de invallers eindelijk na 6 weken tot staan weten te brengen. De slag bij Castricum op die dag en de gevechten bij Wijk aan Zee betekenden een ommekeer in de strijd en op 18 oktober zagen de aanvallers zich gedwongen een wapenstilstand te sluiten. Op 10 november 1799 hadden zij Hollands Noorderkwartier verlaten en Wijk aan Zee kon de schade opnemen.

 

Die schade was bepaald niet gering, die beliep alles bijeengenomen 25.000 gulden, ongeveer 100 gulden per hoofd van de bevolking die toen 235 zielen telde, verdeeld over 75 huishoudens. De schade was niet het rechtstreeks het gevolg van oorlogshandelingen, maar van het wangedrag van de Frans-Bataafsche verdedigers. Op 10 september 1799 waren duizenden militairen in wanorde van uit het noorden over het strand langs Wijk aan Zee naar Beverwijk getrokken. In het dorp waren zij aan het plunderen geslagen. Bij het inzetten van de tegenaanval op 6 oktober raakte het dorp opnieuw overstroomd door troepen. Paarden en wagens, voor zover nog aanwezig, werden gevorderd voor het verplaatsen van de legermacht, schapen en koeien werden geslacht om het soldatenvolk te voeden. Dat waren nog de ‘gewone’ bijverschijnselen van de oorlog, maar dat de bevriende troepen de matrassen opensneden en meubilair vernielden op zoek naar kostbaarheden, dat ging tegen alle regels in. Wijk aan Zee, reeds straatarm door het lamleggen van de visserij en de handelsvaart, kon die last niet meer dragen. Op 10 december 1799 moest het dorpsbestuur aan het Departement van Texel (provincie) in Alkmaar vragen om geld voor de uitdeling van voedsel.

 

7      Een voorspoedig begin

 

Toen de Engelsen en de Russen op 26 augustus aan land gingen ter hoogte van Callantsoog leken de krijgskansen voor de aanvallers veel gunstiger. Men rekende er op, dat de bevolking van Hollands Noorderkwartier  in opstand zou komen tegen het Bataafsche bewind en dat de Bataafsche troepen zouden overlopen naar de invallers. Alsdan zou de weg vrij liggen naar de hoofdstad Amsterdam en naar het hart van de Republiek. In het uiterste noorden liep de campagne volgens verwachting. Een dag na de landing viel de vlootbasis Den Helder in handen van de invasiemacht, Medemblik en Enkhuizen werden ingenomen, net als Lemmer en Stavoren. Zo wist men de doorgang tussen de Zuiderzee en de Noordzee af te sluiten. Op de Bataafsche vloot brak muiterij uit, de oranjegezinde bemanningen weigerden het gevecht aan te gaan. De schepen werden in beslag genomen en afgevoerd naar Engeland.

 

Voor het overige hield de bevolking van de Bataafsche Republiek en die van Hollands Noorderkwartier zich afzijdig. Men was weliswaar niet gelukkig met de stand van het land, maar van een neiging tot opstand was geen sprake. De beloften, gedaan bij de omwenteling van 1795, waren niet ingelost. Niet alleen vanwege de scherpe politieke tegenstellingen tussen Federalisten en Unitarissen, maar ook nog eens door een aanhoudend gebrek aan geld. De handel ter zee lag stil, net als de visserij. Maar het ergste van alles was, dat de Fransen keer op keer 25.000 soldaten stuurden om te worden gekleed en gevoed op kosten van de Bataafsche Republiek.

 

8  Een pijnlijk misverstand

 

Die soldaten werden door de ‘bondgenoot’ telkens vervangen door nieuwe sterk verpauperde eenheden. Deze handelwijze werd ingegeven door het hardnekkige denkbeeld, dat de Hollanders veel rijker waren dan zij voorgaven. De Fransen geloofden nog steeds niet dat de vroegere bankiers van Europa, de financiers van de Amerikaanse Vrijheidoorlog in 1776, in amper twintig jaar zo sterk verarmd waren, en toch was dat  het geval. Een pijnlijk misverstand, dat de verhouding tot Frankrijk en de Nederlanden van het begin tot het eind toe verziekt heeft.

 

Hoe ongunstig de omstandigheden in het najaar van 1799 ook waren, de inwoners van de Republiek en in het bijzonder de inwoners van Kennemerland, zagen toch meer in voortmodderen op de ingeslagen weg dan in een herstel van het stadhouderlijk bewind en een terugkeer naar het geredekavel van de elkaar bestrijdende Zeven Provinciën. Die houding werd nog eens te meer versterkt, omdat het Bataafsche Bewind aan het overwegend rooms-katholieke volk van Kennemerland vrijheid van godsdienst bood. Tijdens de oude Republiek was er van 1579 tot 1795 voor die geloofsgroep slechts sprake was geweest van achterstelling, ontrechting en onderdrukking. Vooral waar het ging om het uitoefenen van godsdienstige plichten, het sluiten van huwelijken en het bekleden van openbare ambten.

 

2.3     De Spaanse veldtocht


·         De ruïnekerk van Wijc op See

·         Een nieuw geloof en een oude ordening

·         De Nederlanden in groter verband

·         De Nederlanden in opstand

 


1  De ruïnekerk van Wijk aan Zee

 

 

Op oude afbeeldingen staat de kerk van Wijk aan Zee op het dorpsplein er bij als een ruïne en dat is eeuwenlang zo gebleven. De schade aan de kerk was het rechtstreeks gevolg van de Spaanse veldtocht tegen de opstandige Nederlanden en de belegeringen van Haarlem en Alkmaar die daaruit volgden. In de zomer van 1573 werden vooral gevechten geleverd om de landengte van Midden-Kennemerland. Holland op zijn smalst, zoals deze landtong ook wel heette, was opnieuw van grote militaire betekenis. Vanaf deze smalle landstrook lag de weg naar het noorden en naar het zuiden open voor eenieder die hem in zijn macht wist te houden. In 1573 waren de Spanjaarden in het voordeel, vanaf het koningsgezinde Amsterdam liep een dijk over  Halfweg en Spaarndam naar de landengte en die hadden de Spaane troepen stevig in handen. Om zich de Staatse troepen van het lijf te houden wierpen de Spanjaarden nog meer verschansingen op, onder andere ter hoogte van Krommeniedijk. De balken die zij daarvoor nodig hadden sloopten zij uit de kerken in de omtrek en uit de kerk van Wijk aan Zee.

 

Zo raakte het gebouw in verval en het zou waarschijnlijk in zijn geheel verloren zijn gegaan, ware het niet, dat de Hervormde kerkgemeente het bouwwerk in 1600 in gebruik nam. Daartoe sloot men het schip van de kerk af met een muur bij de vierde travee. De resten van de drie volgende traveeën, van de dwarsbeuk en van het koor bleven nog lang staan voor zij in het begin van de 19de eeuw werden verkocht en  gebruikt als bouwmateriaal in het dorp.

 

2        Een nieuw geloof en een oude staatsordening

 

De Spaanse legereenheden waren in 1566 na de Beeldenstorm naar de Nederlanden gekomen om orde op zaken te stellen. De koning van Spanje Filips II,in naam landsheer van deze gebieden, zag de Nederlanden als een broeinest van Protestantisme en dat wilde hij ten koste van alles bestrijden. Daarbij kwam nog dat men in de Nederlanden niets moest hebben van zijn staatkundige hervormingen, hij wilde een meer centraal bestuur. De gewesten en de steden daarentegen hielden hun rechten en privileges voor eeuwig gegeven en die kon de landsheer zonder hun instemming niet intrekken of vervangen, meenden zij. Dus was er in de Nederlanden niet alleen een botsing tussen de Middeleeuwse Moederkerk en het Modernistische Protestantisme. Er was ook een botsing tussen het Middeleeuwse  bestuursstelsel van de Nederlanden en het Modernistische stelsel van de  Habsburgse heersers.

 

Het verzet zat diep geworteld. Al sinds de 12de en 13de eeuw hadden de steden en streken van het graafschap Holland (en ook in andere provincies) voorrechten voor zichzelf weten te bedingen bij de graaf en andere landsheren. Dat gebeurde telkens als de graaf met een bede kwam. De opbrengst van zo’n bede was in de meeste gevallen bestemd voor de financiering van een veldtocht. Naarmate de welvaart groeide in de steden, namen de opbrengsten van de beden in de steden toe. En wel zo, dat de afdrachten van de leenmannen en vrije boeren op het platteland daarbij in het niet zonken. Naar goed koopmansgebruik stelden de stadsbesturen, dat zij de graaf slechts konden steunen indien daar iets tegenover stond. Daarom eisten zij telkens een uitbreiding van hun stedelijke rechten. Toen het gewest Holland onder het bewind van de Henegouwers en de Beieren in toenemende tweedracht verzonk, werd de toestand er niet beter op. De graafschappen en hertogdommen vielen vrijwel uiteen in stadstaatjes. En dat proces van ontbinding ging nog voort toen daar de twisten van de Hoeken de Kabeljauwen op volgden.

 

3        De Nederlanden in groter verband

 

Er kwam weer enige orde toen de hertogen van Bourgondië deze landen gingen besturen. Karel de Stoute wees bij zijn aantreden in 1467 een hoofdstad aan, Mechelen. En in die hoofdstad zetelden een Hoge Rekenkamer en een Hoge  Raad voor de rechtspraak. Verder ging het niet want bij zijn plotselinge dood in 1477 wisten de gewesten en steden van de Lage Landen vrijwel alle vernieuwingen ongedaan te maken. De nieuwe landsheer uit het Huis van Habsburg, keizer Maximiliaan, en na hem de keizer Karel V, waagde opnieuw een  poging tot hervorming, maar veel haalde het niet uit. Omstreeks 1535 moest keizer Karel, die hof hield in Brussel, de gewesten en steden herhaaldelijk oproepen tot het opzenden van hun Middeleeuwse oorkonden, wat overigen maar zelden gebeurde. Zo wisten de steden en gewesten de veranderingen van de Habsburgse landsheren tot in het oneindige te vertragen.

 

Toen daar nog bijkwam, dat men in de Nederlanden vrij verdraagzaam stond tegenover het opkomende Protestantisme, was de Habsburgse maat al zo goed als vol. De gewesten en steden zagen de centralistische plakkaten tegen de Protestanten in de eerste plaats als een inbreuk op hun zelfstandigheid in de rechtspraak. Dat het om een zaak van geloof ging was weliswaar belangrijk, maar in dit verband van minder betekenis. Om die reden keerden ook de gewesten en steden, die nog weinig te stellen hadden met de nieuwe geloofsrichtingen, zich toch fel tegen de inmenging van de Habsburgse heerser.

 

4        De Nederlanden in opstand

 

De Beeldenstorm van 1566 zette de  landsheer, Filips II, aan tot een gewapend ingrijpen. Hij stuurde de hertog van Alva om de orde te herstellen. Dat gebeurde met zoveel geweld, dat het verzet er eerder door werd aangewakkerd dan verzwakt. In 1568 kwam het openlijk tot een treffen tussen Spaanse troepen en opstandige legergroepen, die stadhouder Willem van Oranje had ingehuurd. De veldtocht werd voor de Orangisten een grote mislukking. Eerst vier jaar later, in april 1572, kwamen steden in de Noordelijke gewesten opnieuw in opstand en verklaarden zij zich, vaak onder grote druk van het stadsvolk, tot de partij van Willem van Oranje. In een snelle opmars wist het leger van Alva de opstandige steden tot overgave te dwingen en zij werden zwaar gestraft met doodslag, brandschatting en plundering. De stad Naarden werd als bloedig voorbeeld gesteld. Uiteindelijk moest ook de oude Hollandse gravenstad Haarlem zich overgeven in de zomer van 1573. In het najaar van 1573 werd het beleg om Alkmaar geslagen, maar die stad bleef voor de Orangisten behouden. Tot op de dag van vandaag viert men daar op 8 oktober het wegtrekken van de Spaanse troepen.

 

En op het dorpsplein van Wijk aan Zee bleef de ruïne van de kerk nog tot in lengte van eeuwen herinneren aan de vijandelijkheden van 1573.   


 

2.3            De Middeleeuwse twisten


·        De Loonse oorlog van 1203

·        De Kennemer opstanden

      Hoekse en Kabeljauwse twisten

·        De jonker Frans oorlog

·        Het Kaas- en Broodvolk van 1492


 

1        De Loonse oorlog van 1203

 

In 1203 is graaf Dirk VII overleden. Hij was opgetreden als stadhouder voor zijn vader Floris III sinds deze met de Duitse keizer Frederik Barbarossa ter kruisvaart trok. Floris overleed in Palestina in de stad Antiochië in 1190. Het zag er naar uit dat de overgang van de frafelijke macht van vader op zoon geen moeilijkheden zou geven, maar dat pakte anders uit. De jongere broer van Dirk VII, ene Willem, was met zijn vader naar het Heilige land getrokken, maar had niet alleen de tocht er heen, maar ook de reis terug overleefd. Het kwam tot een strijd tussen de beide broers, die na onderhandelingen werden gestaakt. Willem kreeg het bewind over de Friesese gouwen tussen het Vlie en de Lauwers, de Oostergo en Sudergo. De vrede bleef bewaard tot Dirk VII overleed. Men huwelijkte zijn dochter Ada terstond uit aan Lodewijk van Loon en dat was zeer tegen de zin van Willem en hij stelde zich aan het hoofd van de opstand. Na enkele nederlagen wist hij toch greep te krijgen op het graafschap. Ada, de weduwe van Dirk VII wordt gedwongen de wijk te nemen naar haar koninklijke familie in Schotland.

 

Tijdens de Loonse oorlog moet de schout van het ambacht Wijc, Albert Banjaert, het opnemen tegen de opstandelingen. Zijn versterkte hoeve, die vermoedelijk heeft gestaan op het Hofland in Beverwijk, wordt verwoest en kennelijk zo grondig, dat men er tot op heden geen spoor van heeft kunnen terugvinden. In die tijd was het van hoogste belang, wie de functie van schout op de landengte van Kennemerland bekleedde. Albert Banjaert was een vertrouweling van de graaf Dirk VII en hij staat als getuige genoemd in de verdragen, die de graaf heeft gesloten met de graaf van Vlaanderen en de abt van Egmond. In de tweede helft van de 13de eeuw heeft Gerard van Velsen het schoutsambt bekleed in Wijc. Ook hij behoorde tot de kring van vertrouwelingen van de toenmalige graaf, Floris V.  Gerard van Velsen, met anderen zeer ontevreden over het beleid van de graaf inzake de volksrechten en over het verbond met de Franse koning, maakte gemene zaak met de Engelse koning. Met medeplichtigen nam hij Floris V in 1298 gevangen en in de vlucht voor het landvolk hebben de ontvoerders de graaf Floris vermoord. Gerard van Velsen heeft de moord op graaf Floris met de dood moeten bekopen.

 

 

2        De Kennemer opstanden van 1279 en 1281

 

De Kennemer opstanden waren een gevolg van de willekeur waarmee de leenmannen van de graaf, als schout of als baljuw, optraden tegen het landvolk. De Kennemers waren een volk van vrije buren en men had sinds onheugelijke tijden nauwelijks lijfeigenschap gekend. Het ongenoegen, nog aangewakkerd door plaatselijke oorlogen en slechte oogsten, richtte zich vooral op de wijze waarop de hogere adel omging met de rechten van de welgeborenen en de huislieden.

 

Onder welgeborenen verstond men in die tijd mensen van adellijke afkomst. Zij waren gedwongen tot een gewoon boerenleven, omdat zij niet meer konden voldoen aan de eisen van de ridderstand. Dat hield tenminste in, dat zij er een paard en een wapenrusting op na konden houden. De kosten daarvan waren aanzienlijk en stonden gelijk aan een veestapel van om en nabij de 100 runderen. De betrekkelijke armoede van de welgeborenen kon een gevolg zijn tegenslagen in de landbouw of de veeteelt. Meestal lag de oorzaak bij een versnippering van de eigen bezittingen door deling van de erfenissen. In een enkel geval ging het om een verval van rechten omdat men bij de landsheer in ongenade was geraakt.

 

Als huislieden werden beschouwde men de vrije boeren, de mensen die sinds mensenheugenis hadden gewoond op hun vrije hoeve en zich van geslacht op geslacht wisten te handhaven. In een maatschappij waarin men zich van standen en standsonderscheid zeer bewust was, viel de behandeling van de welgeborenen en de huislieden soms heel verschillend uit. Zo waren de welgeborenen vrij van schotplicht, de huislieden niet. Zij moesten, telkens als de graaf daarom vroeg, de bede (belasting) opbrengen. Als de huislieden voor een veldtocht werden opgeroepen, dan maakten zij deel uit van het contingent, dat de stad of het gewest in het veld moest brengen. De welgeborenen volgden het vaandel van de landsheer, de graaf.

 

Bij gelegenheid maakte het volk van Kennemerland gemene zaak met de West Friezen en kregen steden als Haarlem en Leiden het zwaar te verduren. In een enkel geval wisten de opstandige Kennemers zelfs door te dringen tot Utrecht.

 

In het belang van de inwendige vrede in het graafschap vaardigde graaf Floris V in 1291 een handvest uit, waarin de rechten van de Kennemers werden vastgelegd. Eerst toen werd het rustig in de streek en kon Floris de legermacht op de been brengen, die hij nodig had om de West Friesen te onderwerpen. Hij slaagde daar vijf jaar later in, 1296.

 

 

3        De Hoekse en Kabeljauwse twisten

 

Nadat graaf Willem IV in 1345 was gesneuveld bij Warns in de omgeving van Stavoren, brak in het graafschap Holland opnieuw een crisis uit. De vrouw van de Duitse keizer, Margaretha van Beieren, volgde haar broer Willem op als gravin. Vanwege haar verplichtingen in Duitsland stelde zij haar zoon Willem aan als stadhouder. Al spoedig kwam Wilem tegen zijn moeder in opstand, gesteund door een aantal hoge edelen en enkele Hollandse steden. Zij werden de Kabeljauwen genoemd. De edelen die zijn moeder steunden, werden de Hoeken genoemd. Na ettelijke veldtochten en een zeeslag bij Zwartewaal wist Willem de overhand te krijgen. In 1355. De rust leek weer te keren. Maar nog geen 2 jaar later, keerde Willem in 1357 ziek terug uit Engeland. Hij leek zijn verstand bijster en tot regeren ongeschikt. Zijn jongere broer Albrecht van Beieren, nam het ambt voor hem waar. Albrecht wist de crisis te bezweren totdat hij op betrekkelijk hoge leeftijd onder invloed kwam van zijn minnares, Aleid van Poelgeest. Zij was sterk op de hand van de Kabeljauwse partij en de ontevreden Hoekse edelen besloten tot een moordaanslag in 1392. De daders hadden de steun van Albrechts zoon Willem, die zich tot de Hoekse partij had bekend. Twee jaar lang woedde een felle oorlog tussen vader en zoon en die werd in 1394 bijgelegd. Om de vijandschap een richting te geven beslot men op te trekken tegen het Friese vasteland om het voorgoed te onderwerpen aan de Hollandse macht. Veel haalde het niet uit, de onderwerping van de duurde nauwelijks een jaar. In 1400 kwam aan het krijgsgeweld een voorlopig einde.

 

In 1404 volgde de Hoekse Willem zijn Kabeljauwse vader op en hij bleef tot zin overlijden in 1417 aan de macht als graaf Willem IV. Zijn dochter Jacoba van Beieren volgde hem op en elf jaar lang, van 1417 tot 1428, was het graafschap opnieuw in strijd gewikkeld. De ‘zoen van Delft’ een overeenkomst van Jacoba met hertog Filips, de Goede, van Bourgondië maakte een eind aan de vijandelijkheden.

 

In het tijdvak 1345-1428 zijn de kastelen op de landengte van Kennemerland herhaaldelijk verwoest. De heren van Marquette, Meerestein, Oosterwijk en Adrichem behoorden ofwel tot de Hoekse partij, dan wel tot de Kabeljauwse partij. Als vergelding voor onderlinge moordaanslagen en aanvallen kwam het tot belegering en verwoesting van de kastelen. Onder Filips de Goede kreeg de Kabeljauwse partij uiteindelijk de overhand, lagen de Hoekse kastelen in puin en had de adel van de Kabeljauws gezinde steden niets meer te vrezen. 

 

4        De jonker Frans oorlog 1489

 

Na de dood van hertog Karel de Stoute in 1477 stak de diepgewortelde ontevredenheid in het graafschap Holland opnieuw de kop op. Zijn dochter Maria van Bourgondië werd bij haar aantreden gedwongen tot herstel van de stedelijke en gewestelijke rechten in het Groot-Privilege 1481. Het bleef even rustig, totdat in 1482 Maria overleed. Haar weduwnaar, aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk, werd voogd over hun zoon Filips en nam het bewind over. Hij voerde oorlog tegen de Franse koning, maar de krijgskans had zich tegen hem gekeerd, hij moest zich verweren en beschikte niet over de middelen om tot aanval over te gaan, ondanks de ongekend hoge belastingdruk. Onder leiding van de jonker Frans van Brederode nestelde zich een groep ontevreden Hoekse edelen in Sluis en vandaar uit ondernamen zij kapertochten op de Noordzee. De Franse vloot liet zich niet onbetuigd.

 

De vissers van Wijc op See raakten niet minder dan 14 van de 42 schepen kwijt aan de Fransen. Een slag die het dorp nooit meer te boven is gekomen. Maar het dorp kreeg nog meer te verduren. In mei 1489 persten de Hoekse zeerovers van Sluis, de vissers van Wijc op See en aanzienlijk som geld af. Op 12 juni 1491 overvielen zij in alle vroegte het dorp met een landing op het strand. Tussen zeerovers en dorpsbewoners kwam het tot hevige gevechten. Over en weer vielen er doden en gewonden. Met meenemen van hun aanzienlijke buit en de verwoesting van een deel van het dorp trokken de aanvallers af.

 

 

5        Het Kaas en Broodvolk van 1492

 

Wijc op See was nog nauwelijks bekomen van de ramp die het had getroffen, toen in 1492 het volk van Kennemerland en Westfriesland in opstand kwam. Jaren van mislukte oogsten, vanwege de hevige regenval, en de belastingdruk brachten de mensen tot wanhoop. Het opstandige volk trok over de landengte van Kennemerland, alles vernielend wat het tegenkwam aan bezittingen van de heersende Kabeljauwse partij. In Haarlem richtten zij verwoestingen aan en sneden de schout, Van Ruyven, aan stukken die zijn weduwe kreeg thuisbezorgd.

 

De stadhouder, Albert van Saksen, besloot met harde hand de opstand neer te slaan. In zijn opdracht voerde een legermacht onder leiding van Wilwort van Schaumburg een landing uit aan de zuidgrens van het graafschap kennemerland, ter hoogte van Noordwijk. Vandaar trok het krijgsvolk naar het noorden en bereikte daags daarna Wijc op See. Het dorp verleende de troepen vrije doortocht en voorzag de eenheid van leeftocht. Het doodarme dorp bleef dirmaal gespaard voor gevechten, verwoesting en plunderingen. De verdedigers van Beverwijk, die tevergeefs hoopten op bijstand van de Haarlemmers, werden onder de voet gelopen en bij Heemskerk werd de opstand van het Kaas- en Broodvolk voorgoed in bloed gesmoord.

 

2.5     De Hollandse heertochten

 


·        De krans van kastelen

·        De stamvader van de Gerulfingen

·        De Rooms-Koning, graaf Willem II

 


1        De krans van kastelen

 

De Hollandse heertochten voerden nog al eens over de landengte van Midden-Kennemerland en de aanvallen van de opstandige Kennemers en Westfriezen ook. Om die reden is in de 13de eeuw een krans van kastelen gebouwd ten noorden van Holland op zijn smalst. Marquette maakte deel uit van deze linie, zoals ook de kastelen Assumburg, Oud-Haerlem, Oosterwijk en Adrichem.  Een kasteel is zoek, het huis van het geslacht Banjaert. Het is in de Loonse oorlog in 1203 verwoest. Met een redelijke mate van waarschijnlijkheid heeft het gestaan op het Hofland, een strook hoger gelegen grond in het noorden van Beverwijk.

 

Na de onderwerping van de Westfriezen onder Floris V verloren deze kastelen in 1289 hun militaire belang voor het graafschap als geheel. Te meer, omdat Westfriesland werd omgeven met een reeks van dwangburchten, onder meer bij Alkmaar, Wijdenes, Wijdenoord en Medemblik. Dat de graven zo dikwijls betrokken waren bij heertochten in Westfriesland, in Utrecht en in Zeeland is terug te voeren op hun streven het oude hertogdom Groot-Friesland in zijn geheel onder hun gezag brengen. Zij meenden dat het hun toekwam, omdat zij zichzelf zagen als verre afstammelingen van de Friese koning  Radboud. En had Radboud niet ook geregeerd van het Zwin tot aan de Weser? En dan was er nog iets, oud zeer uit 885.

 

2        De stamvader van Gerulfingen

 

Als de stamvader van het Fries-Hollandse gravenhuis houdt men het als regel op Gerulf. Zijn dynastie, die men wel eens de Gerulfingen noemt, heeft  van 885 tot aan 1299 over het graafschap geregeerd, niet minder dan 414 jaar. Zowel Gerulf als zijn opvolgers hebben zich altijd graaf van Kennemerland én heer van Friesland genoemd. Door aankopen, huwelijken en oorlogvoering hebben zij hun machtsgebied weten uit te breiden. In de loop der eeuwen volgden Rijnland, Schieland,  Maasland en Zeeland. Het gebied Waterland werd door koop verkregen. De bisschop van Utrecht moest Amstelland en het Gooi na een oorlog prijsgeven en uiteindelijk slaagde Floris V er in om de Westfriezen te onderwerpen in 1289. Vier eeuwen van gevechten waren daaraan vooraf gegaan. Over Friesland en Groningen wist zijn voorganger Dirk VI in 1156  een bewind van twee heren      (con-dominium) af te dwingen bij de bisschop van Utrecht. Het haalde weinig uit, de formele macht over Friese gouwen werd zelden omgezet in een feitelijke macht.  Ook al ontbrak aan het politieke netwerk van de grafen helemaal niets. Jan I, de laatste graaf in het Hollands-Friese Huis trouwde met Elisabeth, een dochter van de Engelse koning, zijn vader Floris V was getrouwd met een dochter van de graaf van Vlaanderen. Zijn overgrootvader had zich  door huwelijk verbonden aan het Schotse koningshuis van koning Malcolm. Dirk VII trouwde met Ada, een Schotse koningsdochter. Een van de graven, de steenrijke Floris II, bood de keizer van het Heilige Roomse Rijk ooit een grote som geld. In ruil daarvoor wilde hij tot een van de keurvorsten van het Rijk aangesteld worden. De keizer ging niet op het aanbod in. Floris III trok met de Duitse keizer Frederik Barbarossa ter kruisvaart en stierf in 1191 in het Heilige Land.

 

3        De Rooms-Koning, graaf Willem II

 

Een van zijn opvolgers en de vader van Filips V, graaf Willem II, bracht het nog tamelijk ver in de Europese politiek. Een deel van de keurvorsten wees hem aan als de nieuwe kandidaat voor het keizerschap. Hij werd in Aken tot Rooms-Koning gekroond en de paus zou hem de keizerskroon in Rome op het hoofd drukken. Op enig ogenblik zag het daar ook naar uit, de keurvorsten die tegen zijn kandidatuur waren, gaven hun weerstand op en de Paus toonde zich bereid tot de kroning. Maar voor dat kon gebeuren trok graaf Willem II in de winter van 1256 op tegen de West-Friezen. Hij zakte te paard en in volle wapenrusting door het ijs in de buurt van Hoogwoud. Daar sloeg een groep van de Westfriese vrijscharen hem dood.

 

De grafelijke waardigheid over Holland (en Friesland) ging na 1299 bij de dood van Jan I over op het Huis Henegouwen en daarna op het Beierse Huis.  In 1345 ondernam graaf Willem IV nog een krijgshaftige poging om de Friezen te onderwerpen, hij kwam niet verder dan Warns in de buurt van Stavoren en sneuvelde aldaar. Na Henegouwse en Beierse heren volgden Filips de Goede en Karel de Stoute van het Bourgondische Huis. Hertog Karel van Bourgondië ging omstreeks 1470 in onderhandeling met de Friese grootheden over zijn erkenning als hun grafelijke heer. De onderhandelingen werden gerekt en uiteindelijk afgebroken toen Karel spoorslags naar de Elzas optrok om daar een opstandige beweging neer te slaan. Hij kwam tijdens die strafexpeditie om het leven in 1477 en sindsdien is van grafelijke aanspraken over het Friese kerngebied en Groningen weinig meer vernomen. De heerschappij over de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden kwam eerst in handen van keizer Maximiliaan en op hem volgde Karel V.


2.6     Van hertogdom naar graafschap


·         De hertog van Groot-Friesland

·         De ijdele hoop van Gerulf

·         De Friezen van Kinheim

·         De Friezen van de Voortijd

·         De Friese opstand van het jaar 29

 


1        De hertog van Groot-Friesland

 

 

De droom van de Hollands-Friese graven om het hertogdom Frisia Magna te herstellen is terug te voeren op het jaar 885. De Vikingen voerden toen al tientallen jaren aanvallen uit op de Friese kusten. Wat de reden van die strooptochten mag zijn geweest, is nog altijd niet duidelijk. Een veronderstelling is dat het oprukken van de Avaren en andere Slavische stammen de handelswegen tussen Scandinavië en Midden-Europa blokkeerden. Vanuit het noorden kwamen pelzen en barnsteen, goederen die werden geruild tegen zijde en andere kostbaarheden. Een andere reden kan een verandering in het klimaat zijn geweest, die de landbouw en veeteelt terugdrong op een kleiner gebied, met hongersnood en stamoorlogen als gevolg. Een samenloop van verstoorde handelswegen en verandering in het klimaat valt niet uit te sluiten. In ieder geval voeren de Vikingen de zee op en vielen zij Schotland, het noorden van Engeland en Ierland aan. Ook verschenen zij voor de mondingen van de Europese rivieren, de Seine, de Schelde, de Maas en de Rijn.

 

In het begin van de aanvallen omstreeks 810 wist keizer Karel de Grote de Vikingen nog wel te weerstaan. Hij stelde betrouwbare markgraven (‘markiezen’) aan en voor de kusten hielden gewapende schepen de wacht. Na de dood van de keizer zeeg het keizerrijk van de Franken langzaam maar zeker ineen. Zijn zoon Lodewijk de Vrome en zijn kleinzoon Karel de Dikke stelden Vikingen aan als leenman van het kustgebied in het noordwesten. Dat gebied strekte zich uit van het Zwin in het zuiden tot aan de Weser in het noorden, Frisia Magna (Groot-Friesland). De keizer beschouwde het als een hertogdom, zoals de Frankische vorsten dat al eerder hadden gedaan. Van oudsher merkten zij de Friese koningen aan als ‘duces’ (dux=hertog, waaronder Radboud). Sinds 883 heerste hertog Godfried, bijgenaamd de Zeekoning, over de Friese kusten en hij gedroeg zich als een ware Viking. Maar als beschermer van zijn gebied stelde zijn optreden weinig voor. Hij legde zijn onderdanen een hoge schatting op en bezette het keizerlijke paleis bij Nijmegen, het Valkhof. Hij bracht daar de winter door, roofde het leeg en stak het in brand. De keizer kreeg er genoeg van en bracht een leger op de been, dat het kamp van Godfried bij Elsloo in de Betuwe omsingelde.

 

2        De ijdele hoop van Gerulf

 

De keizer durfde Godfried bij die gelegenheid  niet aan te vallen en ook later had hij de moed niet. Vervolgens trok Godfried op langs de Rijn in de richting van de Pfalz. Hij eiste dat gebied van de keizer op, omdat in zijn hertogdom geen wijnstok kon groeien en dat was in de Pfaltz duidelijk wel het geval. De keizer besloot Godfried in een hinderlaag te lokken. Op een plaats in de Betuwe werd een samenkomst afgesproken voor het voeren van onderhandelingen. Eenmaal in het kamp aangekomen, werd Godfried om het leven gebracht. Een van de moordenaars was de graaf Gerulf van een Friese gouw Kinheim, oftewel Kennemerland. Hij was een afstammeling van het Friese vorstengeslacht.  Maar als hij ook maar een ogenblik mocht hebben gedacht, dat hij in plaats van Godfried verheven zou worden tot hertog van Frisia Magna, dan werd zijn vergissing snel duidelijk. Hij was en bleef graaf van Kennemerland. Eerst vier jaar later ontving hij als dankbetuiging van keizer Arnulf in 889 twee gebieden. Het eerste, Teisterband lag in de Betuwe bij Tiel. Het tweede sloot redelijk aan bij Kennemerland, het lag tussen Vlaardingen en Leiden. Het betekende een zekere genoegdoening, maar meer ook niet. Sindsdien zijn vele van zijn opvolgers 592 jaar (885- 1477) doende geweest om die keizerlijke ‘fout’ met beleid en geweld te herstellen.

 

 

3        De Friezen van Kinheim

 

In de tijd van de grote Volksverhuizing, de 6de eeuw, zijn de Friezen uit het zicht verdwenen, althans de stammen die Kennemerland in de voorgaande tien eeuwen hadden bevolkt. De streken die zij toe dan toe hadden bewoond, de kust en de oevers van de grote rivieren, raakten ontvolkt. Dat kan nauwelijks het gevolg zijn geweest van bevolkingsdruk uit het noorden en oosten, want het land is na het vertrek van de Friese stammen lang ontvolkt gebleven. Het is meer waarschijnlijk dat een omslag van het klimaat en een daarmee samenhangende stijging van de zeespiegel de Friezen uit hun woongebied heeft verdreven. De algemene veronderstelling is, dat de Friezen samen met de Angelen en Saksen een goed heenkomen hebben gezocht in Vlaanderen en dat zij vandaar zijn overgestoken naar het zuiden van Engeland.  Als hun spoor daarheen al leidt, dan maakten zij deel uit van de bevolking van Essex en Wessex (Oost- en West-Saksen) of van Suffolk en Norfolk (het Zuid- en Noord-Volk van Anglia.

 

Er zijn enkele generaties voorbijgegaan voordat de omstandigheden verbeterden in Kennemerland en ter weerszijden van de grote rivieren. Het land raakte herbevolkt in de 7de eeuw. Aan de hand van bodemvondsten is komen vast te staan, dat die herbevolking niet uit het  noorden of uit het oosten tot stand is gekomen. Dat maakt een herbevolking van uit het zuiden meer waarschijnlijk, zij het dat de Frankische stammen daar reeds in een hecht verband leefden. Dat maakte een doortocht van Friese stammen minder aannemelijk. Alsdan bleef nog slechts een mogelijkheid open, herbevolking van over de Noordzee. Indien dat het geval is geweest, krijgt de Middeleeuwse naam van het gebied- Kinheim- een bijzonder gewicht. Kinheim betekent namelijk zowel in het oud-Fries als in het Angelsaksisch ‘het land der vaderen’ (heim = thuisland en kin = voorvader). De verwantschap van het Oudfries en het Oudengels (Angelsaksisch) is bepaald opvallend. Hetzelfde geldt voor de bouw van huizen en de edelsmeedkunst. Maar mogelijk nog belangrijker in dit verband is de verwantschap van rechtsopvattingen, zoals uit oude wetsteksten naar voren komt. Tenslotte is er zeer opmerkelijk gegeven, dat Willibrord en Bonifacius, afkomstig uit Zuid-Engeland moeiteloos het Evangelie konden prediken onder de Friezen. Ook dat geeft reden een bijzonder grote verwantschap van cultuur en taal te veronderstellen. Zo bezien kan er toch nog een vaag verband bestaan tussen de Friezen van na de Volksverhuizing en de Friezen van voor de Volksverhuizing.

 

4        De Friezen van de Voortijd

 

Uit bodemvondsten is gebleken, dat Noord-Germaanse stam der Friezen al vijf eeuwen voor het begin van de jaartelling zich hebben gevestigd in deze streken. Van hun cultuur en hun levenswijze is weinig meer bekend dan wat onderzoekers in afvalhopen hebben gevonden. Zij leefden vooral van de visserij en de jacht en van een zeer bescheiden landbouw en veeteelt. Naarmate hun verblijf meer duurzaam werd, hebben zij zich tegen de zee weten te verweren, onder andere door het opwerpen van woonheuvels (terpen) in de uitgestrekte kwelders langs de kusten in het noorden. In het westen zochten zij een woonplek op de hogere strandwallen en jaagden en visten zij in de daartussen gelegen moerassen van de strandvlakten. Op de strandwallen zelf onderhielden zij eenvoudige akkers waar zij vooral rogge verbouwden.

 

Met de komst van de Romeinen doen de Friezen hun intrede in de geschreven geschiedenis. Van die teksten zijn de bekendste van Tacitus, die omstreeks het jaar 100 leefde. Tacitus is voor zover bekend nooit in deze streken geweest, maar hij verkreeg zijn gegevens als senator en hooggeplaatst Romein uit de eerste hand van de legionairs en van de legeraanvoerders, die in het verre noorden de rijksgrenzen hadden bewaakt. Met name in Germania Inferior, het gebied ten noorden van Belgica en ten westen van Germania (Duitsland).  Omstreeks het begin van onze jaartelling liep de grens van het Romeinse Keizerrijk langs de Donau en de Rijn en volgde in deze streken de loop van de Vecht en van het Oer-IJ, dat ter hoogte van Velsen (Felisenum) in open verbinding stond met de Noordzee. Op de plaats van het dorp Velsen hadden de Romeinen een versterking aangelegd, Castellum Flevum.  Waar nu de Wijkertunnel het kanaal kruist, lag in die tijd een vlootbasis. De vesting en de vlootbasis zullen zeker gediend hebben om de Friezen in de meer noordelijke streken, zoals Kennemerland, in bedwang te houden. Maar de versterkingen waren zeker zo belangrijk voor het verplaatsen van legioenen van en naar Brittannia, dat na een geslaagde invasie tot aan de grens met Schotland onder Romeinse gezag stond.

 

 

5        De Friese opstand van het jaar 29

 

De Friezen ten noorden van de rijksgrens waren schatplichtig aan de Romeinen sinds hun onderwerping, ongeveer 40 jaar voor het begin van de jaartelling. De schatting moest opgebracht worden in runderhuiden. Onder de eerste militaire machthebber van de Romeinen gaf de afdracht van de schatting geen moeilijkheden. Maar zijn opvolger Olennius maakte een ernstige vergissing. Hij eiste huiden van de oeros, maar die kwam nauwelijks meer voor in deze streken. Om toch zijn gelijk te halen eiste de nieuwe bewindvoerder meer huiden van het huisrund en dat konden de Friese stammen niet opbrengen. Om aan hun verplichtingen te voldoen dreigden zij zelf tot slavernij te vervallen wegens onvermogen. In het jaar 28 was de maat vol en de Friezen kwamen in opstand. Zij nagelden de belastinggaarders aan het kruis en deden een aanval op het fort en de vlootbasis bij Velsen. Vondsten in Uitgeest en Krommenie hebben de betrokkenheid van de bewoners bij de opstand aangetoond. Potschreven, die onlangs in deze plaatsen zijn aangetroffen pasten op scherven in het fort. In Wijk aan Zee en onmiddellijke omgeving zijn dergelijke sporen niet gevonden. De reden kan zijn dat de Romeinen in die tijd nederzettingen op geringe afstand van de rijksgrens niet toestonden. Wat daarvan zij, de opstand was zo fel, dat de Romeinen met achterlating van hun doden schielijk terugtrokken op een meer zuidelijke linie. Dat was de arm van de Rijn die bij Katwijk in zee stroomde. Tot aan het ineenstorten van de Romeinse macht in Gallia en Belgica bleef die rivierarm de grens van het Rijk. Ettelijke jaren na de opstand van 28 heeft een strafexpeditie de Friezen opnieuw onderworpen van de Rijn tot aan de Eems, maar Kinheim heeft nooit meer deel uitgemaakt van het Romeinse Rijk.

 

 

 

 

 

 

 

Erfgoed 3: de Relmonding

 

 

3      De Relmonding

 

 

3.1            De kustplaats Wijk aan Zee (2000-2030)

 

  • Het huis Relmonde
  • De Villa Belinfante
  • Het woongebouw Boothuisplein
  • De bouwlocaties van 2005

 

3.2            De woonplaats Wijk aan Zee (1965 – 2000)

 

  • De uitbreidingen
  • De bouwstijlen

 

3.3            De badplaats Wijk aan Zee (1839 – 1965)

 

  • De uitbreidingen   
  • De bouwstijlen

 

3.4            Het grondplan van de nederzetting Wijc op See

 

  • De hoofdlijnen van de nederzetting
  • De wijze van bouwen

 

 

3.1     De kustplaats Wijk aan Zee (2000- 2030)

 

_______________________________________________________________________________

 

·         Het Huis Relmonde

·         De Villa Belinfante

·         Het woongebouw ‘Boothuisplein’

·         De bouwlocaties van 2005

 

_______________________________________________________________________________

 

1 Het huis Relmonde

 

In de zomer van 2005 werd de grondslag gelegd voor het huis Relmonde. Dit woongebouw komt te staan op de hoek van de Relweg en de Dorpsduinen. Het zal een bijzonder woongebouw worden; dat valt al af te lezen aan de sterk verschillende groepen van deelnemers aan het project. Op de begane grond komen cliënten van het revalidatiecentrum Heliomare te wonen. Zij krijgen tijdelijk een woning toegewezen, voorafgaand aan hun huisvesting elders. Deze woontraining is de laatste stap op hun weg naar een zo groot mogelijke zelfstandigheid in de maatschappij.

 

Op de hogere verdiepingen komen inwoners van Wijk aan Zee. Deze groep bestaat uit inwoners van het dorp die op zoek zijn naar hun eerste woning, de starters die een huishouding willen stichten. Verder omvat de groep voornamelijk ouderen die als alleenstaande of als ouder echtpaar een kleinere woning zoeken, die past bij de derde fase in hun leven. In de aanloop naar het project speelde in het bijzonder de wens om in het dorp een opschuiving tot stand te brengen, zodat een meer passende huisvesting binnen het bereik zou komen van zowel jongeren als ouderen. Vaak lag de prijs van de woningen die ter beschikking komen voor jongeren te hoog. Dat maakte de kans, dat de huizen in handen zouden komen van kapitaalkrachtige buitenstaanders niet alleen groter, het maakte de huizen ook nog eens te meer onbereikbaar voor inwoners van Wijk aan Zee. Bovendien was een doorlopende bewoning, wegens gebruik als tweede woning of als vakantiewoning, van de huizen op deze manier niet gewaarborgd. De achtergrond van dit alles is geweest, dat de voorschrijdende vergrijzing van de dorpsbewoners tot staan gebracht moest worden. In dat verband was het eerste en vooral noodzakelijk de jongere generaties én hun kinderen voor het dorp te behouden. Alleen zo kon een draagvlak van voldoende sterkte tot in lengte van jaren voor de sociaal-culturele voorzieningen en de winkelstand in het dorp in stand blijven.

 

Afgezien van de bijzondere samenstelling van de deelnemersgroepen is er sprake van nog een buitengewone omstandigheid. De toekomstige bewoners hebben rechtstreeks invloed gehad op de indeling van de woningen en daarmee in zekere mate ook op de vormgeving en de uitvoering van het woongebouw. Zij kregen bij de bouwkundige vraagstukken de ondersteuning van een architect. In de fase van voorbereiding kregen de bewoners de steun van de woningcorporatie Pré Wonen. In de bouwfase zal deze corporatie optreden als opdrachtgever en als technisch begeleider van het project.

 

De naam van het gebouw, Relmonde, legt een verband met de uitmonding van de vroegere Relbeek, die vanaf de dorpsweide langs de Relweg zijn weg zocht naar de zee. In dit verband is het van belang te vermelden, dat het woord rel zowel in het Oudfries als in het Angelsaksisch de naam is van een kleine waterloop. In zoverre verwijst de naam van het gebouw nog naar het gegeven, dat Wijk aan Zee in zijn oorsprong een Friese nederzetting is geweest.

 

Het project is in 2005 omstreden geweest. De voornaamste reden was, dat de omwonenden een gebouw van zes verdiepingen te hoog vonden. Naar hun mening paste deze hoogte slecht in Wijk aan Zee, waar als regel de woningen niet hoger zijn dan twee verdiepingen gedekt door een pannendak. Na lang en indringend overleg zullen in 2006 de omwonenden en het dorp als geheel uiteindelijk instemmen met een gewijzigd ontwerp. Zo wordt voorkomen, dat de bouw van het project vertraging zal oplopen door voortslepende rechtsgedingen. Zo wordt tevens aangetoond, dat een vlotte afwikkeling van bouwprojecten in het dorp slechts mogelijk is met medewerking van alle betrokkenen, waarbij de vaste wil om tot overeenstemming te komen bij allen  voorop staat. Deze overeenstemming vooraf was een van de doelstellingen van de initiatiefgroep Proef Lokaal de Toekomst, die de eerste aanzet tot het project heeft gegeven. Deze initiatiegroep streeft er uitdrukkelijk naar, dat woonprojecten volledig passen bij de behoeften van de bewoners van dorp. In een wijder verband beoogt de groep Proef Lokaal, dat plannen vanuit het dorp sterker het beleid van de gemeente gaan bepalen. Mits deze plannen van werkelijkheidszin getuigen, mits zij voorzien in een dringende behoefte en mits zij aan de leefbaarheid van Wijk aan Zee bijdragen. Het uitgangspunt van de groep Proef Lokaal is het Handvest van de dorpen, dat in 1999 is ondertekend door de burgemeesters van alle gemeenten, die in dat jaar deelnamen aan de manifestatie Cultureel Dorp van Europa. Het Handvest bevat een paragraaf, die een omslag wil in de verhouding tussen het lokale bestuur en dorpsbewoners.

 

 

2        De Villa Belinfante

 

Het uiteindelijke ontwerp van ‘Villa Belinfante’ hebben de omwonenden afgedwongen van de projectontwikkelaar. Wellicht zonder het zelf te weten, heeft de projectontwikkelaar, Eureka, daarmee een mijlpaal in de bouwgeschiedenis van Wijk aan Zee gezet. Vanzelf is het allemaal niet gegaan, de omwonenden hebben zich er voluit voor in moeten zetten.

 

Het begon er mee, dat Eureka behalve het vroegere postkantoor ook de grond en opstallen van een aangrenzende slagerij in handen kreeg. Men besloot tot een appartementengebouw. Het eerste ontwerp dat naar buiten kwam, dat paste maar moeilijk aan de oostzijde van het Julianaplein. De lijnvoering en het materiaalgebruik leverden een grof en in zichzelf gekeerd woongebouw op. De gemeente Beverwijk beschikte niet over de wettelijke middelen om het gebouw tegen te houden en moest een bouwvergunning afgeven. Daarbij kwam nog, dat men het kennelijk belangrijker vond dát er gebouwd werd dan dat men zich wilde afvragen wát er gebouwd werd. De omwonenden kwamen tegen het plan in verweer en dienden eerst bezwaarschriften in bij de gemeente en later beroepschriften bij de bestuursrechter. De tegenpartij wist terreinwinst te maken in juridisch opzicht. De rechter verweet de gemeente, dat het ontbrak aan een stedenbouwkundige visie op het dorp. Bepaald noodzakelijk, gegeven de bouwlocatie aan het centrale plein van het dorp. De gemeente vormde een projectorganisatie Wijk aan Zee. Ambtenaren, bestuurders en burgers zouden samen een visie op het dorp en zijn vormgeving gaan ontwikkelen, maar dat zou nog enige tijd in beslag nemen. Projectontwikkelaar Eureka wilde of kon zo lang niet wachten en gooide het roer om. Men veegde het eerste ontwerp van tafel en de architect werd de laan uitgestuurd. De nieuwe aanpak was gericht op een zo nauw mogelijke aansluiting bij de maat, de schaal en de bouwstijl van het dorp, meer in het bijzonder de stijlen rondom het Julianaplein. Men ging daarin tamelijk ver. Want afgezien van verscheidene raamstijlen van rondom het plein, die in het ontwerp zijn terug te vinden, heeft men zelfs de zuidgevel van het in 1982 gesloopte Zeevanck, eertijds het Badhotel, meegenomen in de tekening. Het was het witte middendeel van de voorgevel, waarop de naam van het woongebouw is aangebracht.

 

Omwonenden konden instemmen met het nieuwe ontwerp en staakten hun verzet. De bouw kon beginnen, zo leek het. Maar toen ging de architect van het eerste ontwerp dwarsliggen. Hij meende recht te hebben op een appartement in het gebouw van zijn hand en eiste genoegdoening. Ook al was de grondslag van het geschil nog zo zakelijk dan nog kon deze rechtstrijd het vermoeden van weerspannige tegenwerking niet meer wegnemen. Ten lange leste werd de zaak geregeld en kon de bouw van ‘Villa Belinfante’ eindelijk beginnen. Het bouwwerk werd in de zomer van 2004 opgeleverd.

 

De naam van het gebouw verwijst naar een familie, die geruime tijd in Wijk aan Zee heeft gewoond. De heer Belinfante en na hem zijn zoon voerden de directie over de maatschappij ‘E Pluribus Unum’ , de EPU. Die maatschappij was voortgekomen uit de failliete boedel van Heinrich Tappenbeck.  De organisatie exploiteerde onder meer het Badhotel. Mevrouw Emmy Belinfante was journaliste en schrijfster van meisjesboeken. Zij beschreef met een lichte toets, voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog, het winterse dorpsvermaak en ook haar lotgevallen als lid van de toneelvereniging. De familie Belinfante is kort na aankomst in het vernietigingskamp Auswitz in augustus 1944 omgebracht. De naam ‘Villa Belinfante’ is naar voren gekomen na een wedstrijd uitgeschreven in het dorp om een passende naam voor het gebouw te bedenken. Dat de naam Belinfante is komen te staan op een geveldeel, dat verwijst naar het Badhotel, mag op zijn minst een opmerkelijke samenloop van omstandigheden heten.

 

3   Het woongebouw Boothuisplein

 

Naar omvang en ontwerp is het woongebouw Boothuisplein een ernstige verstoring van het bouwkundig beeld van het dorp. Protesten en bezwaren van omwonenden hebben weinig uitgehaald, een beroep op de gemeente om het Beeldkwaliteitplan van de Dorpsraad in aanmerking te nemen, leidde ook al tot niets. De opvattingen van de gemeente over welstand en stedenbouwkundig beeld lagen hopeloos ver uit elkaar. Of dat nog zo is, dat moet nog blijken bij andere projecten, maar bij dit gebouw was dat duidelijk het geval.

 

4   De bouwlocaties van 2005

 

In de zomer van 2005 heeft het gemeentebestuur een kaart met mogelijke bouwlocaties vastgesteld op basis van een nader onderzoek. Dat onderzoek was afgedwongen door de gemeenteraad, toen het er op aankwam de toekomstvisie op de ontwikkeling van Wijk aan Zee formeel vast te stellen. De raad wilde meer nauwkeurig weten, wat de woonbehoefte was van de inwoners van Wijk aan Zee dan burgemeester en wethouders in januari 2004 konden of wilden aangeven. Bovendien wilde raad weten bij welke omvang van de bebouwing een demografisch draagvlak zou ontstaan voor de meest noodzakelijke voorzieningen in het dorp (school, bibliotheek, dorpshuis, buurtsupermarkt e.d). Uiteindelijk hebben burgemeester en wethouders tien bouwlocaties aangewezen. In de jaren tussen 2006 en 2030 zal daar woningbouw tot stand komen moeten komen. Na een toelichting in de vergadering van de Dorpsraad in september 2005 heeft deze raad ingestemd met de voornemens van het gemeentebestuur.

 

Of het daadwerkelijk tot bouwen komt op alle aangewezen plaatsen is nog maar de vraag. De geluidsbronnen van het staalbedrijf Corus zijn zo duidelijk te horen, dat het dorp voor het grootste deel binnen een gebied van 55 dB valt. En daarbinnen mag volgens de wet geen nieuwbouw van woningen tot stand komen. Alleen het noordwestelijk deel van het dorp valt buiten dat gebied. Ruwweg loopt de lijn van de strandopgang aan de kop van De Zwaanstraat tot aan de ingang van het duingebied aan de kop van de Meeuwenweg. Deze toestand bergt twee gevaren in zich. Het eerste gevaar is, dat een deel van de bouwlocaties bestemd wordt voor de bouw van woningen die quasi-permanent bewoond worden, de zogenaamde recreatiewoningen. Het tweede gevaar is, dat de betekenis en het belang van de bouwlocatie aan het Zeepad, die eerder voor 10 jaar is achtergesteld, aanzienlijk gaan stijgen. Dan dreigt alsnog de situatie, dat er zeer tegen de zin van de dorpsbewoners in, woongebouwen verrijzen aan een deel van de zeereep.

 

De woningbouwcomplexen zijn in het algemeen klein van opzet en gericht op het vullen van ‘kale’ plekken in het dorp. Slechts twee bouwplaatsen zijn wat groter van omvang, te weten de bouw op het bestaande parkeerterrein aan de Dorpsduinen en het terrein ten oosten van Heliomare, dat beschikbaar komt zodra de daar gevestigde school een plaats krijgt aan het Stationsplein in Beverwijk. 

 

Voor deze twee bouwplaatsen geldt in het bijzonder, wat voor de andere plangebieden meer in het algemeen geldt, dat waakzaamheid is geboden. Zeker zolang nog vaststaat, dat het dorp Wijk aan Zee en de gemeente Beverwijk op het punt van welstand en stedenbouwkundig beeld ernstig van mening verschillen.

 

 

    3.2     De woonplaats Wijk aan Zee (1965 – 2005)

_______________________________________________________________________________

 

·         De uitbreidingen

·         De stijl van bouwen

·         De naamgevers van de straten

 

_______________________________________________________________________________

 

1 De uitbreidingen

 

Tegen het einde van de jaren zestig trad een betrekkelijke rust in, na de bouwactiviteiten van de voorafgaande tien jaar. De woningnood knelde nog onverminderd, maar de economie was over zijn hoogtepunt heen, de bestedingsbeperking deed zijn intree en twee opeenvolgende oliecrises deden er ook al geen goed aan. Bovendien verschoof de voorkeur van de huizenkopers van de standaard ‘doorzonwoning’ naar een meer speelse en vooral meer gesloten bouwvorm.

 

De aantrekkelijkheid van Wijk aan Zee als woonplaats ging er bepaald niet op vooruit tijdens een reeks van verontrustende plannen. Hoogovens wilde zijn opslag van kolen en erts naar het zuidwesten uitbreiden in het raam van een groots plan. Dat zou veel meer stofoverlast tot gevolg hebben. De inzakkende staalmarkt verijdelde het plan. Toen volgde het voornemen van Rijkswaterstaat om het strand ten zuiden van Wijk aan Zee in te polderen en het bekken vol te storten met vervuild havenslib. Het verhoogde milieubewustzijn bij burger en overheid gedoogde niet langer dat het slib in de Noordzee werd gestort. Te zijner tijd zouden na het inklinken van het havenslib in de kustpolder vier energiecentrales een plaats kunnen krijgen. Bij dit alles kwam nog dat Wijk aan Zee aan de landzijde geheel ingesloten was geraakt door de fabrieken en walserijen van Hoogovens.

 

Het duurde tot het eind van de jaren zeventig eer het tot nieuwe initiatieven kwam. De Burgemeester Rothestraat werd doorgetrokken van de Oldenborghweg tot aan de Meeuwenweg en langs deze nieuwe straat kregen de kopers van de kavels een grotere vrijheid. Op die manier ontstond een levendig straatbeeld met voldoende afwisseling van gevelmateriaal en vormgeving. Omstreeks dezelfde tijd verwierf een woningcorporatie de grond en opstallen van de zorginstelling Zeevanck. Het oude Badhotel, dat zijn laatste dagen sleet als verpleegtehuis ging tegen de vlakte en er verrees een complex huurwoningen in de driehoek tussen De Zwaanstraat, de Van Ogtropweg en de Gasthuisstraat. Deze compacte uitstulping van de bestaande bebouwing kreeg een vervolg in een project van soortgelijke opzet: de koopwoningen op de locatie van het hotel Paasdal. De jaren tachtig liepen al redelijk naar hun eind toen op het terrein van de Heilig Hartschool de Neeltje Snijdershof werd gebouwd.

 

Kort voor en na het jaar 2000 is in het dorp een heftige discussie ontbrand. Het ging over het plan een deel van de zeereep te bebouwen. In een visie op de toekomst van het dorp, die de gemeente Beverwijk en inwoners van Wijk aan Zee gemeenschappelijk hadden ontwikkeld, voerde het gemeentebestuur dat element eenzijdig in. Voor zover er sprake was van een voorzichtig opgebouwd vertrouwen ging dat vertrouwen tussen dorp en gemeentebestuur op slag verloren. Uiteindelijk bleek het verzet zo fel en kreeg het een zo breed draagvlak, dat de gemeente wel moest inbinden. Het bouwplan werd uitgesteld tot 2010, in de plaats daarvan kwam het plan om het parkeerterrein aan de Dorpsduinen als bouwlocatie te gebruiken.

 

2 De bouwstijlen

 

In de jaren ’70 groeide een nieuw maatschappelijk bewustzijn. De nadruk kwam te liggen op de wensen en de ontplooiing van de enkeling, men liet het collectieve tijdperk in kerk en samenleving grotendeels achter zich. Dat gevoelen kreeg zijn uitdrukking in een andere bouwstijl. Een stijl overigens, die ook werd ingegeven door noodzaak zuinig om te gaan met energie. Een derde gegeven in dit geheel heeft meer rechtstreeks te maken met het dorp Wijk aan Zee, in het bijzonder het landschap. Het dorp had geen ruimte meer voor een verkaveling in stroken langs bestaande wegen. Het werd noodzakelijk te bouwen in de duinvalleien en dat dwong zonder meer al tot een compacte opzet. De wooncomplexen van Paasdal II, Zeevanck en de Neeltje Snijdershof zijn van die aanpak sprekende voorbeelden.

 

Opnieuw keerden bouwondernemers, architecten en bewoners zich af van het moderne bouwen. De traditie kwam weer in zwang. In het Paasdalcomplex zijn de woningen gestapeld rondom een binnenplein, dat men met enige goede wil kan aanzien voor een piazza in een Italiaans bergdorp. Die indruk wordt nog eens versterkt omdat de betrekkelijk hoog gestapelde woningen toch zijn afgedekt met een traditioneel lessenaardak. Wel bleef nog de belijning van de gevels en dan met name van de raamopeningen een modern trekje houden.

 

Het complex Zeevanck, in 1982 gebouwd op de plaats van het Badhotel, geeft een nog nauwere aansluiting bij het bouwkundig erfgoed te zien. Op de hoeken van het complex vormen de trappenhuizen cilindrische bastions, die sterk aan hoektorens doen denken. Aan de gevels hangen de balkons, die tientallen jaren in Wijk aan Zee het straatbeeld bepaald hadden. Men heeft er bewust van afgezien om de huizen wit te schilderen. Het daaruit voortkomende onderhoud zou te zwaar drukken op de exploitatie van deze sociale woningbouw.

 

Bij de koopwoningen aan de Neeltje Snijdershof speelde het onderhoud minder sterk. Voor die huizen heeft men een witte gevelsteen gebruikt en is ook de betimmering op de bovenverdieping wit, maar dan van een duurzaam materiaal. In hun verschijning hebben de huizen enige gelijkenis met huizen in andere kustplaatsen, vooral in Noord-Europa.

 

In de periode 1965-2000 zijn de kenmerkende gebouwen aan de rand van de duinen, zoals de Woeste Hoogte, de Tuinberg, Welgelegen, Westerduin en Rijckaertsz verloren gegaan door verwaarlozing, brand en verandering van bestemming. Daarvoor in de plaats zijn bouwwerken gekomen, die eerder nuttig zijn als woongebouwen dan dat ze stijlvol zijn. Zij missen de helderheid van opzet en de klaarheid van lijn waarvoor de architecten van de Moderne School ooit zo sterk gepleit hebben. 

 

 

3.3    De badplaats Wijk aan Zee (1839-1965)

_______________________________________________________________________________

 

·         De uitbreidingen

·         De stijl van bouwen

·         De naamgevers van de straten

 

_______________________________________________________________________________

 

 

De regenten van de machtige stad Amsterdam hadden reeds in de 17de en 18de eeuw de geneugten van de ‘buitenplaats’ ontdekt en zij hadden aan de binnenduinrand van Midden-Kennemerland fraaie landgoederen aangelegd. Maar in de ‘wildernisse’ zoals het duingebied toen werd genoemd, daar waagden zij zich niet. Waarom ook, daar heersten de zandverstuivingen nog oppermachtig. Maar toch, in de eerste helft van de 19de eeuw groeide de belangstelling van de burgerij voor het buitenleven. Voor een deel werd dat ingegeven door de hang naar  romantiek, die in de kunst, de filosofie en de wetenschap naar voren kwam. Men begon sterk te hechten aan het eigene, het nationale en men keerde zich af van de internationale toestanden. Daarbij kwam nog, dat men een ongekende belangstelling had voor eigen gemoedsbewegingen en belevingen, eigen ervaringen en niet in het minst, lichamelijke gewaarwordingen. Praktisch kwam het er op neer, dat men het verblijf in de buitenlucht en aan de kust heel wat aangenamer vond dan het verblijf in de stad. Daar verspreidden de grachten in de zomer een verschrikkelijke stank omdat zij als open riolen dienden. Cholera en malaria teisterden de stadsbevolking.

 

Binnen deze samenhang kon het niet lang uitblijven, dat burgers uit de steden in de omtrek, vooral Amsterdam en Haarlem, aan de kust genoten van de frisse wind en de zonneschijn. De schrijvers Hildebrandt (Nicolaas Beets), Jacob van Lennep en de dichter Potgieter gingen hen voor. Van een bad in zeewater had men zo zijn gezonde verwachtingen. Reeds in 1839 werd in de herberg De Moriaan, toentertijd gevestigd in De Zwaanstraat, een badinrichting in exploitatie genomen. Ruim veertig jaar later verrees op die plek het Badhotel, dat afgezien van de kerk op het Julianaplein elk ander gebouw in het dorp volledig in zijn schaduw stelde. En met de opening van het Badhotel is de geschiedenis van Wijk aan Zee als badplaats dan wel niet begonnen, maar er ging wel een krachtige aanzet tot groen van uit. Die aanzet weerspiegelt zich duidelijk in de bouwgeschiedenis van het dorp in de afgelopen 125 jaar.

   

De eerste uitbreiding van de badplaats Wijk aan Zee vormde een boog, die begon bovenaan de Rijckert Aertszweg en die eindigde bij de kruising van de Van Ogtropweg en de Hogeweg, bij het huidige hotel De Klughte. Al deze statige huizen werden gebouwd in opdracht van vermogende Amsterdamse families in de laatste twintig jaar van de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw. Het was een typische strookverkaveling met nadruk op afzonderlijke percelen en panden. Later, in de jaren tot aan 1914 werden vooral vakantievilla’s gebouwd langs de Julianaweg. Daarbij hield men meestal de zuidzijde aan, de huizen aan de noordzijde waren van een aanzienlijk bescheidener opzet.

 

Het groeiende strandtoerisme en daarmee de zomerse uitbreiding van het inwonertal speelde de middenstand van Wijk aan Zee in de kaart. Er kwamen rondom het Julianaplein en langs De Zwaanstraat en de Voorstraat steeds meer winkelneringen. Toen het toerisme naar de kust werkelijk voet aan de grond kreeg in Wijk aan Zee bouwde men langs de Voorstraat en de Verlengde Voorstraat een reeks van pensions en hotels voor de zomergasten met een gemiddelde beurs.

 

De huizen aan de oostzijde van de Van Oldenborghweg zijn omstreeks 1920 gebouwd en zij dienden voornamelijk als huisvesting voor werkmansgezinnen. In de schrale jaren die volgden op de beurscrisis van eind 1929 liepen de bouwactiviteiten in het dorp aanzienlijk terug. Aan de Voorstraat kwamen nog wat huizen te staan in de stijl van de jaren ’30 en ook verspreid in het dorp, maar daar bleef het dan bij.

 

Na de sombere jaren van de Twee Wereldoorlog leefde Wijk aan Zee op. In het dorp had de bezetter betrekkelijk weinig structurele schade aangericht en de luchtaanvallen van de Geallieerden waren vooral gericht geweest op militaire installaties. Op foto’s uit de zomer van 1945 is goed te zien hoe de bedieningscabines van de radarinstallaties zijn doorzeefd met kogelinslagen. Het jaarlijkse strandtoerisme herstelde zich in de jaren na de oorlog. Veel inwoners van Wijk aan Zee zochten niet langer seizoenwerk in de tuinderijen en  op het strand. Zij ging aan de slag bij het Hoogovenbedrijf dat zich in die jaren snel uitbreidde. De welvaart in het dorp groeide, steeds meer mensen konden zich de koop van een huis veroorloven. Maar huizen waren in die tijd bijzonder schaars, vooral omdat de nationale geldmiddelen en de bouwmaterialen werden gebruikt voor het herstel van de schade in de voormalige oorlogsgebieden en gebombardeerde steden. En dan komt toch nog, in 1952 in Wijk aan Zee de eerste bouwstroom op gang. Tussen de Voorstraat en de Dorpswei werd het eerste deel van de Zeecroft gebouwd in opdracht van de Bouwkas van de Nederlandse Gemeenten, later bekend geworden als het Bouwfonds. Deze samenwerking van gemeenten in Nederland streefde naar de bouw van goede koopwoningen voor een redelijke prijs. Een tweede woningcomplex kwam tot stand in de strook tussen de Dorpsduinen en de Relweg. Een derde voorbeeld van deze langszij- of parallelverkaveling is de rij woningen tussen de Julianaweg en de Dorpswei. Die rij is in het plaatselijke spraakgebruik beter bekend als de nieuwe Zeecroft.

 

Op deze kleinschalige strookbebouwing volgde langs reeds bestaande straten een nieuwe, meer ingrijpende aanpak. Een brede strook duingebied achter de Verlengde Voorstraat werd tussen de Relweg en de weg langs het toenmalige boothuis van de KNZHRM bouwrijp gemaakt. Op die bouwde men huizen ter weerzijden van de Tappenbeckstraat en aan de zuidzijde van de Stetweg. Een ingreep van nog grotere omvang volgde toen tussen de Oldenborghweg en het oostelijke uiteinde van het dorp de Burgemeester Rothestraat werd aangelegd en bebouwd. Haaks op de Verlengde Voorstraat kwam de bebouwing van het Boothuisplein en de Meeuwenweg tot stand. De twee rijstroken en het plantsoen in het midden gaven deze straten de allure van een boulevard, maar dan wel van een bijzonder korte boulevard, die uitmondde op een duinpad.

 

Omstreeks 1965 kwam een bijzonder complex in het westelijk deel van het Paasdal tot stand. Het terrein werd voor het eerst niet in stroken, maar in een cluster verkaveld. De woningen waren bedoeld voor seizoenhuisvesting en niet voor vaste bewoning. Bovendien waren ze geheel gelijkvloers. Na verloop van tijd is de tijdelijke bewoning komen te vervallen en de huizen zijn een bijzonder deel van de bebouwing van Wijk aan Zee gaan vormen. Weinig jaren daarna kwam het eerste gedeelte van de Burgemeester Rothestraat tot stand. Het werd opnieuw een verkaveling in stroken, waarbij men de loop van de Van Oldeborghweg volgde aan de westzijde en die van de Zeestraat aan de zuidzijde. Het duurde niet lang voordat aan de noordzijde van de Burgemeester Rothestraat de eerste woningen werden gebouwd. De verkaveling volgde nauwkeurig de loop van de straat en vormde daarmee het spiegelbeeld van het eerder gebouwde complex. Tegen het einde van de jaren zeventig sloot de laatste gevelrij de Burgemeester Rothestraat af aan de noordoostzijde. Hier viel de keus op een clusterverkaveling. Alle huizen van dit laatste complex stonden rondom een hofje geschikt. 

 

 

2 De bouwstijlen

 

Bijna honderd jaar, van 1880 tot 1982 torende het Badhotel van Heinrich Tappenbeck boven Wijk aan Zee uit. De bouwstijl was geheel naar de geest van die tijd. Bouwheren en bouwmeesters gingen graag te rade bij bouwstijlen uit het verleden en ook het Badhotel droeg daar de sporen van. Het gebouw als geheel leek nog het meest op een hoge kerk met een afgeplat dak. In plaats van middeleeuwse waterspuwers stonden bij dit gebouw op de dakrand torenbouwsels. De ramen op de hoogste verdieping en op de middenverdieping vormden een hoogopgaande raampartij, wat het gebouw van de straat af gezien nog hoger deed lijken dan het al was. De ramen zelf waren ontleend aan de Classistische gebouwen van de 18de eeuw, keurig met een roedeverdeling. Op de tussenverdieping had de vierdeling van roeden zelfs de klassieke verhouding van 5 : 3.

 

Op de begane grond  was niet zozeer sprake van een bepaalde leenstijl in de vormgeving. De ramen waren zo hoog als de caféruimten en de eetzalen dat nodig maakten. Langs de Gasthuisstraat waren ze afgedekt met schermen tegen de ochtendzon. Op zijn Italiaans, want de neerhangende schermen pasten in de raamopeningen. De hoofdingang op de hoek van het Julianaplein was tegen zon en regen afgeschermd met een afdak. Het afdak liep links en rechts van de ingang door langs de gevels en het steunde op dunne pilaren van gietijzer. Onder het afdak stonden de tafels en stoelen van het terras.

 

De vakantievilla’s van de gegoede burgerij van Amsterdam waren gebouwd naar de wensen van de opdrachtgevers. In zoverre waren zij sterk verschillend naar omvang en naar vormgeving. Merkaardig genoeg, waren ondanks die verschillen in vormgeving, de overeenkomsten in bouwstijl toch aanzienlijk. In al deze gebouwen overheerste sterk de opgaande lijn, het verticale element. Dat is nog steeds goed te zien bij Mare Sanat en de Klughte en het was in het verteden heel goed te zien bij hotel De Wijck, bij de gesloopte uitspanning De Tuinberg en bij de villa De Woeste Hoogte, eveneens gesloopt. Ook het woonhuis Santiago heeft een sterke verticale lijnvoering. Datzelfde beeld is ook te vinden bij de woningen op de hoek van de Hogeweg en de Julianaweg. Nog steeds is te zien dat deze hoogopgaande stijl verderop in de Julianaweg zijn voortzetting kreeg. De voormalige dubbelvilla Adelaide was als het ware het fiere sluitstuk van de reeks. Naarmate de tijd verstreek vertoonden de opdrachtgevers in de jaren tussen de twee Wereldoorlogen een voorkeur voor een brede, horizontale lijnvoering in hun bouwwerk. Het voormalige Lutherse verzorgingshuis Egbertduin was daar een overduidelijk voorbeeld van. Ook Huize Henriette en de villa het Zonnetje, vrijwel aan het eind van de Julianaweg pasten in datzelfde beeld. 

 

Zeer kenmerkend voor de gelegenheden, hotels en pensions in De Zwaanstraat, de Voorstraat en de Verlengde Voorstraat was het aanbouwen van balkons op de verdiepingen en gaanderijen op de begane grond. Op de hoek van  De Zwaanstraat en de Rijckert Aertszweg stond het gebouw Welgelegen en op de hoek van De Zwaanstraat en het Julianaplein stond het gebouw Rijckaertsz. Beide rijkelijk voorzien van torenbouwsels, balkons en gaanderijen  Bij de panden van de weduwe Bol is nog steeds een gaanderij te vinden, maar tot in de 40er jaren van de vorige eeuw zette de reeks zich voort op de hoek van de Voorstraat en de Neeltje Snijdershof, bij het pension Irene. En zo vervolgens tot aan het cafe De Zon uit 1912, zij het met enkele onderbrekingen. Ook het pand van Gertenbach (nu Efes) en de kapsalon Variant laten op oude foto’s balkons zien of minstens een gaanderij. Het pension dat ooit stond op de hoek van de Verlengde Voorstraat en de Relweg vertoont een gelijk beeld; net als het oorspronkelijke hotel Kennemerduin. Verderop langs de Verlengde Voorstraat ging het bij de burgermanshuizen zo door en dat is hier en daar ook nog te zien. Een groep huizen met een gaanderij is daar nog overgebleven, of als zodanig herbouwd danwel gerenoveerd.

 

Het ruime gebruik van serres aan de villa’s en  balkons en gaanderijen aan de pensions en burgermanshuizen had alles te maken met behoefte aan beschutting tegen de zon en de wind. Het dorp was in het algemeen open en boomloos. Want ook al stonden er vrij veel bomen en struiken op beschutte plaatsen in het dorp in de eerste helft van de 20ste eeuw, toch ontleende het dorp zijn karakter vooral aan het open landschap met de dorpsweide als het meest kenmerkende element. 

 

De architectuur in de badplaats Wijk aan Zee is nooit vooruitstrevend of baanbrekend geweest. De behoudende inslag van gegoede en minder welgestelde bouwheren, bracht wel met zich mee in het tijdvak 1880-1940, dat de bouwwerken tamelijk nauwgezet de mode van die tijd volgden. Maar steeds bescheiden en met mate. Het enige woonhuis, dat in zekere zin als radicaal modern viel aan te wijzen, dat stond voor de Tweede Wereldoorlog even ten westen van Westerduin. Het huis had een rechthoekige vorm, een plat dak en gesloten gevels. Het huis was opgetrokken uit een donkere baksteen, voor zover dat uit oude foto’s nog valt op te maken. Voor het overige streefde men, zeker bij de oudere vakantievilla’s, naar een wat statige landhuisstijl. Bij de hotels en de pensions werd de bouwstijl geheel dienstbaar aan het gebruiksdoel en daar stonden de bouwkundige eisen meer op de voorgrond dan de stijloverwegingen van de architectuur.

 

Het eerste complex dat na de Tweede Wereldoorlog in Wijk aan Zee is gebouwd, kwam aan de Zeecroft te staan. De woningen hebben een bijzondere bouwstijl. Deze huizen met hun witte muren en dakkapellen en hun zwarte daken zijn duidelijk ontwerpen uit de Delftse School in de architectuur. Deze stroming in de bouwkunde had kort voor de oorlog veel invloed in ons land. Architecten uit de Delftse School zochten aansluiting bij vertrouwde bouwvormen. Zo verschenen in de jaren ’30 van de vorige eeuw steeds meer openbare gebouwen, zoals scholen, gemeentehuizen en kantoren in traditionele stijl. Ook de stijl van kerken en villa’s werd een stuk meer behoudend. Die hang naar traditie ging zelfs zo ver, dat op het nieuwe land van de Wieringermeerpolder boerderijen en woonhuizen verrezen naar ouderwets model. Na de oorlog viel er veel te herstellen in ons land en de Delftse School beleefde gloriedagen.

 

De verdienste van de architect van het complex aan de Zeecroft is dat hij het aanzicht van het dorp sterk verbeterd heeft. Niet langer had de bezoeker uitzicht op de achtererven en de schuren van de Voorstraat vanaf de dorpsweide. Deze architect was trouwens geen rechtlijnig navolger van de Delftse School, want vooral bij de alleenstaande woningen is de belijning van de vensters geheel in de geest van de jaren ’50.

 

Op de kenmerkende bouw aan de Zeecroft volgden de uitbreidingen tot 1965. De doorzonwoning is daar zeer bepalend voor het beeld. Dat is goed te zien van de kop van de Tappenbeckstraat in het westen tot aan het einde van de Burgemeester Rothestraat in het oosten van het dorp;  vrijwel in een doorgaande lijn. De doorzonwoning voldeed geheel aan de eisen van destijds. Het uiterlijk was licht klassiek, want twee verdiepingen en een pannendak. De woningen waren betrekkelijk snel en goedkoop te bouwen, omdat zij geen verspringende muren kenden en geen ornamenten. Ramen en muren waren rechttoe, rechtaan. De doorzonwoning  voldeed aan de sterke behoefte aan openheid, heldere lijnvoering en ruime toetreding van zon en licht. Hier had de Moderne School in de architectuur eindelijk de bouwondernemers en de huizenkopers achter zich gekregen. De dwingende strakheid van de doorzonwoning had niettemin een betrekkelijk kort leven, ook in Wijk aan Zee. De nieuwe leefstijl van gezinnen vereiste centrale verwarming in alle vertrekken van het huis. Maar dat ging nu eenmaal moeilijk samen met grote vensters van enkel glas, zeker toen energie schaars en duur werd en milieueisen zwaarder gingen wegen.  

 

3.4    Het grondplan van de nederzetting Wijc op See

_______________________________________________________________________________

 

·         De nederzetting in hoofdlijnen

·         De wijze van bouwen

·         De naamgevers van de straten

 

_______________________________________________________________________________

 

1 De nederzetting in hoofdlijnen

   

De reiziger, die nu het dorp binnenkomt, ziet een dorp dat de dorpswei omarmt en dat zelf lijkt te rusten in de omhelzing van de duinen. In vroeger tijden was de grens tussen het dorp en de dorpswei heel wat minder scherp afgetekend dan nu het geval is.

 

Het is redelijk om aan te nemen, dat het grondplan van Wijc op See van stonde af aan bepaald is geweest door een enkele weg, die als een boog liep van het uiteinde van de Kerkstraat (nu De Zwaanstraat) in het zuiden tot aan de monding van de Rel in het noorden, destijds de enige toegang tot het strand. Heden ten dage bestaat diezelfde hoofdas van Wijk aan Zee uit drie delen: De Zwaanstraat, de Voorstraat en de Relweg. Vanaf deze boog vertakten zich eeuwenlang twee wegen naar het achterland. De eerste aftakking begon ter hoogte van de huidige Stetweg en voerde naar Heemskerk. De tweede aftakking begon even voorbij de kerk op het Julianaplein en voerde naar Beverwijk. Een derde weg, nog moeilijker te begaan dan de andere twee, liep tussen het Paasduin en de Tuinberg door en kwam via Rooswijk uiteindelijk uit in Velsen; het Noordzeekanaal bestond nog niet. De kaart die Simon Meeusz afkomstig uit Edam in 1539 van Wijc op See maakte, laat de in een boog verlopende weg tussen de kern van het dorp en strand zien, evenals de twee aftakkingen naar het achterland.

Ook is te zien, dat het overgrote deel van de bebouwing ligt in de driehoek Gasthuisstraat - De Zwaanstraat – Van Ogtropweg.

 

Er is weinig reden om aan te nemen, dat het netwerk van wegen in voorafgaande eeuwen veel anders zal zijn geweest. Wat opvalt aan deze kaart en daarmee aan het oude grondplan van de nederzetting Wijc op See, dat het dorp altijd twee kernen heeft gehad. Een kern om te wonen en een kern om te werken. Deze indeling werd afgedwongen door de geleding van het landschap, dat de stichters aantroffen. In het noorden verenigden zich kleine duinbeken tot de Rel, die langs de Seecroft stroomde en in zee uitmondde. Deze gesteldheid van het landschap maakte de noordwesthoek van de dorpswei kwetsbaar. Bij het samengaan van storm, springtij en zware regenval kon de Rel zijn water niet afvoeren en dan werd de dorpswei drassig of kwam zelfs geheel onder water te staan. Maar buiten de zware regens in het voorjaar en in de herfst, was deze hoek van de Seecroft een weinig aantrekkelijke plek om te wonen. In de duinsleuf die naar zee leidde, waaide het vrijwel altijd en zodra er wind stond was er toen sprake van zandverstuiving. Om die reden was de noordwesthoek van de Seecroft een goede plek om het vistuig en de vis te drogen, vlak bij de aanvoer vanaf het strand. De stichters van de nederzetting Wijc op See hadden goede  redenen om hun huizen tegen de hoge duinen te bouwen. Zo lagen zijn in de luwte, beschut tegen de winterstormen. De zoetwaterbel in de hoge duinen verzekerde hen van een doorlopende toevoer van schoon drinkwater in de putten. Vermoedelijk lag in het prille begin de kern van het dorp even wat hoger dan de Seecroft, zodat men niet onmiddellijk natte voeten kreeg als de waterafvoer langs de Rel weer eens haperde.

 

De oude kronieken maken bijherhaling melding van overstromingen. Zo kon in 1726 en 1739 de dominee niet preken omdat het dorp en de kerk onder water stonden. Minstens eenmaal bracht de wateroverlast de onderhuidse spanningen in de dorpsgemeenschap aan de oppervlakte. In 1739 werd ene Albert van Kleef, een ‘paap’, ervan beschuldigd dat hij een dijkje had doorgestoken met als gevolg wateroverlast voor het dorp. Veel had de beschuldiging kennelijk niet om het lijf, want het kwam niet tot een rechtzaak. Zou dat wel het geval zijn geweest dan had Van Kleef voor zijn leven moeten vrezen, want op het doorsteken van dijken stond toentertijd de doodstraf. Het Hoogheemraadschap had in die tijd de bevoegdheid deze misdaden te vervolgen, de daders te berechten en de eventuele doodstraf ten uitvoer te leggen.

 

Ter afsluiting van deze paragraaf over het grondplan van Wijc op See een aantekening over een bijzondere doorgang. Het Franse Pad werd aangelegd in 1800 gelijk met de bouw van de lunetten van Krayenhoff hoger op het duin. In geval van oorlog zou Wijk aan Zee in het vuur van deze linie komen te liggen. Volgens het krijgsplan, waarop de aanleg van de linie berustte, zou men bij nadering van de vijand het dorp slopen om zo een vrij schootsveld te hebben. Mits daarvoor voldoende tijd zou zijn. Zo niet, dan zou het eigen vuur en dat van de vijand zijn vernietigende werk wel doen. Het tweede deel van het krijgsplan hield in, dat de verdedigers van de linie zich zo lang als maar mogelijk zouden handhaven in het voorterrein. De puinhopen van het dorp vormden alsdan een goed terrein voor het verdedigende gevecht. In deze fase van de strijd zou men behoefte hebben aan een aanvoerweg om de eenheden in het voorterrein te voorzien van voedsel, kruit en kogels. Ook kon men langs deze weg versterkingen laten aanrukken. Daar diende het Franse Pad voor. Zodra de eigen troepen zich moesten terugtrekken uit het voorterrein was er een veilige vluchtweg nodig. Daar diende het Franse Pad dan toe in een latere fase van het gevecht.

 

2 De wijze van bouwen

 

In de tijd dat Wijc op See werd gesticht, gebruikte men nog wat het land te bieden had voor de bouw van huizen. Bij het ontginnen van de Seecroft hakte men bomen en struiken om en rooide men de wortelstronken. De boomstammen werden oplengte gekapt en in twee rijen rechtop in de grond gezet. Ging het om een wat groter onderkomen, dan gebruikte men twee dubbele rijen boomstammen. De stammen steunden de balken van het dak, dat men als regel met riet bedekte. Riet was gemakkelijk te snijden in de natte duinpannen in de onmiddellijke omgeving. Vanwege het brandgevaar hield men de onderlinge afstand tussen de gebouwen vrij groot en daarmee was de omvang van de afzonderlijke percelen min of meer gegeven. Van de twijgen van de bomen en struiken vlocht men matten en die werden tussen de boomstammen geplaatst. Het vlechtwerk werd afgedicht met een mengsel van kalk en aarde. Een gat in het dak diende als afvoer van de rook. Binnen kringelde de rook van een turfvuur omhoog. Turf werd niet alleen gestookt omdat het veel goedkoper was dan hout of kool, het was ook nog eens dichtbij in het achterland te winnen. Maar lange tijd is de voornaamste reden geweest, dat een turfvuur weinig vonken afgeeft ook bij een windvlaag en zo beperkte men het brandgevaar. Om diezelfde reden hield men rekening met de overheersende westenwind. De ingang kreeg steeds een  plaats aan de oostkant van het huis.

 

In de eerste tijd van de nederzetting zullen de mensen, de huisdieren en het vee in dezelfde ruimte overwinterd hebben. Eerst bij de komst van de baksteen zal daarin geleidelijk verandering zijn gekomen. Niet alleen was het daarvoor nodig, dat men leerde grote hoeveelheden stenen uit rivierklei te bakken en dat de scheepvaart met het rivierengebied goed op gang kwam, maar was het ook nodig dat welvaart van  de bewoners van Wijc op See zou toenemen. Zodat zij een huis konden betalen, dat gedeeltelijk uit steen werd opgetrokken. Die tijd brak aan tegen het einde van de 13de eeuw, toen de bevolking van de steden begon te groeien. In de steden leefde men vooral van bier, brood en bonen. Vlees was voor velen te duur en daarom at men bokking (= gerookte haring) en dat was van groot belang voor het vissersdorp Wijc op See. In het midden van die eeuw werd arbeidskracht plotseling schaars en duur, een rechtstreeks gevolg van de eerste grote pestepdemie, die West-Europa teisterde. Het onmiddellijk gevolg was dat de welvaart en de vrijheden van de overlevenden sterk toenamen. De derde trap in de stijging van de welvaart was, dat er eens een eind kwam aan de verwoestende twisten van de hoge adel. Dat gebeurde in 1429 toen Filips, de hertog van Bourgondie, de graaf van Holland werd. Toen brak de bloeitijd van Wijc op See aan en terstond zette men zich aan de bouw van een indrukwekkende kerk. Het schip van de kerk en het koor hadden samen een lengte van vijftig meter. Het metselwerk van de toren reikte dertig meter hoog.

 

Helaas, in 1477 en zeker in 1491 had het geluk van Wijc op See reeds uitgediend. Ook later had het dorp nog veel te lijden van de wisselvalligheden der geschiedenis, maar allengs tekende zich een beeld af. Langs de Kerkstraat stond ter weerszijden een rij huizen met trapgevels, tekeningen uit de 18de eeuw laten dat ook zien. Tot ver in de 19de eeuw stonden vissershuisjes, schuren en een enkele stolpboerderij in de oud driehoek ten zuidwesten van het Kerkplein. Op een van de alleroudste foto’s van Wijk aan Zee, gemaakt in 1870 is dat nog te zien.  

 

 

Erfgoed 4 Justitia

 

4 De steen van Justitia

 

Justitia, van herberg naar dorpshuis

 

2006: zeventig jaar na de fusie met Beverwijk

 

  • De burgers van Wijk aan Zee en hun gemeentebestuur
  • De bestuurscultuur van Beverwijk
  • Het dorp en de Wijker wijken

 

De gemeente Wijk aan Zee en Duin (1817-1936)

 

  • De nabloei van Wijk aan Zee en Duin
  • De burgemeesters Rothe en De Zwan
  • Het grondgebied, voor 1876 en na 1876
  • De gemeentewet van 1851 en de grondwet van 1848
  • De gemeente Wijk aan Zee en Duin in de 19de eeuw
  • De overgangstijd van 1813-1815

 

 

De ‘Municipaliteyt’ van Wijk aan Zee (1795-1813)

 

  • Het bestuurlijke regiem in het Franse Keizerrijk
  • De Bataafsche Republiek en het Koninkrijk Holland
  • De overgangstijd van 1795-1798

 

Het baljuwschap Wijc op See in de Republiek (1579-1795)

 

  • De Republiek zonder grondwet

 

De ‘banne’ Wijc op See in de Middeleeuwen (1050-1579)

 

  • Het Habsburgse vorstenhuis en de Opstand
  • Het Henegouwse en Beierse gravenhuis
  • Het Fries-Hollandse gravenhuis
  • Het ambacht onder de heren van Banjaert
  • De oorsprong van het schoutsambt
  • De samenhang van de ambachten in Midden-Kennemerland

 

 

4      De steen van Justitia

 

 

4.1           Justitia, van herberg naar dorpshuis

 

 

Enkele jaren geleden, in maart 1998  kwam een groep oud-bestuursleden, zittende bestuursleden en belangstellenden bijeen in de hal van het dorpshuis de Moriaan in Wijk aan Zee. Zij woonden de onthulling bij van de ‘Steen van Justitia’ die kort tevoren daar in de muur was ingemetseld. In deze onthulling ging een zekere symboliek schuil. De onthulling gaf aan, dat ook het dorp voortaan zorgvuldiger met zijn geschiedenis om wilde gaan dan lange tijd het geval was geweest. De nieuwe plaats van de steen was al niet minder met betekenis geladen. Ooit had de steen een plek in de herberg De Moriaen, waarnaar het dorpshuis in 1972 was vernoemd. Gelijk de oude herberg De Moriaen diende nu het dorpshuis De Moriaan als plaats van ontmoeting voor het dorp Wijk aan Zee.

 

Tientallen jaren achtereen was de steen te zien geweest in de muur van de snackbar Onder de Toren, die grensde aan het kerkhof aan het Julianaplein in het hart van het dorp. In historisch opzicht had deze plaats geen enkele betekenis, maar het droeg wel bij tot het behoud van deze bijzondere steen. Al was het maar, omdat hij zo in het zicht bleef van de mensen in het dorp en andere voorbijgangers. Weinigen van hen zullen bij de steen hebben stilgestaan. Nog minder mensen zullen gezien hebben, dat het zachte zandsteen nogal verweerde en vervuilde. Het was ,oeilijk te zien of Justitia ooit een blinddoek had gedragen of dat deze door de verwering was aangevreten. De steen sierde de muur van de snackbar, zonder een duidelijke herkomst en ook zonder een omlijnde toekomst. Zeker geen toekomst, die aan zijn eerbiedwaardige ouderdom en verleden ook maar enig ‘recht’ zou doen. Het kwam anders uit. Een vooraanstaande inwoner van het dorp, Evert Gerritse, kwam op de gedachte om de steen te verplaatsen van de snackbar naar de hal van het dorpshuis en zo geschiedde het. Bij die gelegenheid kwam onder de aanwezigen ter sprake, dat de steen, voordat hij de snackbar ‘sierde’ ooit gevonden was in de kelder van het Badhotel, op de hoek van De Zwaanstraat en de Gasthuisstraat. Dat lag, bij nader inzien in de lijn der verwachtingen. In De Zwaanstraat had ooit de herberg de Moriaen gestaan en die herberg had inderdaad voor lange tijd gediend als rechthuis en als gemeenschapshuis. Zeker vanaf de tweede helft van de 17de eeuw. Mogelijk had een tapperij, die eerder op die plaats had gestaan, dezelfde plaats ingenomen binnen het dorp. Het is in dit verband van zijdelings belang te vermelden, dat in zijn oorsprong een herberg, het gebouw is geweest waar de landsheer zijn intrek nam en waar hij optrad als ‘richter’, als de beslechter van geschillen. Die betekenis is, lang nadat de graaf was opgehouden op deze wijze zijn ambt te vervullen, overgegaan op het gebouw waar de reizende richter zijn onderdak koos. Ook is het woord herberg nog lang in gebruik geweest als aanduiding van de grafelijke huishouding. Wat daarvan zij, in de herberg De Moriaen wees de plaatselijke rechtbank, het gerecht van schout en schepenen, vonnis in burgerlijke zaken. Dat waren toen, als nu, geschillen van allerlei aard tussen mensen over roerende en onroerende zaken, over vermogensrechten en over de naleving en uitleg van overeenkomsten. Verder nam de schepenbank kennis van strafzaken, waarop lage boetes stonden. Lijfstraffen en hoge geldboetes vielen onder de hoge vierschaar van de baljuw. Die rechtspraak was diep geworteld in de geschiedenis van het dorp en ging nog terug op zeer oude ‘privilegiën’, die hun bestaan op hun beurt weer ontleenden aan rechtsgebruiken uit de Oudfriese tijd.

 

De plaats van de herberg De Moriaen als gemeenschapshuis in Wijk aan Zee werd onder meer bepaald door de verplichting voor Rooms-katholieke inwoners van het dorp om in het huwelijk te treden ten overstaan van twee schepenen. Vanaf 1579 had slechts het kerkelijke huwelijk van de protestanten rechtskracht in de samenleving. Het kerkelijke huwelijk van andere gezindten gold zonder tussenkomst van de ‘magistraat’ niet als wettig. In Wijc op See trof die bepaling vooral het Rooms-katholieke volksdeel, minstens 90% van de bevolking. Verder vonden er in de Moriaen veilingen en verkopingen plaats, onder andere vanwege de gerechtsdeurwaarder.

 

De herberg De Moriaen heeft zijn plaats als rechthuis in 1798 verloren. Toen werd in de staatsregeling voor het Bataafse Volk een scheiding gemaakt tussen bestuur en rechtspraak in eerste aanleg. De rechtspraak werd voorgoed in handen gelegd van rechtbanken. De plaats van De Moriaen als gemeenschapshuis duurde nog even voort. Daar kwam eerst een eind aan, toen in 1811 de gemeente Wijk aan Zee met Wijk aan Duin werd opgenomen in de nieuwe gemeente Beverwijk en het gemeentebestuur met zijn dienaren op de ‘maîrie’ aan de Breestraat een plaats kreeg. De nieuwe gemeente voerde een behoorlijke administratie van de Burgerlijke Stand en schreef huwelijken, geboorten en gevallen van overlijden bij in de registers. Naar de wetgeving die Napoleon had opgelegd. Ook het vertrek en de aankomst van degenen, die zich in de gemeente of juist daarbuiten vestigden, werden in registers op het gemeentehuis vastgelegd. De herberg De Moriaen had als rechthuis en als huis van de gemeenschap afgedaan. Volgde de bouw van een gemeentehuis voor Wijk aan Zee en Duin in 1867 aan de Zeeweg ter hoogte van de binnenduinrand. In 1908 werd ook dat gebouw afgedankt en zetelde het gemeentebestuur op het Westerhoutplein tot aan de opheffing van de gemeente Wijk aan Zee en Duin op 1 mei 1936.      

 

4.2           2006: zeventig jaar na de fusie met Beverwijk

 

  • De burgers van Wijk aan Zee en hun gemeentebestuur

 

Tot 2002 moesten de wethouders van een gemeente altijd lid zijn van de gemeenteraad. Dit beginsel was ooit vastgelegd in de Gemeentewet van Thorbecke, welke wet in 1851 in het Staatsblad was verschenen. Deze wet is vele malen aangepast en veranderd, maar raakte toch niet snel versleten. Zelfs de invoering van deelgemeenteraden in de grote steden plooide zich gemakkelijk naar de geest en letter van de wet. In 2002 is het dan toch nog tot een ingrijpende verandering gekomen. De wethouders waren niet langer lid van de gemeenteraad, het stelsel ging over van monistisch naar dualistisch. Het dagelijkse bestuur van de gemeente zou meer gediend zijn met een grotere bestuursvaardigheid van de wethouders. Die behoefte aan bestuursvaardigheid paste in een ontwikkeling, die in het midden van de 19de eeuw nog volslagen ondenkbaar was. In de loop van de 20ste eeuw heeft de rijkswetgever aan de gemeenten steeds meer de uitvoering van wetten opgedragen. Dat is zo vaak gebeurd, dat de kerntaak van de gemeente geleidelijk op de achtergrond is geraakt. De gemeente is overwegend onderuitvoerder van rijkswetten geworden, in ‘medebewind’ zoals dat is gaan heten. Vooral op het gebied van inkomen (bijstand), ruimtelijke ordening, woningbouw en huisvesting milieu, brandbeveiliging, maatschappelijke zorg, onderwijs en cultuur ging de gemeente in opdracht van het rijk werken. Een dergelijk pakket van werkzaamheden vroeg meer om bestuurlijk ondernemerschap dan om de politieke vaardigheden van de oude garde. De gemeente moest de ruimte krijgen om bestuurlijk talent aan te trekken uit andere plaatsen en uit andere maatschappelijke kringen. Vooral in het bedrijfsleven zag de wetgever veel onbenut talent, onderwijs en ambtenarij waren te sterk aanwezig. De gemeenteraad moest zich, volgens diezelfde opvatting, meer dan in het verleden bezighouden met de grote lijnen van beleid en toezien op de naleving daarvan. De gemeenteraad moest zeker niet langer over de schouder van de zittende wethouders ‘meebesturen’. Dat zou het Rijk wel doen in zijn rol van toezichthouder, maar dat werd er niet bij gezegd.

 

In de gemeente Beverwijk ligt het dagelijkse bestuur, het college van burgemeester en wethouders als het ware achter twee dijken. De eerste dijk, de ‘wakerdijk’ dat zijn de publiekgerichte eenheden voor Bouwen, Bijstand, Beheer en Bevolkingszaken. De tweede dijk, de ’slaperdijk’, dat zijn de afdelingen voor het Geld, het Personeel, de Projecten en de Communicatie. Op het eerste gezicht is dit een zeer open bestel, waarbinnen dienstverlening aan de burger voorop staat. Waar de buitenafdeling de burger niet tegemoet kan komen, zou dit misschien nog wel kunnen in overleg met een binnenafdeling. Komen ‘binnen en buiten’ er samen niet uit, dan zou het dagelijkse bestuur het verlossende woord kunnen spreken. De werkelijkheid is duidelijk anders. Zo het bestuur al niet met handen en voeten gebonden is aan rijksregels, staat het programma van het college (coalitiehandvest) een vrije wisselwerking tussen burger en bestuur al vrij snel in de weg. En dan is er nog altijd het overwicht van de binnenafdelingen ten opzichte van de buitenafdelingen. Was het sinds lang al zo, dat de buitenafdelingen het vooral te stellen hadden met de afdeling Financiën, nu moeten zij binnenwaarts ook nog de afdelingen voor Personeel en Projecten tevreden stellen. Een moeilijke opgave, mogelijk zelfs té moeilijk. In ieder geval zo moeilijk, dat het werken bij een buitenafdeling lastig is en kennelijk als weinig bevredigend wordt ervaren. Dat komt dan weer tot uiting in de vele veranderingen in het personeelsbestand. Eens in de zoveel maanden moeten personen, groepen en organisaties uit de bevolking zich instellen op weer een andere ambtenaar. Die medewerker neemt dan opnieuw van voren af aan hun zaken door. Voor korte tijd is hij het dan, die  van hun nieuwe wensen kennisneemt en ze ‘behartigt’. 

 

Veel lijkt tegen de burgerij samen te spannen in het gemeentelijk bestel van Beverwijk. En wel op zodanige wijze, dat het bestuur ‘beschermd’ ligt achter twee stevige dijken tegen de vloed wensen, verzoeken en meningen van de eigen burgers. De vooruitzichten zijn er niet beter op geworden, sinds een deel van de ambtenaren buiten de gemeente elders woont. Voor de wethouders geldt deze eis om binnen de gemeente te wonen vanaf 2002 ook niet meer. Het gevolg laat zich redelijk voorspellen. Het bestuur met zijn dienaren zal zich, bij toenemend gebrek aan plaatselijke kennis en inzicht in lokale verhoudingen, steeds meer vastklampen aan de papieren werkelijkheden van de dossiers. Of anders wel aan de regels van eigen maaksel, en niet te vergeten: de regels van Haags fabrikaat.                

 

  • De bestuurscultuur van Beverwijk

 

In augustus 1936 organiseerden het bestuur en de notabelen Beverwijk een uitbundig feest om de samenvoeging te vieren met Wijk aan Zee en Duin. Nogal bruusk en kleingeestig, met weinig gevoel voor verhoudingen en gering besef van gevoeligheden sprak men steevast en opgetogen over Groot Beverwijk. In het feestcomité en de werkgroepen zaten dan ook uitsluitend burgers uit Beverwijk en uit Wijk aan Duin. De nieuwe burgers uit Wijk aan Zee waren nadrukkelijk afwezig. De persverslagen uit die tijd maakten al evenmin melding van feestelijkheden in het dorp Wijk aan Zee. Een nieuwe tijd, waarnaar halsreikend was uitgezien in Beverwijk, die zou eindelijk aanbreken. En wat voor een tijd. Een tekst van burgemeester H.J.J. Scholtens sprak in dat opzicht boekdelen: ‘De eerste dertig jaren van onze eeuw zijn fataal geweest voor een ordelijke en stedenbouwkundige verantwoorde uitbreiding. (..) De ontwikkeling van de stad was niet beheerst, maar geheel overgelaten aan het toeval en aan de grillen van een vaak slechte en smakeloze eigenbouwerij, bekrompen, onsamenhangend, individualistisch en kortzichtig’[1].

 

Groot-Beverwijk zou het allemaal anders en beter gaan doen. In de vier jaren, die nog restten tot aan het uitbreken van de oorlog op 10 mei 1940 is het er niet van gekomen. Afgezien van een ingrijpende verbetering van het rioolstelsel, een project dat in het kader van de werkverschaffing viel. Ook na 1945 gebeurde er aanvankelijk nog weinig. De Zeestraat werd tot aan Wijk aan Zee geasfalteerd en de bouw van de Oranjebuurt, op een deel van de Munnikenweide werd voorbereid. Burgemeester Scholtens schreef in 1948: ‘De huidige ontwikkeling van Beverwijk geschiedt ordelijk en op gezonde grondslagen en ook in harmonie met wat het streekplan en het gewestelijke plan in het raam van het nationale plan vorderen’. Met dat laatst bedoelde Scholtens de groei van Hoogovens als nationale doelstelling. De Marshallhulp uit de Verenigde Staten bracht vanaf 1948 schot in de ontwikkeling van de IJmond en Beverwijk. Het Hoogovenbedrijf bouwde de Breedbandwalserij ten zuiden van het Rooswijkerlaantje. Al spoedig was de arbeidsmarkt in de IJmond en omgeving uitgeput en men moest arbeidskrachten werven in de Kop van Noord-Holland, alsook in Friesland, Groningen en Drenthe. Tussen 1950 en 1975 werden de Oranjebuurt, de buurten rondom het Kuenenplein en de wijken Oosterwijk, Meerestein en Zwaansmeer uit de grond gestampt.

 

Beverwijk rekende zich in de jaren ’60 rijk en groot en zocht Heemskerk en Velsen-Noord in te lijven. Dat stuitte, voorspelbaar, op fel verzet. Maar dat hield Beverwijk er niet vanaf het nieuwe bestuurscentrum op voorhand naar het midden van de gedroomde ‘Staalstad’ te verplaatsen. Groot-Beverwijk liet zich- als in 1936- weer eens zien van de bruuske kant. De stemming binnen en buiten het Stadskantoor sloeg echter onmiddellijk om toen gewerkt werd aan een wetsontwerp tot samenvoeging van Heemskerk, Beverwijk en Velsen. Toen was het, even zo voorspelbaar kleingeestig: ‘Drie in een, néén!’. De opzet slaagde, maar Beverwijk ging nog lang gebukt onder de gevolgen van het gevoerde beleid. Met het oog op de verwachte fusie met Heemskerk waren de ambtenaren opgeschaald. De Breestraat, het oude centrum was net even te lang verwaarloosd, omdat veel geld en inzet was besteed aan het nieuwe stadshart, dat rondom het Stadskantoor had moeten verrijzen.

 

Toch bleef Beverwijk nog lang in de roes van de groei gevangen. De installaties van Hoogovens schoven steeds meer op naar het noorden, ze reikten ten slotte tot ver voorbij de Zeestraat en uiteindelijk tot op het grondgebied van Heemskerk. De gemeente Beverwijk werkte daar welwillend aan mee. Openlijk verzet tegen de volledige insluiting van Wijk aan Zee aan de landzijde door de industrie bleef uit. Men nam genoegen met een groenstrook, uitgespaard in het fabrieksterrein, waardoorheen zich de Zeestraat slingerde als enige verbinding naar Wijk aan Zee. Deze groenstrook moest met kunstduinen en beplanting de toestand enigermate aan het oog onttrekken. Toch bleef het een misslag van de eerste orde op het gebied van ruimtelijke ordening en milieu. Het kon niet uitblijven, dat het dorp Wijk aan Zee onder druk van deze uitbreidingen in verval raakte. Plannen om de staalproductie nog verder uit te breiden, met alle overlast van geluid en stof van dien, verhoogden de aantrekkelijkheid van het dorp allerminst. Het was het dorp in die jaren duidelijk aan te zien. De onderhoudstoestand van vele huizen was bedenkelijk. De ommekeer kwam toch nog vanuit het dorp zelf. De Dorpsraad, opgericht met hulp van de Beverwijkse Sociaal Culturele Raad in 1972, zette zich in voor het dorp. Na verloop van tijd had dat zichtbare gevolgen. Het Gaasterduin werd opgehoogd om het dorp nog enigszins van de fabrieksinstallaties af te schermen. De mensen van Wijk aan Zee leerden uit ondervinding, dat actievoeren de moeite loonde. Voortaan lieten zij niet meer over zich lopen.

 

Maar wat er ook veranderde, de bestuurscultuur van de gemeente Beverwijk niet. Men bleef streven naar groter, alle ervaringen in het verleden ten spijt. Zo werd de gedachte gevoed, dat het in Wijk aan Zee duidelijk ontbrak aan een boulevard. Dat daarmee vorm en geleding van het dorp volledig verstoord zouden raken, daar wilde men op het Beverwijkse stadskantoor zelfs niet van horen. Zo kon het gebeuren, dat een in nauwe samenwerking met het dorp ontwikkelde toekomstvisie op slag zijn innerlijke waarde verloor. Het college had namelijk eigenhandig een boulevardplan, een kuuroord inbegrepen, in de visie opgenomen. Met deze ingreep was het prille vertrouwen gebroken, dat eindelijk tussen het dorp en zijn gemeentebestuur leek te zijn ontstaan.

 

Blijft de vraag, waar de bruuske en soms zo kleingeestige bestuurscultuur toch zijn oorsprong mag hebben. Het ziet er naar uit dat ‘kleindenkers’ het gemeentebestuur in gijzeling hebben  genomen. Omstreeks de vorige eeuwwisseling moet dat al gebeurd zijn. Niet alleen rechtstreeks met hulp van de traditionele partijen van het midden en rechts daarvan. Maar ook zijdelings, door middel van de coöperatieve banken[2], de toenmalige standsorganisaties en de serviceclubs. De partijen met een meer sociale en democratische inslag hebben tegen dit bolwerk van lokale macht nooit voldoende tegenwicht kunnen bieden[3] ook al omdat zij voor een deel zelf de neiging vertonen in eenmansfracties uiteen te vallen. In het Beverwijkse beleid gaat daarom nog steeds, te vaak: het deel voor het geheel en telt het heden zwaarder dan morgen. Niemand heeft dat scherper onder woorden gebracht dan wethouder Hazeveld in het voorjaar van 2005. Hij werd toen gewezen op het feit, dat de bouw van te veel woningen ineens in Wijk aan Zee veel ouderen van buiten zou aantrekken en dat zulk een beleid op de lange duur de vergrijzing na verloop van een tiental jaren zou versnellen. Zijn antwoord: ‘Zó vér kijk ík niet hoor!’                  

 

  • Het dorp en de Wijker wijken

 

Met de nieuwe organisatie viel binnen het Beverwijkse gemeentebestuur het besluit, dat er meer wijkgericht moest worden gewerkt. Om voeling te houden met ‘wat er leeft’ in de wijken werden wijkraden opgezet onder voorzitterschap van gemeentelijke coördinatoren. In het dorp Wijk aan Zee is deze gedachte nooit overgenomen. De Dorpsraad had zich sinds de jaren ’70 al een plaats verworven. Bovendien was de Dorpsraad nooit op ambtelijke ‘uitnodiging’ samengesteld, maar naar vast gebruik via rechtstreekse verkiezing van kandidaten. De wijkcoördinator had geen andere keus dan als gemeentelijk ‘contactambtenaar’ bij de Dorpsraad aan te schuiven. Na enige jaren bleek, dat de wijkcoördinator in dat contact toch net even vaker en nadrukkelijker gemeentelijke aankondigingen kwam overbrengen, dan dat hij dorpse boodschappen meenam naar het stadskantoor.

 

De Dorpsraad wilde zich enkele jaren geleden, naar de mening van de gemeente, iets te nadrukkelijk bemoeien met de uitvoering van afgesproken beleid. Dat stond de gemeente niet aan en in een bezwaarprocedure werd de Dorpsraad niet ontvankelijk verklaard. De zaak waar het om ging zou niet passen op de algemene doelstelling van de Dorpsraad. De raad kon zich maar beter, bij voorkeur op aanvraag van de gemeente, bezig houden met de inspraak op het voorgenomen beleid, zo werd te verstaan gegeven. Dat gebeurde niet formeel in een voor beroep vatbare beslissing, maar terloops in een ambtelijke notitie, die tussen de stukken was geschoven. Voor de goede verstaander: de uitvoering van beleid en de uitleg van beleidsregels, dat  was een zaak van de gemeente en de rechtstreeks belanghebbende, de Dorpsraad moest zich daar buiten houden. De Dorpsraad legde zich daar niet bij neer en heeft inmiddels de statuten aangescherpt.

 

De Dorpsraad werd met regelmaat als een wijkraad bejegend. Verder bleek uit vele gemeentelijke geschriften, dat het dorp Wijk aan Zee op een lijn werd gesteld met andere wijken in Beverwijk. In het dorp werd deze ‘gelijkschakeling’ bepaald niet op prijs gesteld. Anders dan de ‘Wijker’ wijken heeft Wijk aan Zee een bijna duizendjarige geschiedenis achter de rug. Het stratenplan, de bebouwing en de bevolking hebben zich betrekkelijk geleidelijk ontwikkeld. Oudere bewoners en nieuwkomers voelen zich in gelijke mate gehecht aan de vele netwerken, die het dorp rijk is. De ‘Wijker‘ wijken zijn, in tegenstelling tot het dorp, elk gebouwd in het bestek van enkele jaren. Sindsdien is de samenstelling van de bevolking in deze wijken sterk veranderd in betrekkelijk korte tijd. Nadat de eerste bewoners, Friezen, Groningers en Drenthen wegtrokken naar nog betere huisvesting elders, vestigden zich in deze wijken grote aantallen Spanjaarden en Italianen en nadat ook die waren weggetrokken, gingen Turken en Marokkanen het straatbeeld sterker beheersen. In Beverwijk zijn de Warandebuurt, het Vondelkwartier en het zuidelijke deel van de Bomenbuurt uitzonderingen op deze regel. Tegen deze achtergrond is het niet onbegrijpelijk dat het dorp Wijk aan Zee en meer in het bijzonder de Dorpsraad bezwaar maakte tegen de gelijkschakeling met een wijk, zeker met een ‘Wijker’ wijk. Maar ook hier wist het bruuske bestuur van Beverwijk nog steeds niet van inbinden, Wijk aan Zee blijft in het ambtelijk-bestuurlijke spraakgebruik hardnekkig een ‘wijk’.

 

4.3           De gemeente Wijk aan Zee en Duin (1817-1936)

 

  • De nabloei van Wijk aan Zee en Duin

 

Sinds 1880 trok Wijk aan Zee steeds meer belangstelling als badplaats. De groeiende middenstand van de stad Amsterdam kon zich een verblijf aan de kust veroorloven en niet alleen steeds vaker, maar ook steeds langer. Heinrich Tappenbeck droeg het zijne er toe bij. Hij bouwde het Badhotel op de hoek van de Gasthuisstraat en de Brink. En hij wist te bereiken, dat de straat tot aan het strand verlengd werd, zodat de omweg naar het strand langs de Voorstraat en de Relweg niet meer nodig was.

 

Meer landinwaarts groeide het buurtschap Wijk aan Duin zienderogen. In de steden in de omgeving, maar vooral in Amsterdam, nam de vraag naar tuinbouwproducten sterk toe om in de groeiende behoefte van de stadsbevolking te voorzien. Al spoedig woonden er in Wijk aan Duin meer mensen dan in het oude hoofddorp Wijk aan Zee. Die verhouding in inwonertallen kwam nog schever te hangen, toen niet alleen gepensioneerden uit Nederlands-Indië, maar ook  beambten en voorlieden van het nieuwe Hoogovenbedrijf zich in Wijk aan Duin gingen vestigen. Zij kochten vanaf het begin van de jaren ’20 van de tuinders de ‘koppen’ van de tuinderijen en bouwden zich daar een middenstandswoning. Zo ontstond van lieverlee een kenmerkende lintbebouwing langs de doorgaande wegen van Wijk aan Duin. De ontwikkelingen in de gemeente Beverwijk toonden eenzelfde beeld. Lintbebouwing langs de doorgaande wegen.

 

De gemeente Wijk aan Zee en Duin raakte vergroeid met de gemeente Beverwijk. Op de Galgenweg, de Boeweg, de Korte Boeweg, de Romerkerkweg, de Groenelaan, de Zeestraat en de Scheybeecklaan liep de gemeentegrens over het midden van de weg. Dat maakte het wegbeheer er niet eenvoudiger op. Beverwijk zag zichzelf als een stad, die in deze jaren van groei steeds meer verkeer aantrok. Niet alleen meer paarden en wagens, maar ook automobielen en motoren. Dat stelde eisen aan de wegverharding en daarom drong de gemeente Beverwijk er bij de buurgemeente Wijk aan Zee en Duin op aan het wegenstelsel mede te verbeteren. Het antwoord  van de gemeente Wijk aan Zee en Duin op dit aannemelijke verzoek tot samenwerking was duidelijk, maar ook koud en afstandelijk. Het wegenstelsel voldeed zeer wel aan de behoeften van de tuinbouwbedrijven, aldus de gemeente Wijk aan Zee en Duin. Dit verschil van mening tussen de twee gemeenten stond niet op zichzelf. Al veel langer sleepte een kwestie over de riolering, althans over de verrekening van de kosten. Kort na de eeuwwisseling had men in Beverwijk en in Wijk aan Duin een begin gemaakt met verwijderen van de beerputten. In plaats daarvan kwam een riolering in de dichter bebouwde gedeelten. Het rioolwater werd afgevoerd naar de haven van Beverwijk, de Pijp. Uit kostenbesparing loosde Wijk aan Duin tegen een afgesproken vergoeding het afvalwater op de riolering van Beverwijk. Die vergoeding was men overeengekomen in 1904  bij de aanleg van het rioolstelsel. Omstreeks 1920 stond de vergoeding van de gemeente Wijk aan Zee en Duin in geen verhouding meer tot de hoeveelheid rioolwater, die werd geloosd. Te meer niet, omdat in de tussentijd de groei van Wijk aan Duin onverminderd was doorgegaan en ook de gebieden tussen de doorgaande wegen bebouwd waren geraakt. Het grillige verloop van de gemeentegrens, het verschil van mening over de wegverhardingen en het voortslepen van de ‘rioolkwestie’ maakten zonneklaar, dat de twee gemeenten niet veel langer afzonderlijk konden voortbestaan. Tenzij men tot een vergelijk kon komen en daar zag het bepaald niet maar uit.

 

In 1927 drongen niet minder dan 750 inwoners van Wijk aan Duin bij hun gemeentebestuur aan op samenvoeging met de gemeente Beverwijk. Dat verzoek was de toenmalige burgemeester, Hendrik Rothe, niet welgevallig. Het verzoek werd hooghartig voor kennisgeving aangenomen. Korte tijd later, in 1928 dienden 750 inwoners van de gemeente Beverwijk een gelijkluidend verzoek in bij hun gemeentebestuur. Ook daar werd betrekkelijk lauw op gereageerd, omdat het bestuur van Beverwijk de samenvoeging weinig kans gaf. Het verzoek van de 750 burgers uit Wijk aan Duin bracht wel aan het licht, dat de gemeente Wijk aan Zee en Duin een in zichzelf  ‘verdeeld huis’ was geworden. Het voormalige buurtschap Wijk aan Duin bleek met driekwart voor de samenvoeging. Het dorp Wijk aan Zee was in meerderheid tegen, en aan dat verzet waren een zekere felheid en verbetenheid niet vreemd.

 

Naarmate de druk der omstandigheden groter werd en de wil tot samenwerking nog leek te verminderen, nam de noodzaak tot samenvoeging van de gemeente Beverwijk met de gemeente Wijk aan Zee en Duin snel toe. In 1929 gingen Prof. mr.dr. G. van Grinten en mr. Th. G. Donner aan de slag. De heren adviseerden een fusie, maar zagen ook voor samenwerking nog mogelijkheden. In 1934 begon Beverwijk te aarzelen, want het gerucht ging, dat Wijk aan Zee en Duin slecht bij kas zou zitten. Twee jaar later kwam er schot in de zaak. Na enkele maanden van voorbereiding, verscheen de noodzakelijke wet in het Staatsblad en op 1 mei 1936 was de versmelting van de oude gemeenten in de nieuwe gemeente Beverwijk een feit. Mr H.J.J. Scholtens, werd burgemeester van de nieuwe gemeente. Burgemeester Rothe trad af na zijn gemeente 16 jaar in dit ambt te hebben gediend.

 

  • De burgemeesters Rothe en De Zwaan

 

In het jaar 1900 trad Hendrik Rothe aan als secretaris van Wijk aan Zee en Duin. In 1920  werd hij tevens benoemd tot burgemeester. Toen de samenvoeging met Beverwijk niet meer leek af te wenden, zocht hij een bestemming voor de kapitaalmiddelen, waarover Wijk aan Zee en Duin nog kon beschikken. De kerk aan het Juliananplein was dringend aan een restauratie toe, de toren van de kerk verkeerde in een buitengewoon slechte staat. Er gingen zelfs stemmen op om de toren maar af te breken.  Voortvarend werd een restauratieplan opgezet naar een ontwerp van architect Friedhoff. Op dat plan verleende de gemeenteraad in januari 1936 een krediet. Ook al had burgemeester Rothe te maken met een raad, waarin leden die afkomstig waren uit Wijk aan Duin de meerderheid vormden. Het heeft de scheidende burgemeester kennelijk niet ontbroken aan overwicht en overtuigingskracht. En daarbij zal de deerlijke staat waarin het kerkgebouw en de toren verkeerden hem tot hulp zijn geweest. 

 

Burgemeester J.P. de Zwaan was de eerste burgemeester, die uitsluitend in Wijk aan Zee en Duin in het ambt stond. Hij nam in 1881 ontslag als burgemeester van Beverwijk, maar hij bleef aan als burgemeester van Wijk aan Zee en Duin. Hij heeft het ambt in deze gemeente vervuld van 1880 tot 1896. In zijn ambtsperiode veranderden zowel het buurtschap Wijk aan Duin als het dorp Wijk aan Zee aanzienlijk. Hoewel die veranderingen geheel verschillend waren, was de drijvende kracht erachter de snelle opkomst van Amsterdam als havenstad en als centrum voor handel, industrie en kunst. De badplaats Wijk aan Zee kwam in zwang bij de stedelingen, zoals dat meer naar het zuiden gebeurde met Zandvoort, Noordwijk en Scheveningen. De aanleg van de spoorlijn van Haarlem naar Alkmaar in 1867 met als tussenstation Beverwijk maakte de badplaats gemakkelijk te bereiken. Tot 1882 zorgde een paardentram voor het navervoer tot aan Wijk aan Zee, daarna reed een stoomtrein over het traject tot 1924.

 

Het heeft er veel van weg, dat burgemeester De Zwaan en de Amsterdamse ondernemer Heinrich Tappenbeck goed konden samenwerken. In enkele jaren tijd werd eerst de herberg De Moriaen, die een licentie had als badinrichting, verbouwd. Dat gebeurde in 1880 en het doel was, dat De Moriaen naar aanzicht meer een geheel zou vormen met de panden ter weerszijden. De opzet voldeed niet of Tappenbeck vond de zakelijke opbrengst niet voldoende. Want nog in hetzelfde jaar  kwam het tot de sloop van enkele panden aan de toenmalige Brink en in de Gasthuisstraat. Op de hoek verrezen het Noorderbadhuis en het Oosterbadhuis in 1882 met 72 kamers. Op een oude foto, genomen vanaf het duin de Tuinberg, is nog te zien, dat de herberg De Moriaen overeind staat, maar wel ingeklemd tussen het Oosterbadhuis rechts en nieuwbouw aan de linkerkant, de hoge zijde van de Brink. In 1881, werd het duin doorgegraven en kon men gemakkelijk het strand bereiken vanaf de Brink. Heinrich Tappenbeck, ook actief in Noordwijk, raakte in moeilijkheden en hij ging bankroet.

 

De inspanningen van burgemeester De Zwaan werden blijkbaar gewaardeerd in het dorp. Niettegenstaande het feit, dat onder zijn bewind een gebouw als het Badhotel tot stand kwam, dat naar stijl en omvang in geen verhouding stond tot de omringende gebouwen en dat de historische zuidwand van de Brink daarvoor werd opgeofferd. Bij gelegenheid van de samenvoeging met Beverwijk werd de Brink naar de nijvere burgemeester vernoemd.      

 

  • Het grondgebied, voor 1876 en na 1876

 

Kort voor de komst van burgemeester De Zwaan, was het aanzien van Midden-Kennemerland sterk veranderd. Het Noordzeekanaal was aangelegd en deze waterweg verbond sinds 1876 de Amsterdamse havens met de Noordzee. Holland op z’n Smalst was met dat doel doorgraven. Het vroegere IJ en het Wijkermeer waren ingepolderd en drooggelegd. Verbaasde buitenlanders konden zeeschepen voortaan meters boven het IJpolderpeil zien varen. De drooglegging bracht voor Wijk aan Zee en Duin een uitbreiding van het grondgebied mee. Was eeuwenlang de Wijkerbroekpolder het meest oostelijke deel van de gemeente geweest, nu kwam daar het deel van de Wijkermeerpolder bij, dat ten noorden van het kanaal lag. Sindsdien waren Wijk aan Zee en Duin en de gemeente Assendelft over land opnieuw verenigd na minstens acht eeuwen.

 

Niet lang na de drooglegging begon het ministerie van Oorlog met de aanleg van de Stelling van Amsterdam. De forten Velsen en Wijkermeer kwamen te liggen op het grondgebied van Beverwijk, de forten Aagtendijk en Veldhuis lagen binnen de gemeente Wijk aan Zee en Duin. De stelling was zo ruim aangelegd, dat er voldoende ruimte zou zijn voor de teelt van gewassen en het weiden van vee om de stad Amsterdam enkele maanden te voeden. Aan de buitenzijde van de vestinggordel konden grote gebieden onder water gezet worden. Tot ver na de eeuwwisseling is er gebouwd aan de Stelling van Amsterdam, maar tijdens de Eerste Wereldoorlog bleek het stelsel achterhaald. Het vliegtuig had een snelle ontwikkeling doorgemaakt en het kondigde een geheel andere wijze van oorlogvoering aan. Binnen dat raamwerk paste de Stelling van Amsterdam niet meer. Toch bleven de forten tijdens de Mobilisatie van 1914-1918 geruime tijd op oorlogssterkte bemand.

 

Aan het begin van de jaren ’20  waren Beverwijk en Wijk aan Zee en Duin uitgegroeid tot eigentijdse gemeenten, waar de politiek na de invoering van het algemene kiesrecht in 1917 en 1922 tot redelijke bloei kwam. Zo waren bij de opheffing van Wijk aan Zee en Duin naast de R.K. Staatspartij en de lijstverbinding van de Christelijk Historische Unie en de  Anti Revolutionaire Partij, ook de Sociaal Democratische Arbeiderspartij en de Vrijzinnig Democratische Bond vertegenwoordigd in de gemeenteraad. Het dagelijks bestuur van de gemeente telde naast burgemeester Rothe op 29 april 1936 twee wethouders: N. Passchier, namens de CHU-ARP en N. Tervoort, namens de RKSP.

 

  • De gemeentewet van 1851 en de grondwet van 1848

 

De gemeentewet ging er oorspronkelijk van uit, dat diepgaande kennis van de plaatselijke omstandigheden en verhoudingen de betere waarborgen bood voor een redelijk en verantwoord bestuur. Daarom moesten de wethouders lid van de gemeenteraad zijn en door de raad uit zijn midden gekozen worden. Op de achtergrond zal zeker hebben meegespeeld, dat in het overgrote deel van de toen 1200 gemeenten, het wethoudersambt in deeltijd zou worden vervuld. Bovendien moest bij de keus van de raadsleden en nog veel meer bij de keus van de wethouders gelet worden op een vooraanstaande plaats in de samenleving. Een dergelijke plaats kon voortkomen uit de beoefening van een vrij beroep, of anders wel uit het leiden van een eigen bedrijf. Aan personen in dienstbetrekking dacht men nog niet en zeker niet aan arbeiders en dagloners. Zij waren trouwens van deelname aan verkiezingen uitgesloten en daarmee ook van verkiezing, omdat zij te weinig belasting betaalden. Een maatstaf, die was vastgelegd in de Kieswet. In de loop van de 19de eeuw werden de eisen om te mogen kiezen en gekozen te worden stapsgewijs verlicht. Maar het moest tot 1917 duren voordat mannen en tot 1922 voordat vrouwen, ongeacht hun maatschappelijke stand tot het kiesrecht werden toegelaten.

 

De gemeentewet maakte deel uit van een grootser geheel. Een stelsel van drie bestuurslagen: gemeente, provincie en rijksoverheid. Dat beginsel kreeg een vooraanstaande plaats in de Grondwet, die in 1848 tot stand kwam. Er zijn sindsdien nog veel bestuurlijke veranderingen voorgesteld en een enkele maal ook ingevoerd. Maar het drieslagstelsel in het openbare bestuur bleef meer dan 150 jaar overeind[4].

 

 

  • De gemeente Wijk aan Zee en Duin in de 19de eeuw

 

De eerste staatsordening na de Franse Tijd werd beheerst door een middenkoers. Herstel van oude instellingen en gezagsverhoudingen stond voorop, maar de eenheid van de staat moest behouden blijven. Naar de confederatie van provincies, zoals die voor 1795 had bestaan, wilde vrijwel niemand meer terug. De Grondwet van de Verenigde Nederlanden kwam vier maanden na de terugkeer van de Erfprins uiteindelijk in maart 1814 tot stand. Met zijn Schets van de Grondwet had G.K. van Hogendorp al belangrijk voorwerk gedaan op zijn hofstede Adrichem, sinds eeuwen gelegen aan de voet van de Sint Aagtendijk in Wijk aan Duin. Daar had hij met onderbrekingen sinds 1799 aan zijn schets van een grondwet gewerkt. Enkele jaren na het vertrek Van Hogendorp in 1813, raakte het goed in verval en werd het na verkoop gesloopt.

 

De Prins van Oranje werd tot staatshoofd bevorderd en droeg de titel Soeverein Vorst. Zijn regeermacht was vrijwel onbeperkt. De Raad van State diende de Soeverein van advies, de ministers waren aan de Soeverein rechtstreeks ondergeschikt als hoofden van de uitvoerende diensten. De Soeverein moest zich nog wel de goedkeuring van de rijksbegroting laten welgevallen door de Volksvertegenwoordiging. Maar veel zeggenschap had dat staatsorgaan ook niet, want het kon de begroting slechts goedkeuren of verwerpen. Deze grondwet was diep geworteld in de geschiedenis der Nederlanden. Hij verenigde de beginselen van de Unie van Utrecht (provinciaal zelfbewind) met de meer centrale doelen van de Bourgondische vorsten, want er zou eenheid van staatsbewind, van recht en van bestuur zijn. Deze grondwet  hield geen jaar stand.

 

Men zag zich in 1815 namelijk voor de opgave geplaatst om de gewesten in de driehoek tussen Groningen, Aarlen bij Luxemburg en De Panne in West-Vlaanderen te verenigen tot het Koninkrijk der Nederlanden. Het Wener Congres wilde in 1815 benoorden de Franse grens een krachtige staat. Oostenrijk deed afstand van zijn zeggenschap over Vlaanderen en Wallonië, zodat die landstreken samen konden gaan met de voormalige Zeven Verenigde Nederlanden. De betrokken landsdelen voelden zich er weinig wel bij. In het zuiden heerste een sterk liberale gezindheid. Die ging gepaard met een grotere lust tot ondernemen. De textielproductie was in opkomst en die opkomst werd gesteund door een krachtige ontwikkeling van de metaalindustrie en de kolenwinning. Het noorden had een meer behoudende instelling en moest het vooral hebben van landbouw en veeteelt. De eens zo bloeiende handel was vervallen tot een schaduw van zichzelf. Aan de toch al gespannen verhouding tussen de landsdelen deed het eigengereide optreden van koning Willem I bepaald geen goed. In 1830 brak de Belgische Opstand uit.    

 

Dit alles ging grotendeels voorbij aan de gemeente Wijk aan Zee en Duin, die in het leven was geroepen in 1817. In tegenstelling tot vroegere tijden, had de nieuwgevormde gemeente niet een, maar twee kernen: Wijk aan Zee en Wijk aan Duin. Zo lang de belangen van die kernen niet al te ver uiteen liepen, zou de nieuwe gemeente een redelijke evenwichtige ontwikkeling kunnen doormaken. Wijk aan Zee viste naar schelpen en mocht steeds meer badgasten welkom heten, Wijk aan Duin teelde steeds meer groenten voor de mensen in de groeiende stad.

 

In 1817 trad Jan Karshoff aan als schout en secretaris van de nieuwe gemeente. Hij werd in zijn bestuurlijke taak bijgestaan door twee bijzitters of ‘assessoren’. Drie raadsleden hielden toezicht op de dagelijkse gang van zaken. Zij werden benoemd door de gedeputeerden van Holland en dat gebeurde op voordracht van de ambachtsheer, want die was in zijn voorrechten hersteld. De ambachtsheer in 1817 stamde af van het geslacht  Deutz van Assendelft en bezat de rechten door vererving, huwelijk en ook verkoop van Frans van Harencarspel, die in 1730 behalve het ambacht Beverwijk, de ambachten Wijk aan Zee en Wijk aan Duin had gekocht van de Staten van Holland. 

 

Het schoutenambt werd opgeheven in 1825 en Jan Karshoff werd bevestigd in het ambt van burgmeester. In 1828 volgde Cornelis Karshoff hem op. Vervolgens kwam er een reeks burgemeesters, die hun ambt niet alleen in Wijk aan Zee en Duin, maar ook in Beverwijk uitoefenden. Het zijn  achtereenvolgens C. Stumphius (1853-62), J.J. Debruëll (1862-67) en A.Magnin (1867-80). Burgemeester J.P. de Zwaan verenigde de twee ambten slechts voor een jaar vanaf 1880. In 1881 treedt hij af als burgemeester van Beverwijk en blijft hij aan als burgemeester van Wijk aan Zee en Duin tot 1896.  In dat jaar volgde burgemeester Jhr G.S. Boreel hem op. Dan volgde in 1898 Jhr J.W.C. Strick van Linschoten, die zowel in Wijk aan Zee en Duin als in Beverwijk burgemeester werd. Zijn gezondheid stond hem niet toe beide functies lang waar te nemen en reeds in 1899 trad hij af in Wijk aan Zee en Duin. Hij werd opgevolgd door Jhr Del Court van Krimpen in 1901 die tot 1920 in functie bleef. Na hem kwam tot de opheffing van de gemeente Hendrik Rothe.

 

Halverwege de 19de eeuw gingen het noorderkwartier en het zuiderkwartier van de provincie Holland uiteen. In 1840 ontstonden de provincies Noord-Holland en Zuid-Holland. Aan het grensverloop in de duinstreek is de oude zuidgrens van het kerngebied Kennemerland nog altijd te herkennen. Evenzogoed als de oostgrens van Kennemerland in het zuiden nog steeds herkenbaar samenviel met de meest oostelijke strandwal. Die was ooit 2000 jaar voor het begin van onze jaartelling op de lijn Akersloot- Limmen ontstaan. De noordoostgrens van het aloude Kennemerland werd gemarkeerd door de Westfriese ringdijk en in 1840 verder naar het noorden door het waddengebied tussen de ringdijk en het eiland Wieringen.

 

  • De overgangstijd van 1813-1815

 

In het belang van de rechtsorde en van de openbare orde veranderde er weinig na het terugtrekken van de Fransen uit de voormalige Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Beverwijk, Wijk aan Duin en Wijk aan Zee bleven de Commune van Beverwijk vormen. En de maîre, Jan Stelt, bleef de werkzaamheden voortzetten, net als zijn plaatsvervanger en de leden van de municipale raad. Op hoger bestuurlijk vlak hernamen de Staten van Holland hun werkzaamheden en werd de bestuurlijke indeling onder het keizerlijke regiem ongedaan gemaakt. Het gewest Holland strekte zich opnieuw uit van Den Helder tot aan de eilanden Voorne en Putten, bezuiden de Maas.

 

De rust in Europa en op het slagveld duurde niet lang. Napoleon wist te ontsnappen van het eiland Elba voor de Italiaanse kust, waar hij gevangen werd gehouden. Hij trok van Nice naar Parijs, hernam de keizerlijke waardigheid en bracht een leger op de been. Met de inzet van Britse, Pruisische en Hollandse troepen werd Napoleon op 18 juni 1815 in de slag bij Waterloo verslagen. Hij trad opnieuw af en werd vervolgens naar Sint Helena verbannen waar hij overleed in 1821.

 

 

4.4            De ‘Municipaliteyt’ van Wijk aan Zee (1795-1813)

 

  • Het bestuurlijke regiem in het Franse Keizerrijk

 

Tot schrik en verbijstering van de bestuurders in de Nederlanden werd het bestuur krachtig op poten gezet na de inlijving in 1810. Amsterdam werd de derde stad van het keizerrijk. Van bovenaf tot onderaan werd het bestuur strak georganiseerd en gereglementeerd. Het gebied werd verdeeld in departementen, die op hun beurt weer bestonden uit arrondissementen en die waren opgebouwd uit communes, dat waren de vroegere steden en ambachten. Achter het bestuurswerk werd flink vaart gezet. Het was gedaan met de kenmerkende Hollandse traagheid en gezapigheid. Een ordelijk systeem voor de Burgerlijke Stand werd voortvarend ingevoerd op gemeentelijk vlak. Op landelijk vlak werd het Kadaster ingevoerd en de conscriptie, de militaire dienstplicht.

 

De drie maîres van Beverwijk, Wijk aan Duin en Wijk aan Zee kregen eind 1810 de opdracht om de vorming van een gemeente voor te bereiden. Na een jaar waren de zaken geregeld. Per 1 januari 1812 werden de drie ´Municipaliteyten´ samengevoegd en stonden zij voortaan onder leiding van maîre  Pieter Stelt. Lang is de jonge gemeente niet overeind gebleven. Na de restauratie van het Oranjebewind maakt de ambachtsheer aanspraak op zijn rechten en werden Wijk aan Duin en ook Wijk aan Zee losgemaakt van Beverwijk bij een daartoe strekkend Koninklijk Besluit uitgevaardigd op 13 december 1815 door Koning Willem I. Men zag spoedig in, dat de beide ambachtsheerlijkheden niet afzonderlijk konden voortbestaan en zij werden vervolgens op 1 mei 1817 samengevoegd tot de gemeente Wijk aan Zee en Duin met Jan Karshof aan het hoofd.

  • De Bataafsche Republiek en het Koninkrijk Holland

 

De grondwet voor het volk der Bataven was tot stand gekomen na een hevig touwtrekken van drie partijen in de Grondwetgevende Vergadering, dat begon in 1795. Aan de ene kant stond de partij van de Federalisten, zij wilden zoveel mogelijk bevoegdheden laten bij de provincies, de landstreken en de steden. Lijnrecht daartegenover stonden de Unitarissen, zij wilden alles regelen vanuit een landelijk bestuurscentrum. Tussen beide partijen in stond de groep van de Moderaten. Zij wilden bij de decentralisatie van het bestuur een middenkoers varen. De uitkomst van drie jaar Haagse partijstrijd was een lijvig boek met een zeer leerstellige inhoud. De burgers van de Bataafsche Republiek verwierpen het ontwerp van de grondwet met grote meerderheid van stemmen. Men zette zich in de Grondwetgevende Vergadering opnieuw aan de arbeid. Dat werk is nooit afgerond. In 1799 greep generaal Daendels in, hij drong de vergadering binnen en zijn manschappen arresteerden een deel van de Federalisten. Nadat zij waren vervangen door Unitarissen kreeg het Bataafse Volk een grondwet voorgezet, die sterk centralistisch was uitgevallen (1801).

 

Het landsbestuur worstelde zich vervolgens zo goed en zo kwaad als het ging door de politieke en economische verwikkelingen op het Europese vasteland. Ondertussen was men in een papieren strijd gewikkeld met Frankrijk, die in 1798 was begonnen en nimmer leek te eindigen. Frankrijk eiste geld van de Bataafse Republiek en men wilde maar niet geloven, dat het land sterk zo verarmd was, dat het zijn verplichtingen, opgelegd bij verdrag, niet kon nakomen. Napoleon Bonaparte, inmiddels opgeklommen tot keizer in 1804, verloor zijn geduld met de Bataven en benoemde Rutger Jan Schimmelpennick tot raadspensionaris in 1805: feitelijk de president en het staatshoofd van de Republiek. Napoleon had de verwachting, dat de geldstroom van Holland naar Frankrijk eindelijk op gang zou komen. Het gebeurde niet. Ook de afzetting van Schimmelpenninck in 1806 en het instellen van het Koninkrijk Holland onder de Lodewijk Napoleon, een broer van de keizer, hielp niets. Toen Lodewijk Napoleon in de 4 jaar van zijn regering een  onwillige handlanger bleek van de keizerlijke despoot in Parijs, viel het besluit Holland in te lijven bij Frankrijk en dat decreet trad op 9 juli 1810  in werking.   

 

Voor de rechtstoestand in het koninkrijk, de provincies en de gemeenten had de wetgeving van het Koninkrijk Holland belangrijke gevolgen. In 1809 werd in het gehele land een en dezelfde  wet van kracht, het Wetboek Napoleon, ‘ingerigt’ voor het Koninkrijk Holland. In alle delen van het koninkrijk gold voortaan dezelfde wet inzake personen en zakelijke rechten. Het Wetboek bepaalde: (dat) ‘zullen zijn afgeschaft het Roomse regt, mitsgaders alle wetten en ordonantiën, tot het burgerlijk regt betrekking hebbende en welke tot nu toe in het Koninkrijk, of eenig gedeelte van hetzelve in vigueur zijn geweest’. Daarmee kwam een einde aan een rechtspleging in het dorp, die zeker terugging tot aan de 12de eeuw. In tegenstelling tot de ver doorgedreven vernieuwingen tijdens het bewind van de Jacobijnen onder Robespierre in Frankrijk was de wetgeving van het Franse Keizerrijk en die van het Koninkrijk Holland bepaald gematigd en behoudend. Zo werden in het Koninkrijk Holland de bestuurders van nederzettingen nog steeds aangeduid als schouten en de bestuurders van landstreken als baljuws.  

 

  • De overgangstijd van 1795-1798

 

Na de geslaagde inval van de Franse troepen in de strenge winter van 1795 voltrok de Bataafse Omwenteling zich snel. Overal werden de zittende bestuurders vervangen door een Voorlopig of Provisioneel Bewind. De ambachtsheren werden van hun rechten vervallen verklaard. De godsdiensten werden aan elkaar gelijk gesteld.

 

Er kwam een Provisioneel Bestuur in Wijk aan Zee. De president was Klaas Koper en als leden traden op Barend Jan Guiking en Jacob van Aardt. Er kwam zo een feitelijke scheiding tussen bestuur en rechtspraak en die scheiding werd drie jaar later vastgelegd in de Staatsregeling van 1798. Tegelijk drong zich Cornelis Coster naar voren. Een voormalig lid van het Gereformeerde kerkbestuur, dat uit de kerkelijke dienst was gezet wegens dronkenschap en wanbeheer. De man bekeerde zich tot de Rooms-katholieke kerk en wierp zich met succes op als schout en secretaris van Wijk aan Zee. Hij ging met willekeur te werk en zette de vuurboetmeesters met drogredenen uit hun ambt, omdat hij hen van Oranjegezindheid verdacht. Hij werd na onderzoek gedwongen de maatregel ongedaan te maken. In 1804 had men eindelijk genoeg van hem en werd hij zelf ontslagen.

 

Het bestuur van het dorp telde niet alleen een schout en vijf schepenen, maar ook nog een secretaris, twee opzieners van het Gasthuis, een schoolmeester tevens voorzanger in de kerk, een gerechtsbode en een visafslager. Tot aan 1811 bleef dat zo voortbestaan. Bij de machtswisseling van 1795 ging het er vooral om, dat aanhangers van de Oranjepartij plaats maakten voor de vernieuwers. Om die reden moesten de nieuwe ambtsdragers een eed afleggen, waarin zij hun trouw zwoeren aan het Bataafse Volk en hun afkeer van het verdreven Oranjebewind.

 

4.5            Het baljuwschap Wijc op See in de Republiek (1579-1795)

 

  • De Republiek zonder grondwet

 

De Unie van Utrecht van 1579 was een verdrag tussen de ‘geunieerde provincien’. Men zou samen en in vereniging zich te weer stellen tegen vreemde overheersers. En men zou zich niet verbinden met vreemde mogendheden anders dan met toestemming van de overige ondertekenaars van het verdrag. Een bepaling verbond allen: vrijheid van geweten. Eenieder mocht geloven wat hij wilde. Vrijheid van godsdienstuitoefening werd alleen toegestaan aan de Gereformeerde kerken. In later tijd genoten andere kerkgemeenschappen een beperkte vrijheid, al dan niet na betaling van steekpenningen aan de plaatselijke grootheden, vooral baljuws.

 

Het geheel van de zeven provincies begon men aan te duiden als de ‘Generaliteit’. Het Unieverdrag kende twee organen: de Staten-Generaal en de Raad van State. De Staten-Generaal ontwikkelenden zich tot het overlegorgaan van de gewestelijke staten en de vertegenwoordigers waren doorlopend in zitting bijeen. Voor onvoorziene zaken moesten de  afgevaardigden terug naar hun gewest om ‘ruggespraak’ te houden, om vervolgens met een aangepaste opdracht naar ’s-Gravenhage terug te keren. De Raad van State droeg de mogelijkheid in zich om uit te groeien tot een regeringsorgaan van de Generaliteit maar dat is er nooit van gekomen. De voornaamste reden is, dat de belastingheffing voor de betaling van de oorlogslasten niet via de Generaliteit, maar via de gewesten verliep. Tegen de oorspronkelijke bedoeling in. Met het beheer van de vloot ging het al niet anders, maar liefst vijf Admiraliteiten beheerden een eigen zeemacht. De zorg voor de buitenlandse zaken kwam niet terecht bij de Raad van State, maar bij een speciale commissie van de Staten-Generaal die het Geheim Besogne werd genoemd. Secretaris van deze commissie waren de opeenvolgende secetarissen (raadspensionarissen) van de Staten van Holland. Zo konden Johan van Oldebarnevelt ( † 1619) en Johan de Wit († 1672) tegenover machthebbers in den vreemde optreden alsof zij minister van buitenlandse zaken waren.

 

De toch al losse Unie van Utrecht van 1579 miste voor een groot deel zelfs het verband dat nog in het verdrag was vastgelegd. Omdat de zeer eigengereide gewesten daar geen uitvoering aan wensten te gegeven. Hoe vreemd het geheel samenhing, mag blijken uit het feit, dat het gewest Friesland bij gelegenheid zijn bijdrage aan de Staatse troepen weigerde te betalen. Omdat de Kapitein-Generaal van de Staatse troepen, prins Maurits, ten strijde trok tegen het zuiden en niet tegen Spaanse vestingen in de Achterhoek zoals Friesland dat gewenst had. Dat het systeem, weliswaar kreunend en steunend tot 1795 overeind is gebleven, is daarom te meer opvallend. Tot aan dat jaar lagen buiten het gebied van de Unie nog het land Drenthe en de zogenaamde Generaliteitslanden. Het ‘landschap’ Drenthe was ooit een afsplitsing geweest van het Overstichtse deel (Overijssel) van het middeleeuwse bisdom Utrecht (‘Sticht). Men vond het land te onaanzienlijk om het tot provincie te verheffen en zo werd het ook nooit deel van de Unie. De Generaliteitslanden, dat waren de gebieden, die op het zuiden veroverd waren tijdens de veldtochten van de legeraanvoerders Maurits en Frederik Hendrik. Te weten: Zeeuws-Vlaanderen, delen van het noorden van Brabant en delen van Limburg. Zij werden vanwege de overwegend Rooms-katholieke bevolking beschouwd als onbetrouwbaar en buiten de Unie gehouden. Wel zagen de Staten-Generaal de vele mogelijkheden van deze gebieden als wingewesten.  

 

Al spoedig werd duidelijk, dat enkele voorzieningen noodzakelijk waren voor een verantwoord bestuur. Daarom vaardigen op 1 april 1580 de Staten van Holland de Politijcke Ordonnantie uit. Een samenvatting van bepalingen die betrekking hebben op het personenrecht, het huwelijksrecht en het erfrecht. Zij, die tot een ander genootschap behoren dan de Gereformeerde kerk, moesten hun huwelijk voor de magistraat sluiten. Wat er in Wijc op See op neerkomt, dat twee schepenen zitting hielden in het rechthuis van de dorpsgemeenschap, de herberg De Moriaen. In de ordonnantie duiken nog eenmaal twee oude rechtsbegrippen op, het wijsdomsrecht en het aasdomsrecht. Begrippen, die waren afgeleid van het wijzen van doemen (vonnissen) door de rechtbank van schepenen en het ‘vinden’ van doemen[5] door de middeleeuwse azygen en de Oudfriese  asegga’s. In de rechtspraktijk van de 16de eeuw waren deze begrippen verbonden geraakt met het erfrecht. In de Politijcke Ordonnantie verklaarden de Staten van Holland het wijsdomsrecht voor geldend erfrecht in het gehele Noorderkwartier van  Holland (Kennemerland, het Kennemer Gevolg, Waterland en Westfriesland) . Dat schoot de betrokken steden en ambachten in het verkeerde keelgat en de Staten van Holland moesten reeds na enkele maanden de nieuwe bepaling in de Ordonnantie aanpassen bij de Acte van Moderatie van 6 augustus 1580. Eerst 19 jaar later kondigden de Staten van Holland een aangepaste uitwerking van het aasdomsrecht af en dat ging gelden voor het gebied benoorden de lijn Den Haag-Gouda. Tot 1809 bleef het dan ongewijzigd.

 

De rechtsgeleerde Hugo de Groot vermelde deze verandering en de aanpassing die daarop volgde in zijn boek ‘Inleidinge tot de Hollandsche Rechts-Geleerdheid’. In vele opzichten een magistraal werk. De Groot schreef het als leerboek omstreeks 1620 voor zijn zoons terwijl hij voor levenslang gevangen[6] zat op het slot Loevestein. Hij gebruikt een methode van indeling, die hij ontleende aan rechtsgeleerden uit de Romeinse tijd, Gaius in zijn leerboek (1ste eeuw) en het Corpus Iuris van de Byzantijnse keizer Justinianus (6de eeuw). Deze indeling is later toegepast op het Burgerlijk Wetboek. Niet alleen zoals wij dat kennen, maar al sinds 1838. De tweede stap van De Groot is wel heel bijzonder, zeker voor zijn tijd. Hij maakte het recht los van God de Schepper en daarmee van de christelijke zedenleer. Hij wees op uitspraken van geleerde schrijvers uit de Oudheid, de Middeleeuwen en zijn eigen tijd. Hij verbond daaraan de slotsom, dat als zoveel mensen uit zoveel verschillende tijdperken en culturen hetzelfde beweren, dat hun rechtsbesef dan wel moet voortkomen uit hun menszijn, uit hun natuurlijke staat. Als politicus, als advocaat en als gezant was Hugo de Groot een mislukking, in zijn vele geschriften was hij echter een groot talent en in zijn studies van het Zeerecht, het Oorlogsrecht en het Hollandse Recht was hij een genie. Aan zijn belang voor het internationale echt en het volkerenrecht is het wellicht niet vreemd, dat Den Haag nu zoveel internationale gerechtshoven telt. Vondel schreef over Hugo de Groot deze dichtregels:  

‘Hoe zou de duisternis dit Hollands licht gedogen

Dat al te hemels scheen in aller blinde ogen

Het ging een wijle schuil om klaarder op te gaan 

Wij haten ’t grote Licht, een ander bidt het aan  

 

Waarmee Vondel maar zeggen wilde, dat het buitenland De Groot het beter op zijn verdiensten voor het recht wist te waarderen dan zijn geboorteland Holland.

 

In 1581 voelden de Unielanden zich sterk genoeg om hun band met de landsheer door te snijden. Philips II was niet langer graaf van Holland en Zeeland, heer van Friesland, hertog van Gelre en welke andere titel hij ook maar mocht dragen binnen de grenzen van het Uniegebied. In de Akte van Verlatinghe stond (met zoveel woorden) dat het bewind van de vorst zijn onderdanen tot heil moest strekken, dat hij hun rechten voor onaantastbaar moest houden en ze moest eerbiedigen. Zo niet, dan was hij verworden tot een tiran, aan wie men geen dienst of eerbetoon was verschuldigd en aan wie de ooit afgelegde eed van trouw niet langer bond. Naar zijn strekking was deze stelling een herhaling van het beginsel dat Philips van Leyden schreef in 1357. Nog enkele jaren hebben de Unielanden gezocht naar een nieuwe soeverein als plaatsvervanger van Phlips II.

 

Op het bestuur van steden en landstreken in de Nederlanden, meer in het bijzonder in het gewest Holland, hadden al deze staatkundige ingrepen geen enkel gevolg. Het lag in de aard en bestaansreden van de Unie besloten, dat alles onveranderd bleef omdat het nu eenmaal gegrondvest was op de stadsrechten en handvesten, die men in de Late Middeleeuwen aan de graaf had weten  te ontwringen. Rechten, die men zo goed en zo kwaad als dat ging ook tegenover Filips en Karel van Bourgondië en ook tegenover Maximiliaan en Karel van Habsburg had weten staande te houden. Waar men hard voor had gestreden tegen de veldheren van Philips II.     

 

Of men het nu wilde of niet, toch moest er iets veranderen. Zodra men zich van de landsheer van Philips II, als graaf van Holland had afgewend, was er geen persoon die deze waardigheid op zich kon nemen. Na de mislukte proefnemingen met Anjou en Leicester kwam Willem van Oranje steeds meer in beeld. Hij zou dan niet langer de plaatsbekleder, de stedehouder van de graaf van Holland zijn, maar zelf tot de grafelijke waardigheid verheven worden. Zijn dood in 1584 verhinderde dat. De Staten van Holland, als hoogste bestuurscollege van het gewest, trokken de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de grafelijke waardigheid voorgoed aan zich en tot aan 1795 veranderde dat niet meer. In 1648 bij de Vrede van Munster werden de zeven Unielanden erkend als een republikeinse eenheid van bestuur. Naar het international protocol in gelijke rang met de Republiek Venetië en verre de mindere van de koninkrijken en vorstendommen.

 

Zo bleven de baljuws van de landen van Blois naar de vorm leenman en zij waren ondergeschikt aan de Staten van Holland, hun ‘leenheer’. Om hun ambt te mogen uitoefenen, moesten zij een pachtsom betalen aan de Staten. Dat geld konden zij dan weer terugwinnen uit de boetes en andere gerechtelijke inkomsten in hun ambtsgebied. Soms liep dat niet goed af. Bleef een baljuw slechts korte tijd in het ambt en moest hij het wegens knoeierijen of ziekte voortijdig opgeven, dan ontstond een schuld voor hem of bij voortijdig overlijden een schuld voor zijn erfgenamen. In dat geval werd een ander vermogend heer aangezocht om het ambt te bekleden en hij betaalde dan zowel de pachtsom als de openstaande rekeningen van zijn voorganger.  

 

In de jaren ‘20 van de 18de eeuw besloten de Staten van Holland over te gaan tot verkoop van enkele schoutsambachten en heerlijkheden. In Midden-Kennemerland verzette Beverwijk zich daar heftig tegen. Het leidde tot uitstel, maar niet tot afstel. In 1730 kocht Frans van Harencarspel, een rijke stadsbestuurder uit Amsterdam, de drie schouts-ambachten met de naam Wijc: te weten Bever-Wijc, Wijc in ’t Duyn en Wijk op See. Hij werd baljuw van de drie ambachten en tevens schout van Bever-Wijc. De ambachtsheer vestigde zich op de buitenplaats De Schans, die aan het noordelijke uitiende van de Breestraat lag. Hij overleed in 1757; een praalgraf in de Grote Kerk van Beverwijk herinnert nog aan zijn bestaan. Tot zeker 1825 hebben zijn nazaten het bestuur over het gezamenlijk gebied van de schoutsambachten in handen gehad, zij het met uitzondering van de Franse Overheersing (1795 – 1813). Met deze verkoop in 1730 zagen de Staten van Holland af van de telkens weerkerende pachtsom en zij verzilverden hun grafelijke rechten eenmalig.

 

Tussen de Baljuw van de Landen van Blois en die van de Wijc bleef eenzelfde verhouding bestaan als in de eeuwen daarvoor. Reeds lang was het niet meer zo dat niet de allerhoogste heren van het graafschap de schoutenfunctie bekleedden. Voortaan benoemden Van Harencarspel en zijn erfopvolgers een schout in Wijc, Wijc aan ’t Duyn en in Wijc op See. Hoe zeer het ambt aan betekenis had ingeboet, dat bleek wel uit de nevenwerkzaamheden van de schouten in Wijc op See.  Gijsbert van Bergen, die het ambt niet minder dan 37 jaren heeft bekleed van 1731 tot 1768, was in het dorp ook werkzaam als winkelier, biersteker en bakker, verder vervulde hij de openbare taken van gerechtsbode, belastinggaarder en visafslager.    

 

4.6         De ‘banne’ Wijc op See in de Middeleeuwen (1050-1579)

 

  • Het Habsburgse vorstenhuis en de Opstand

 

Ruim genomen, zagen tussen 1520 en 1570 de opeenvolgende baljuwen van de Landen van Blois en de schouten van het ambacht Wijc op See zich geplaatst voor een geheel nieuw vraagstuk. Tal van gelovigen voelden zich aangetrokken tot de nieuwe protestantse leer en keerden zich af van de aloude kerk van Rome. De keizer van het Heilige Roomse Rijk, Karel V, vorst in de Lage Landen kreeg er als eerste mee te maken. Na de Rijksdag in Worms in 1521, waar Luther voor hem verscheen, wierp Karel zich op als beschermer en verdediger van het Roomse geloof. Als gelovig Rooms-katholiek kon hij moeilijk anders. De paus had als hoofd van zijn kerk, de nieuwe leer en zijn volgelingen in de ban gedaan; de zwaardmacht van het wereldse gezag had de kerk in deze maar te volgen. In strenge plakkaten verspreidde Karel dan ook zijn verbod van het nieuwe geloof en hij spoorde de gezagsdragers in de Nederlanden aan om de vervolging van de ‘ketters’ met kracht ter hand te nemen. Nu wilde het geval, dat in het graafschap Holland de stadhouder, de baljuwen en de schouten de geloofsijver van hun vorstelijke opperheer bepaald niet deelden. Zij gingen in de meeste gevallen alleen tot vervolging over als de ketterij de openbare orde dreigde te verstoren. Dat kon zijn, omdat de bekeerlingen tot het Protestantisme in hun geloofsijver wat al te fel en te dikwijls van leer trokken tegen de kerk, haar eigendommen en haar dienaren. Dat kon ook zijn als de bekeerlingen zich richtten tegen de overheid zelf. Dan was de maat gauw vol. Zo staat de gestrenge aanpak van de opstandige Wederdopers in scherp contrast tot de bejegening van de Doopsgezinden of Mennonieten. Ook de volgelingen van Luther liet men als regel ongemoeid. Eerst tegen het midden van de 16de eeuw drong de invloed van Calvijn in de Nederlanden door, de Calvinisten waren kort na de Hervorming nog geen groep van betekenis.

 

Het baljuwschap van de Landen van Blois en het schoutsambacht van Wijc op See waren in deze gematigde aanpak zeker geen uitzonderingen. Voor zover uit de zittingsverslagen van de schout en baljuw valt op te maken is in de Landen van Blois en in Wijc op See niemand om het geloof vervolgd en berecht.

 

Toch werd de vervolging van ketters verder op de spits gedreven, toen Karel V in 1555 afstand deed ten gunste van zijn zoon Filips II. Die zag het als een levensopgave en een goddelijke roeping om het Protestantisme van het aardoppervlak weg te vagen. Ging de gerichte opsporing van ketters onder het bewind van Karel V de gezagsdragers in de Lage Landen al te ver, de gewelddadige ingrepen van Filips II in 1568 gingen hen veel te ver. Vooral omdat zij de aanpak van de geloofskwestie in de eerste plaats zagen als een verfoeilijke inmenging in eigen aangelegenheden. Bovendien waren de openbare orde en het algemeen belang beslist niet gediend met een jacht op hardwerkende en getrouwe burgers. Recht en rede moesten het, zoals zo vaak in zaken van geloof, uiteindelijk toch afleggen tegen onderdrukking en wapengeweld. Voor de opstand werd de kiem gelegd in 1568. De Unie van Utrecht kwam tot stand in 1579. Zeker geen bondstaat, nauwelijks een statenbond, weinig minder dan een bondgenootschap, veel meer een verdragsorganisatie met een beperkte doelstelling. Namelijk de verdediging van grondgebied en van het wettelijk erfgoed. In het bijzonder dat laatste, de ooit verworven rechten.

 

Als voornaamste reden voor de opstand is niettemin de scherpe vervolging van de Protestanten tijdenlang naar voren gebracht. Meer dan een 19de eeuwse overdrijving van ‘Protestantse heldhaftigheid’ is dat echter nooit geweest. De ‘kettervervolging’ was hooguit de onmiddellijke aanleiding tot de opstand. De oorzaken wortelden dieper en lagen ook verder terug in de tijd. Reeds in de 13de en 14de eeuw hadden de handelsteden en welvarende heerlijkheden in deze streken zich verzekerd van vele voorrechten, ‘costumen’ of ‘privileges’, zoals die toen heetten. Van oorsprong kwamen die privileges toe aan de graven, hertogen, heren en andere gebieders in de Lage Landen. Maar die hoogheden waren voortdurend gewikkeld in een onderlinge strijd. Voor leeftocht, wapentuig en manschappen moesten zij steeds vaker een beroep doen op krachtige geldschieters. Dat waren de steden en de rijke landstreken in hun gebied. Die gemeenschappen waren bereid tot steun, mits het strookte met hun belangen. De grafelijke bede werd dan ook dikwijls verhoord, maar altijd in ruil voor een gunst of gebaar. Vrijdom van tolgelden, stadsrechten, muntrecht, uitbreiding van stadsrechten, de reeks is nagenoeg onuitputtelijk en onoverzienbaar. Zo nam in Holland de macht van de lagere leenmannen af en steeg de graaf in aanzien en invloed. Die stijging ging lang gelijk op met de macht van de steden, hun handel en hun ommelanden. Zo groeide het graafschap Holland tussen 1150 en 1450 steeds meer uit tot een verzameling rechtskringen van ongekende verscheidenheid. Een getrouwe afspiegeling van de geldnood-zonder-eind van de graaf. 

 

Bij het aantreden van de hertog van Bourgondië, Philips de Goede, als landsheer in de Lage Landen in 1433, kwam de omslag. De hertog, maar nog meer zijn zoon Karel de Stoute streefden naar een betere afstemming en een grotere eenheid van bestuur in hun gebieden. Er kwam een Grote Raad in 1445. De Staten-Generaal vormden sinds 1464 het overkoepelend overlegorgaan van de gewestelijke of Provinciale Staten. Het oude verbond van de opperste landsheer met de machthebbers in stad en ommeland dreigde uiteen te vallen. De hertog trok het muntrecht, het geldbeheer en de belastingheffing naar zich toe. De vroegere bondgenoten kwamen steeds meer tegenover elkaar te staan. Aanstonds was de strijd niet beslist; zeker niet. Karel de Stoute sneuvelde in 1477, zijn dochter Maria van Bourgondië moest alle ‘geschonden’ privileges in rechte herstellen en verleende daartoe op 2 februari 1477 het Groot-Privilege. Haar echtgenoot Maximiliaan van Oostenrijk en haar kleinzoon Karel V poogden meestal met beleid en geduld, soms met geweld, de schade te herstellen. Maar de Lage Landen bleven op hun middeleeuwse voorrechten bedacht. En de opkomst van het Protestantisme zette de twist over de bevoegdheden van het centrale gezag en die van de gewesten, op het scherpst van de snede.

 

De ‘banne’ Wijc op See paste naadloos in dit grotere geheel. Mensen van verschillend geloof stonden elkaar niet naar het leven, men trachtte de oude gebruiken in bestuur en rechtspraak te bewaren. De schout en schepenen van het dorp zochten in hun bestuur tegelijk voortvarend en wijs te handelen. De pastoor van het dorp toonde zich gematigd en lijdzaam, hij bleef de Moederkerk trouw en Wijc op See volgde hem daarin. De beeldenstorm van 1566 was aan Wijc op See geheel voorbijgegaan, de ‘beroerten’ van 1568 hadden het dorp nog ongemoeid gelaten. Maar de veldtocht van 1572 en 1573 van Alva tegen Haarlem en Alkmaar bracht grote schade mee, vooral aan de Sint Odulphuskerk op het dorpsplein. Het duurde nog tot 1577 voordat de Spaanse bezettingstroepen wegtrokken uit Kennemerland. De strategische landengte tussen de Noordzee en het Wijkermeer ter hoogte van Wijc op See gaven zij daarmee prijs aan de Opstand. Wijc op See was neergeslagen en gebogen, maar zeker niet gebroken.

 

  • Het Henegouwse en Beierse gravenhuis

 

De lotgevallen van het schoutenambacht Wijc op See  en het baljuwschap van Blois zijn nogal bewogen geweest onder het bewind van de Beierse graven. Wellicht is dat de reden, waarom de opeenvolgende graven sinds 1397 geen van hun getrouwen nog tot baljuw aanstelden. Zij behielden het ambt aan ’s-graven  boezem’ geklemd. Een ‘clerc’ van de grafelijke kanselarij nam sindsdien de functie waar. Mogelijk waren de graven van het Beierse Huis te druk doende met het versterken van de eigen macht of stelden zij in niemand voldoende vertrouwen om dit ambt, deze sleutelpositie, in leen uit te geven. Want opnieuw speelde de landengte van Kennemerland een rol van strategische betekenis in het krijgsbedrijf. Herhaaldelijk kwam het tot belegering van kastelen, waaronder die van ‘Heemskerk’, ‘Adrichem’ en ‘Haerlem’ als de meest bekende. De graaf voer wel bij al deze schermutselingen, mits hij de Kabeljauwen (de stedelijke partij) maar steunde. Zo was in een opvolgingsgeschil uiteindelijk graaf Willem V met steun van de steden aan de macht gekomen in 1357. Hij was het dan ook, die de geleerde Philips van Leyden het tractaat De Cura Reipublica et Sorte Principantes, liet schrijven over de zorg voor de publieke zaak als vorstelijke taak. Het kwam er op neer, dat de landsheer weliswaar regeerde bij de gratie Gods, maar dat hij toch in de eerste plaats het volk had te dienen. Zo niet, dan moesten ‘onse (ge)goede steden’ hem uit het ambt kunnen zetten[7]. Na een reis naar Engeland, keerde Willem krankzinnig terug; als gevolg van een beroerte.

 

Heel anders verging het sinds 1417 Jacoba van Beieren in haar strijd om de macht. Zij verbond zich met de Hoekse partij (van de hoge adel) en zij moest na vele verwikkelingen en even zovele gelegenheidshuwelijken  zich uiteindelijk in 1433 gewonnen geven. Maar niet voordat op de landengte van Kennemerland nogmaals enkele kastelen van partij waren gewisseld na belegering en  inname. Zoals ‘Cronenburg’ bij Castricum en ’Huis ter Wijc’ benoorden Beverwijk.

 

De heren van het Henegouwse Huis, de voorgangers van de Beierse graven, volgden een andere aanpak. Jan II trad in 1299 aan in een baaierd van geweld en wanorde. De graaf van Vlaanderen, de Rooms-Koning Albrecht en de Zeeuwen zaten hem op de huid en keer op keer was zijn positie zo bedreigd, dat zijn gezag wankelde. Kort na de eeuwwisseling trad toch enige rust in en beleende hij in 1303 zijn broer, Jan van Blois, met het baljuwschap op de landstrook tussen de Noordzee en het Wijckermeer. In deze omgeving omvatte het baljuwschap niet alleen het schoutsambacht Wijc op See, maar ook het ambacht Wijc in ’t Duyn en verder enkele hoogheidsrechten in Krommenie, Krommeniedijk, Westzaan en Assendelft. Na de dood van Jan II vond zijn opvolger graaf Willem III de tijd gekomen en wel in 1313 om aan het baljuwschap van Blois hoge jurisdictie toe te kennen. En dat was de laatste, dunne draad, die het baljuwschap van Blois nog verbond met het baljuwschap van Kennemerland; het stond sindsdien in rechte geheel op zichzelf. Voortaan had de baljuw van Blois het recht de plegers van zware misdrijven te vervolgen, voor het gerecht te brengen en na de berechting de lijfstraffen aan hen te voltrekken. In zulke gevallen spande de baljuw, samen met zeven leenmannen de hoge vierschaar. Ter zitting kwamen eerst de bekentenissen van de verdachten aan de orde, daarop stelde de baljuw de eisen. Na beraad van de rechtbank las de baljuw het vonnis voor aan de schuldigen. Daarna werd de veroordeelden enige tijd gegund om van het vreselijke oordeel te bekomen en bijstand te ontvangen van een geestelijke, voordat zij naar de galg werden geleid of naar het schavot om te worden ‘ontlijfd’ door radbraken, verwurging of dodelijke verminking. Kwam het niet tot de doodstraf dan werden zij in het openbaar gegeseld of gebrandmerkt voor zij werden gevangen gezet of verbannen.  

  

De baljuwen van Blois hebben macht binnen het graafschap van Holland niet misbruikt, althans niet openlijk. Maar het kan ook toen aan niemand ontgaan zijn, dat het baljuwschap van Blois bijna een staat in de staat vormde. Want behalve leenrechten in Midden-Kennemerland vielen onder de Landen van Blois ook nog eens het schoutsambacht van Noordwijk en een reeks van rechten en gebieden rondom de Maasmonding. Dit merkwaardig geheel van gebieden, was ooit vergaard door Wolfert van Borssele in nauwelijks drie jaren tussen 1296 en 1299

 

  • Het Fries-Hollandse gravenhuis

 

Wolfert van Borssele was aangesteld in 1296 tot voogd over Jan I, toen 12 jaar oud. De vader, graaf Floris V, werd in dat jaar bij het Muiderslot vermoord. Wolfert heeft zijn macht als voogd gebruikt, zo niet misbruikt, om beleend te worden met vele gebieden en rechten in de graafschappen Holland en Zeeland. Een deel van deze gebieden was gelegen op de landengte van Kennemerland en ten oosten daarvan: Westzaan, Assendelft met name. Hij had als baljuw in ieder geval de schoutsambachten van Wijc op See, Wijc in ’t Duyn en Wijc onder zich. Hij wist de graaf zo te bewerken, dat deze in 1296 stadsrechten verleende aan het ambacht Wijc. Hij legde het er op aan, dat vele inkomsten niet zoals gebruikelijk aan de graaf, maar aan hem als baljuw van Wijc toekwamen. In Rotterdam speelde hij bij de toekenning van de stadsrechten aldaar in 1299 eenzelfde bedenkelijke rol. Het mocht hem niet lang baten, want bij zijn poging om de jonge graaf te ontrekken aan invloeden van het hof en de kanselarij in ’s-Gravenhage overspeelde hij zijn hand. De ontvoering werd onderschept en in het gevecht dat daarop te Delft volgde, vond Wolfert van Borssele de dood.

 

Het bewind van de laatste graaf uit het Hollands-Friese Huis stond geheel in het teken van de kuiperijen van Wolfert van Borssele. De graaf stierf in 1299, te jong om zelf zijn stempel nog te drukken op de geschiedenis van Holland. Ook al hadden de vooruitzichten nog zo gunstig geleken. Zijn vader Floris V regelde reeds bij zijn geboorte een huwelijk met Elisabeth, een dochter van de Engelse koning, Edward I, dat in 1297 werd voltrokken. Dat huwelijk bezegelde niet alleen de hoge dynastieke positie van de graven van Holland. Het bekrachtigde ook nog eens, dat Holland en het Britse Koninkrijk bondgenoten waren in hun strijd tegen de Franse koning. De oudste en grootste handelstad van het graafschap, de stad Dordrecht, werd in plaats van Brugge tijdelijk dé stapelplaats voor Engelse wol, die wachtte op doorvoer naar het achterland. In omgekeerde richting dreven houtvlotten de Rijn af naar Dordrecht om vandaar naar Engeland verscheept te worden. Belangrijker was nog, dat er in Dordrecht een wisselkantoor kwam om de handel en het geldverkeer beter op elkaar af te stemmen. Het werkkapitaal van het wisselkantoor was een deel van de Engelse schatkist, dat daarvoor van London naar Dordrecht was overgebracht. Met deze steun in de rug stond Floris V omstreeks 1290 op het toppunt van zijn macht. Maar toen hij zes jaar later vriendschap sloot met de koning van Frankrijk, wilden enkele edellieden hem ontvoeren en uitleveren aan de Engelse koning. Zij hadden nog oude rekeningen met hem te vereffenen, zoals zijn ‘bondgenootschappen’ met de bestuurders in de steden en de huyslieden op het platteland; bondgenootschappen die de macht van de adel sterk hadden beperkt.

 

Na een strijd, die al in de 10de eeuw was begonnen, was Floris V er eindelijk in geslaagd de West-Friezen te onderwerpen in 1289. Ditmaal kwam de Hollandse hoofdmacht niet over land, maar over de Zuydersee. Zonder steun van het snel opkomende Amsterdam, zou zo’n aanval ondenkbaar zijn geweest. Het belang van Amsterdam bij het welslagen van deze ‘heertocht’ was groot; eindelijk zou de doorvaart tussen Stavoren en Medemblik gevrijwaard zijn van Westfriese kapers. In deze samenhang paste de bouw van de dwangburcht Radboud in Medemblik. Vanuit die versterking kon men de Westfriezen onder de duim te houden. In het zuiden had graaf  Willem II al de burchten Middelburg en Torenburg opgericht nabij Alkmaar om de Westfriezen de doortocht naar het zuiden te beletten. Verder verzekerde hij zich van de trouw van de Alkmaarders door hen in 1254 stadsrechten te verlenen. Ook hier: steun en geld in ruil voor stedelijke rechten, inzonderheid vrijheid van handel en handelen.

 

In het gevecht met de Westfriezen, was de steun van Amsterdam aan graaf Floris doorslaggevend, maar niet wezenlijk. Om de grafelijke macht voor hemzelf en zijn opvolgers voorgoed te vestigen, moest hij ook nog  eens de steun verwerven van het Kennemer volk. Van die steun kon hij niet zeker zijn. Al eerder, in 1268, in 1272 en 1274 waren de Kennemers in opstand gekomen, omdat zij zich als vrije mannen ernstig benadeeld voelden door de leenmannen van de graaf. In 1291 vaardigde Floris V een Handvest uit, waarin hij de rechten van de ‘huyslieden’ meer nauwkeurig vastlegde.

Het Handvest had een rechtstreeks gevolg voor het bestuur en de rechtspleging in de ambachten, waaronder Wijc op See. De oude rechtbank van buren werd opgeheven. In de plaats daarvan kwam er een rechtbank van schout en schepenen, de schepenbank. De veranderingen, die het Handvest van graaf Floris aanbracht, lieten het oude recht ongemoeid. De schepenen moesten rechtspreken als waren zij ‘azygen’, een Middelnederlandse verbastering van het Oudfriese woord asegga’s. Het ging vooral om een aanpassing van het procesrecht. Men ging over van het aasdomsrecht naar het wijsdomsrecht. Gerechtelijke oordelen waren niet langer vondsten (vonnissen) maar zij werden gewezen, mogelijk aan de hand van vindplaatsen in de keuren (regelingen), die de schepenbank voortaan mocht afkondigen.

 

Voordat de schepenen hun ambt mochten uitoefenen, moesten zij echter wel eerst aangewezen zijn door de zittende schepenen, aangevuld met twee kiesmannen. Dat gebeurde op de Grote Vastenavond voor Pasen. Zij moesten de goedkeuring hebben van de baljuw en de eed van trouw aan de graaf hebben afgelegd. Hun zittingsduur bleef beperkt tot drie jaren. Zo zocht de graaf een eind te maken aan de grieven van de Kennemers, die zich beklaagden over de rechtsongelijkheid ten opzichte van de landadel. Voortaan was de rechtsgang tot in de kleinste rechtskringen, de ‘bannen’ of schoutsambachten van Kennemerland met meer vormelijke waarborgen omkleed. De schout moest optreden als voorzitter, als eisende partij en rechtsvoltrekker, maar hij had zich te voegen naar het rechtsoordeel van de schepenen. Op de zitting kwamen zij tot hun uitspraak buiten aanwezigheid van de schout en in onderling beraad. Wie het met de uitspraak niet eens was, kon daartegen in beroep komen bij de ‘baljuw en zijn mannen’, maar de schout was van dat recht op beroep uitgesloten. Maar, hij die in hoger beroep opnieuw in het ongelijk werd gesteld, die verbeurde wel een som van niet minder dan tien ponden.

 

Het griefde de huislieden het meest, dat de welgeborenen wel en zij niet waren vrijgesteld van grondbelasting, het schot. Het was te duidelijk, dat de zittende adel hun familieleden die buiten de erfopvolging vielen (welgeborenen), de hand boven het hoofd hield, zonder zich daarbij in te houden[8].

 

Bij de oude rechtspleging lag de gang van zaken ter zitting minder overzichtelijk. In alle Friese nederzettingen gold sinds onheugelijke tijden, de ‘ewa’ (Latijn: aevum).  Dat was het oerrecht van de Friezen. In de van oorsprong Friese nederzetting Wijc op See gold dat oude, ongeschreven recht ook. Afgezien van een poging van Karel de Grote in de 8ste eeuw, was van dat recht namelijk nooit iets vastgelegd. Het werd van geslacht op geslacht mondeling overgeleverd en gaandeweg aangepast aan de omstandigheden en behoeften van de voortschrijdende tijd. Met name om die reden kon dit recht zich op zoveel verschillende plaatsen en zich zo lang achtereen handhaven. Het veranderde immers al naar gelang de noodzaak zich daartoe aandiende. Gerechtelijke uitspraken dienden als richtlijn voor de toekomst. Beleid kende men als zodanig niet. Binnen de Friese gemeenschappen oordeelden de ‘asegga’s’, waarin het woord ‘zeggen’ nog net herkenbaar is. Zij zegden het recht in de ‘buurgerechten’, zoals zij dachten dat het paste bij de gewoonten en gebruiken én ook bij de voorliggende zaak. Tot de invoering van het schoutenambt zullen de ‘asegga’s recht hebben gesproken onder leiding van de meest vooraanstaande ‘buur’.

 

De opkomst van het schoutenambt (scultetis ville[9])in het begin van de 12de eeuw zette de zaken onder druk. Alleen al omdat de schout een grafelijk ambtenaar was en niet tot de kring van ‘buren’ behoorde, werd hij niet gemakkelijk aanvaard in zaken van bestuur en rechtspraak. Daarbij kwam nog, dat de schouten in de ambachten op de landengte van Kennemerland tot de zeer hoge adel van het graafschap behoorden en geen van hen uitgezonderd, vertrouwelingen van de graaf waren. Dat bracht het strategisch belang van de landengte in de strijd tegen de Westfriezen nu eenmaal met zich mee, maar van deze hoge schouten viel bepaald niet te verwachten, dat zij begaan waren met de rechten van de vrije hoevenaars, de ‘huyslieden’. Integendeel.

 

Floris V nam daarom zijn maatregelen, hij vaardigde het Handvest uit, en werd in adellijke kringen sindsdien nog meer gehaat.

 

Als in andere nederzettingen in Kennemerland deed de schepenbank in Wijc op See in 1291 zijn intrede. Een verandering in bestuur en rechtspraak, die niet alleen lange tijd heeft voortbestaan, maar ook nog telkens opnieuw door volgende graven van Holland bij hun aantreden werd bekrachtigd. Dergelijke ‘confirmatiën’ zijn bekend en bewaard gebleven van hertog  Albrecht in 1361 toen hij aantrad als ‘ruwaard’(regent) voor de krankzinnig geworden Willem V. Hertog Jan van Brabant, bevestigde in 1418 de costumen van Kennemerland ook nog eens nadat hij met Jacoba van Beieren in het huwelijk was getreden. Een bijzonderheid voor deze streken was, dat de schout en schepenen in het schoutsambacht Wijc op See tevens konden optreden als dijkgraaf en heemraden. Het ambacht Wijc op See moest een deel van het onderhoud op zich nemen van de Sint Aagtendijk, gelegen tussen de Hoflanderweg en de dam in de Crommenie. Ook daar bleef in een nieuw ambt een overoude bestuurstaak naar Fries recht voortbestaan. Want een bepaling overgeleverd uit de 8ste eeuw luidde: dat een Fries zijn stamland niet alleen had te verdedigen met het zwaard en het  schild, maar ook met vork en spade. Het wetboek Lex Frisionem van Karel de Grote uit 802 maakte ook al melding van strafbepalingen voor degenen die hun verplichting niet nakwamen bij het onderhoud van dijken en andere waterkeringen.            

 

Floris V was, onder voogdij, zijn vader opgevolgd, als 2-jarige. Graaf Willem II sneuvelde in 1256 bij Hoogwoud in een te drieste poging de Westfriese vrijscharen te onderwerpen. Met paard en wapenrusting zakte hij door het ijs en werd ter plekke doodgeslagen. Willem II had de onderwerping van de Westfriezen als wapenfeit nog aan zijn curriculum vitae willen toevoegen, voordat hij naar Rome zou afreizen. Daar zou paus Alexander IV hem kronen tot keizer van het Heilige Roomse Rijk. Voor de paus daartoe bereid was, had Willem echter wel eerst de stad Aken moeten innemen om tot Rooms-Koning gekroond te worden in 1247. Voorts had hij de stad Spiers veroverd om de tekenen van de keizerlijke waardigheid in handen te krijgen; het zwaard, de kroon, de scepter en de rijksappel.

 

Voor Midden-Kennemerland is vooral van belang geweest, dat Willem II de schouts-ambachten van Velsen, Wijc, Wijc aan ’t Duyn en Wijc op See heeft ondergebracht in het baljuwschap Kennemerland in 1244. De baljuw stond tevens aan het hoofd van het Hoogheemraadschap samen met enkele edellieden als hoogheemraden. De toenemende wateroverlast, maakte maatregelen noodzakelijk die de waterstaatsbelangen van de afzonderlijke schoutsambachten ruimschoots overstegen.

 

Met de aanstelling van de baljuwen riep graaf Willem II een geheel nieuw bestuursambt in het leven. De eerste baljuw was Simon van Haerlem en hij zetelde op het slot van Heemskerk, dat later Oud-Haerlem is gaan heten. Als baljuw waren Simon en zijn opvolgers belast met de benoeming van de schouten in het baljuwschap. Onder de eerste baljuw van Kennemerland stond Albert van Velsen. Hij was schout van de drie Wijcer ambachten en van Velsen. Hij wordt genoemd in akten uit 1261 en 1263 . Deze Albert was de vader van Gerard van Velsen, die hem in deze ambachten opvolgde en tot de kring van vertrouwelingen behoorde van Floris V. Gerard van Velsen staat genoemd in enkele akten uit die tijd. De eerste akte is van 1275 waar hij onder meer aangesteld wordt als schout van Wijc op See. Zijn naam wordt opnieuw genoemd in een akte van 1276 wanneer de plaats Wijc marktrechten verkrijgt. De ambachten van Gerard van Velsen zijn in 1296 na zijn moord op Floris V overgegaan naar het baljuwschap, dat Wolfert van Borssele voor zichzelf opbouwde tussen 1296 en 1299. 

 

  • Het ambacht onder de heren van Banjaert

 

Gerard van Velsen en zijn vader Albert van Velsen waren niet de eerste schouten in de ‘banne’ van Wijc op See. Zij werden voorgegaan in het ambt door de heren van Banjaert. Ook zij behoorden tot de hoge adel van het graafschap en stonden in nauwe betrekking tot de graaf zelf . In 1162 werd ene Albert Banjaert als zodanig genoemd. Dat herhaalde zich in 1167 en 1174. Albert was telkens getuige bij verdragen, die graaf Floris III van Holland sloot met de abt van Egmond, de graaf van Vlaanderen en de bisschop van Utrecht. De zoon en opvolger van Albert, Bearn Banjaert, kwam slechts eenmaal voor in de oorkonden van die tijd en wel op 3 november 1200. Maar reeds op het eind van 1200 kwam zijn zoon Albert Banjaert II in beeld als getuige bij een overeenkomst van graaf Dirk VII. Na het overlijden van deze graaf ontbrandde de Loonse oorlog. In 1204 gaat het huis van Albert Banjaert II ten onder en werd er sindsdien geen spoor van teruggevonden. Albert Banjaert II leidde tot aan zijn dood in 1223 een teruggetrokken bestaan, want er is slechts sprake van een tussentijdse vermelding, in 1215. Het huis Banjaert, dat bedachten geschiedschrijvers in de 17de en 19de eeuw, zou gelegen zijn tussen Beverwijk en Wijk aan Zee in de duinen, richting Breesaap of daaromtrent. Een meer nauwkeurig onderzoek heeft echter aanwijzingen opgeleverd, dat het slot Banjaert mogelijk lag op het Hofland nabij Beverwijk, toentertijd Sint Agathenkirke geheten. Het is bekend, dat op dit stuk land een versterkte hoeve heeft gestaan. Deze hoeve met landerijen (‘hoflant’) is ooit in het bezit geweest van de Oost-frankische keizers als onderdeel van hun kroondomein. De bezitslijn daarvan gaat terug tot de domeinen van Karel de Grote en zelfs zijn Merovingische voorgangers, zoals Karel Martel († 741) en Pepijn de Korte († 640). In een akte van ±730 staat, dat Karel Martel (een deel van) de vroonhoeve Adrichem, gelegen ten noorden van de rivier de Felsena (Oer-Ye?) heeft geschonken aan de kerk van Velsen. 

 

  • De oorsprong van het schoutsambt

 

Het grondbezit van de heren van Banjaert maakte kennelijk eerder deel uit van een zogenaamde curtis of hofland, een keizerlijk domein, dat zich uitstrekte van het buurtschap Velsen in het zuiden tot aan Heemskerk in het noorden. Hun deel van deze curtis (‘court’) moet een afsplitsing zijn geweest van de curtis Adrichem, die binnen het kroondomein van de opeenvolgende keizers was achtergebleven. De graven van Holland maakten zich meester van dit domein in Kennemerland toen de zeggenschap van de keizer aan het eind van de 11de eeuw en het begin van de 12de eeuw nauwelijks nog iets voorstelde. Met deze naasting[10] van keizerlijk bezit traden de graven van Kennemerland  in de plaats van de vroegere eigenaars. En zo gingen de keizerlijke rechten of ‘regalia’ op hen over. Een van die rechten was het optreden als rechter. In het begin over de horigen van de curtis. Tegen het einde  van de 12de eeuw en bij het aanbreken van de 13de eeuw verdween echter de horigheid geheel, toch al niet wijd verbreid in deze streken, voornamelijk door vrijkoop. De oorspronkelijke of allodiale grondbezitters en zij die zich hadden vrijgekocht, waren in een buurtschap ingedeeld. Daar kwam, naar oud gebruik de rechtspraak in handen van een burengerecht.

 

De graaf kon deze taken niet in persoon waarnemen. Om die reden stelde de graaf een meier (maior domus) aan om het goed te beheren. Deze dienaar was geen grondbezitter in het buurtschap. Hij ontleende zijn hoge waardigheid uitsluitend aan zijn heer, aan de graaf. Als vertegenwoordiger van de grootste landeigenaar in het buurtschap mocht hij daarom nog wel de zitting van het ‘burengerecht’ bijeenroepen en deze ook wel voorzitten. Tot het beraad over het te vellen oordeel werd hij echter onder geen beding toegelaten. In de ogen van de vrije boeren was hij niets meer dan een dienstman, een grafelijke knecht. Al waren zij dan kleine heren, zij rekenden een grote knecht zeker niet tot hun gelijke. Zij wilden naar de Oud-friese ‘ewa’ als vrije mannen tot hun recht komen.  

  

Toen de heren van Banjaert tegen het einde van de 12de en het begin van de 13de eeuw  hun ambt aanvaardden, werden zij al geen meiers meer genoemd. Zij droegen de titel: schout. Ook stonden zij tot de graaf, hun leenheer, niet meer als dienstmannen of ministerialen, maar als leenmannen. In die tijd kende men op de landengte van Kennemerland drie schoutsambachten of wijken, afgeleid van het Latijnse ‘vicus’. Het waren het buurtschap Wijc aan het meer, dan verder naar het westen Wijc in ’t Duyn en aan de kust Wijc op See. De heren van Banjaert waren in elk van de deze ambachten aangesteld als schout. Zij bewoonden, vermoedelijk, een versterkt huis in Beverwijk in de onmiddellijke nabijheid van de toenmalige Sint Agathakerk, nu de Grote Kerk. Hun woonplaats en ambtszetel ‘Wijc’ is nog al eens van naam veranderd. In de 12de eeuw heette de plaats Agathakircha. Dan kwam nog eenmaal Sinte Agathendorpe voor in 1251. Die namen verdwenen in 1267 en maakten dan in akten uit volgende jaren plaats voor Wijc of Wijk en ook wel Wike. Uiteindelijk kwam vanaf 1296 de naam Beuerwijc in gebruik en daar is het sinds de 14de eeuw bij gebleven. Het voorvoegsel Bever heeft men in later tijd in verband willen brengen met bevers, die in de streek zouden voorkomen. Men heeft er ook wel eens een afkorting in gezien van ‘beêvaart. In de Middeleeuwen was de Wijc namelijk een bekend bedevaartsoord. Echter, de Vroegmiddeleeuwse naam voor de plaats is ‘Beverhem’ geweest. Die naam komt voor in een kerkelijke lijst van eigendommen. In die tijd bestond er tussen het Angelsaksisch en het Oud-fries nog een zeer nauwe taalverwantschap. Waar de oude naam Kinheim in beide talen de betekenis had van ‘het land der vaderen’ (letterlijk: vaderhuis), zo kan Beverhem of Bewerhem in die tijd betekend hebben: ‘versterkt huis’[11]. En dat zou dan, naar redelijk vermoeden, verwijzen  naar het versterkte huis van de heren van Banjaert, en bepaald ook naar de veste van hun rechtsvoorgangers. Een verwijzing die noodzakelijk was en zinvol ter onderscheiding van een tweede Wijc, dat in het duin lag en het derde Wijc, dat bij de zee lag.      

 

  • De samenhang van de ambachten in Midden-Kennemerland

 

Wat overblijft is de vraag, waarom de ambachten van deze heren en hun opvolgers zich naar het oosten uitstrekten tot en met Assendelft en Westzaan en naar het noorden toe tot en met Uitgeest en Krommenie. In deze opbouw van het gebied is- wie er ook leenman zou worden- vrijwel nooit een wezenlijke verandering aangebracht. Toch lag deze spreiding bepaald niet voor de hand; deze ambachten vormden nauwelijks een aansluitend geheel, zo rondom het Wijckermeer. Tenzij dat meer ooit kleiner is geweest en voor die veronderstelling bestaan enkele redenen.

 

In de 10de eeuw kwamen alom in Holland, Utrecht en Brabant de ontginningen op gang. Zo zijn kolonisten ook aan het werk gegaan op de veenlaag tussen de  duinen van Midden-Kennemerland en de Zaan. Een tijdperk van droogte, dat al tientallen jaren aanhield, kwam de ontginners te hulp. De grond was niet meer zo zompig als in vroeger tijden. Voor zover bekend, werkte men vanaf de duinenrij naar het oosten. De ontginningen hadden wel tot gevolg, dat de veengrond begon in te klinken; een forse bodemdaling zette dan ook in. Dat keerde zich nog geen eeuw later tegen de ontginners, die inmiddels als boeren en vissers op de nieuwe gronden een bestaan hadden opgebouwd. Het grondwaterpeil steeg zienderogen, zeker toen in het midden van de 11de eeuw aan de langdurige droogte een einde kwam en de zeespiegel ging stijgen.

 

De rampspoed kende nog geen einde. Het weer werd onstuimiger onder invloed van de klimaatverandering. Het stormde  vaker en harder. Het Oer-IJ sloeg vanuit het zuidwesten en het westen grote stukken van dit veenland weg.  De boeren, die het trof, moesten een goed heenkomen zoeken. Enkelen van hen mochten zich per gratie vestigen in het hart van het grafelijk domein op de plek, die Wijc op See is gaan heten. Met medeneming van have en goed én van hun rechtspositie. Als ontginners hadden zij namelijk de stand van vrije mannen, die van ‘huyslieden’ verworven. Dat gebeurde in de 11de eeuw wel vaker als de graaf een deel van zijn ‘wildernisse’ uitgaf voor ontginning. Toch was het een opmerkelijke verworvenheid in de toenmalige standenmaatschappij, die de stichters van Wijc op See meenamen naar hun nieuwe nederzetting. Want anders dan de voormalige horigen uit het schoutsambacht Wijc, hadden zij in ruil voor hun vrijheid, in het moeras nieuw land tot ontginning gebracht. Ook aan de Seecroft viel machtig veel ontginwerk te verzetten. De zandduinen moesten in hun loop worden gestuit, de vochtige duinvallei Seecroft moest van bomen en struiken worden geschoond en de Rel diende men op zijn weg naar zee te beschoeien en te beteugelen. Die arbeid leverde wat bouwmateriaal op voor hun hoeven en een schraal hooiland voor hun vee. De nieuwkomers zagen hun inspanningen echter vooral beloond met de gemakkelijke toegang tot de rijke visgronden voor de kust. De beloning die alles oversteeg, dat zij in zaken van recht en bestuur als vrije mannen hun belangen naar eigen inzicht en bevinden konden behartigen in de nieuwe nederzetting Wijc op See. Zij deden dat naar de beginselen van het Oud-Friese recht, dat in 1291 een weinig veranderde, in 1579 al wat meer veranderde en in 1809 heel veel meer veranderde, voordat het in 1838 bij de komst van Burgerlijk Wetboek zijn geldigheid geheel verloor.

 

Ruim een eeuw later, op 1 mei 1936 was het ook gedaan met de bestuurlijke zelfstandigheid. De ‘vrihede’ van Wijk aan  Zee had voorgoed opgehouden te bestaan.        

 



[1] Elke gelijkenis met het huidige bouw- en welstandsbeleid in Wijk aan Zee is ‘beslist toevallig’

[2] De Raiffeisenbank en de Boerenleenbank, vergelijkbaar: de voormalige Spaarbank van Beverwijk.

[3] Toch worden de democratische gezindheid van een samenleving en het democratische gehalte van een maatschappij nog altijd afgemeten aan de zorgvuldigheid waarmee de meerderheid aan de minderheid de ruimte laat.

[4] Om de bestuurskracht te verbeteren zijn veel gemeenten samengevoegd en kunnen de overgebleven 600 gemeenten samenwerken binnen gemeenschappelijke regelingen. De provincies bestaan nog steeds, voorheen 11, thans 12 (Flevoland). Maar hun taak en plaats stond met regelmaat ter discussie. Zo is er gedacht aan niet minder dan 28 provincies, dan weer aan 4 landsdelen en toen dat allemaal niet haalbaar bleek, werkte men aan de instelling van stadsprovincies rondom de grote steden. Ook dat plan heeft het niet gehaald.

[5] Doem betekent hier: rechterlijk oordeel

[6] Hij ontsnapte in 1621 in een boekenkist en trad in dienst van Zweden als gezant in Parijs, waar hij tegen de geslepen kardinaal Richelieu en diens opvolger Mazarin in het geheel in niet opgewassen bleek.

[7] Dit beginsel beheerst de Akte van Verlatinghe van 1581 waarin de Zeven Verenigde Provinciën breken met hun landsheer Filips II, koning van Spanje. Het uitgangspunt komt nog eens sterk naar voren in de Onafhankelijkheidsverklaring van 4 juli 1776, waarin de Verenigde Staten van Noord-Amerika de Engelse koning, Geoorde III, aan de kant zetten. In de Akte van 1581 en de Verklaring van 1776 hebben de ‘goede steden’ plaats gemaakt voor ‘ondersaten’, onderscheidenlijk, onderdanen.

[8] Nog in 1423 werd daarover een geding aangespannen voor de schepenbank van Wijc op See. De bewoner van het Huis Adrichem, Pieter van Foreest, zag zijn ‘welboren’ staat betwist, omdat men hem op zijn land in het dorp handenarbeid had zien verrichtten.

 

[9] Ville slaat hier niet op een stad, maar op een Romeinse villa, in de Middeleeuwen een vroonhoeve. Het is in deze betekenis sterker verwant aan het begrip dorp, zoals village (Fr en Eng) en aan villagio (It).

[10] Mogelijk is geen sprake geweest van een wederrechtelijke toeëigening of naasting, maar heeft graaf Gerulf de curtis in 889 ten geschenke gekregen van Arnulf van Karinthië, de toenmalige Oost-Frankische keizer.

[11] In het Angelaksisch is een be-werian een versterking. Be-weren betekende versterken, denk ook aan weermacht, landweer, brandweer in het hedendaagse Nederlands.

Erfgoed 5: Dorp en landschap

Het dorp en zijn landschap

 

Aanwas en afslag 

 

De aanwas en afslag aan de kust van de ijstijd tot aan de stichting van  Wijc op See omspant een tijd van tenminste elf millennia.

 

De laatste ijstijd, het Weichselién, eindigde ongeveer 10.000 jaar geleden. De zeespiegel stond bijna 60 meter lager dan nu. De gletsjers trokken zich terug en de Europese laagvlakte veranderde van een toendra in een steppe. In het tijdperk, dat bekend staat als het Atlanticum (6500-4000 jaar geleden) overspoelde de oceaan het Noordzeegebied en Engeland werd een eiland. Aan deze kant van het grote water bepaalden zachte glooiingen en ruggen van dekzand het landschap zo ver het oog reikte en in het westen bruiste de zee. De zeespiegel steeg met gemiddeld 3 centimeter per jaar (nu 0,15 cm). De temperatuur lag in de regel iets hoger dan wij gewend zijn. De grote en de kleine rivieren vloeiden rustig meanderend door het landschap voordat zij uitstroomden in de zee. De hogere gronden raakten overdekt met bossen. Tussen de zee en het hogere land lag het weidse getijdenbekken van Holland. De grens van het hogere land viel ruwweg samen met de westrand van de Brabantse zandgronden, de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe.  De stroom, die wij kennen als de Overijsselse Vecht stroomde toen ter hoogte van Petten in de zee.

 

In de 2000 jaar, die volgden, kwam aan de buitenrand van het Hollandse getijdenbekken  geleidelijk een strandwal te liggen. De strandwal ontstond onder invloed van de zeestroom, de getijbewegingen, de zon en de wind. Tweemaal daags drong de vloedstroom uit de Atlantische Oceaan door het Nauw van Calais de zuidelijke Noordzee binnen. Naar gelang de stroming vertraagde, sloeg meer zand neer op de ondiepe zeebodem. Na verloop van tijd lagen zandbanken als golven evenwijdig aan de dagelijkse vloedstroom. Bij eb droogden de wind en de zon de bovenste zandkorrels. De wind voerde die korrels dan mee, tot even voorbij de vloedlijn. Daar vergingen de aangespoelde resten van planten en dieren tot een humuslaagje; een vruchtbare ondergrond voor planten als de zeeraket en het biestarwegras. In luwte van deze planten vormden zich uiterst kleine zandheuvels. Onderstuiven was voor het biestarwegras geen bezwaar. De halmen verstikten niet als ze onder het zand raakten, ze groeiden naar de oppervlakte en vormden zo duinheuveltjes tot een halve meter hoog. Daarop ging helm groeien en dat kon door nog dikkere lagen zand dringen; het duintje werd dan enkele meters hoog. Een reeks van stuifduinen groeide zo uit tot een strandwal. Tientallen eeuwen achtereen sloot de zee zich zo buiten door het overschot aan zand en verlegde de kust zich naar het westen, tegen de langzaam stijgende zeespiegel in.

 

In de loop van vier millennia, tussen 6000 en 2000 jaar geleden, zijn zo drie strandwallen gevormd. De meest oostelijke wal liep over de lijn Akersloot-Uitgeest naar Rijswijk. De middenwal liep van Alkmaar over Beverwijk in de richting van Leiden en Den Haag. De buitenwal liep van Egmond over Bakkum naar het zuidwesten.

 

Achter het stelsel van strandwallen verloor de zee zijn invloed, het water kwam tot rust op de strandvlakte; de regen en het rivierwater maakten het water eerst brak en later zoet. Als gevolg van die verandering maakten de zoutminnende kwelderplanten plaats voor moerasplanten. Van jaar op jaar vormden de resten van die planten veenlagen. Dat ging zo door tot zij boven de gemiddelde waterstand uitkwamen. Toen nam het veenmos (spaghnum) de veenvorming over. Deze plant nam een meervoud zijn gewicht aan regenwater op. Zo groeiden op het oude laagveen voortaan dikke lagen hoogveen, die uiteindelijk tot enkele meters boven de zeespiegel reikten. Deze ontwikkeling werd verstoord door de vorming van uitstroomvlakten, estuaria, ter hoogte van Voorne en Bergen. Die zeegaten zorgden voor een versnelde afvoer van water uit het hoger gelegen gebied en het veen begon in te klinken. Dat ging uiteindelijk zo ver, dat het inzakkende veen en de stijgende zee elkaar naderden tot ongeveer een meter hoogteverschil. De veengebieden bleven nog in stand, goed beschermd achter de strandwallen.Totdat 2000 jaar geleden de grootscheepse zandaanvoer sterk verminderde en de voorste strandwal en het achterliggende veengebied in gevaar kwamen. De immer stijgende zee zette de aanval in. Een aanval, die tot op de dag van vandaag voortduurt.

 

Het dreigende gevaar van overstroming werd nog versterkt door het toedoen van de mensen. In de oudste tijden hadden zij zich er nog toe beperkt te jagen en te vissen in de moerassen en te wonen en te weiden op de landinwaarts gelegen wallen. In de Bronstijd en IJzertijd waren zij verder gegaan. Zij rooiden de bossen op de strandwallen, dat veroorzaakte erosie. Zij legden op de opengelegde bospercelen akkers aan. Dat verarmde de bodem en het veroorzaakte nog meer erosie. Zij legden sloten aan voor de afwatering van het veen. Zo konden zij ook daar akkers en weiden aanleggen. Verder gebruikten zij het veen om turf te steken. En door het veen te ‘zieden’ wisten zij er zout uit te winnen. De veenbodem begon opnieuw in te klinken. Schaarse delen die tot onder de zeespiegel zakten, moest men beschermen met lage kaden. Het water liep bij laag water weg door klepduikers, die loosden op de rivieren. Tussen 2000 en 1500 jaar geleden kon het landschap dat nog verdragen, maar toen het klimaat veranderde, waren de grenzen bereikt. De regenval en de wateraanvoer van de rivieren namen sterk toe. Het land raakte doorweekt en het kon zijn bewoners en het vee niet meer voeden. In de tijden van de Volksverhuizing (500-650) lagen deze streken er verlaten bij. De meeste bewoners waren weggetrokken met meenemen van have en goed.

 

Enkele eeuwen later kreeg de ontwikkeling een nieuwe wending. Het Friese ‘land der vaderen’, Kinheim, raakte herbevolkt. De zee sloeg brede stroken van de kust af en dat begon in de 10de eeuw. Voor het landschap van Kennemerland had deze kusterosie grote gevolgen. De zee zette de afslag van de lage, oude duinen, af op de zandbanken voor de kust. Wind en zon droogden het zand en dat verplaatste zich op de wind van zuidwest naar noordoost. Zo verloor het land ter hoogte van Midden-Kennemerland niet minder dan 1,5 kilometer aan de zee. Die enorme hoeveelheid zand werd voort geblazen en opgehoopt tot loopduinen van ettelijke meters hoog. De vorming van de veel hogere ‘jonge’ duinen was op gang gekomen. Deze zandruggen verzwolgen en bedolven alles wat op hun weg kwam: de schaarse akkers en weiden, maar vooral ook de lagere, oude duinen met hun plantendek. In de loop van een jaar konden deze duinwallen zich verplaatsen over een afstand van ongeveer 25 meter en zo heeft de zandmassa van het Paasduin bij Wijk aan Zee zich in de loop van een eeuw 2,5 kilometer verplaatst; onder invloed van de overheersende windrichting van zuidwest naar noordoost. Dit alles viel samen met een buitengewoon lange tijd van droogte. Minder neerslag bracht een daling van het grondwater in de duinen te weeg. Het veen in het achterland verdroogde naar verhouding ook. Van het toch al schaarse grondwater onder de duinen vloeide een belangrijk deel naar het achterland. Toen in de 10de eeuw de moerassen minder zompig werden, kreeg de ontginning van het veengebied een ongekende vlucht. Het inklinken, het dalen van de veenbodem trad nu nog sterker op. Dat zette nog eens te meer aan tot de afstroom van grondwater uit de duinen. De duinen verdroogden nog sneller en het stuiven nam hand over hand toe. Zo is het Paasduin tot aan de 11de  eeuw opgeschoven van een punt halverwege het noordelijke havenhoofd, de pier, naar de plaats waar het duin vandaag ligt.

 

Die plaats spreekt niet vanzelf. Het machtige zandlichaam zou zonder meer in de eeuwen, die volgden verder naar het noordoosten gestoven zijn. Over de Dorpswei en daar nog voorbij. Ware het niet, dat de stichters van Wijc op See de reus in de 11de eeuw tot staan gebracht hebben. Zoals zij ook het Vuurbaakduin en het Westerduin wisten te bedwingen met plaggen en de aanplant van helmgras.

 

 

De duinen in de Middeleeuwen en latere eeuwen

 

Zo lang als er mensen in het duinen hebben gezworven en gewoond, zo lang hebben zij er ook gejaagd.Vanaf de Vroege Middeleeuwen eisten de hoge heren het gebied steeds meer voor zichzelf op. Van Karel Martel is al bekend, dat hij in Midden-Kennemerland uitgebreide domeinen had. Enkele eeuwen later kreeg graaf Gerulf van keizer Arnulf van Oost-Francië (de voorloper van het Duitse Rijk) grote landgoederen als geschenk. De keizer was hem dank verschuldigd voor de moord op Rorik, de roerige Vikingheerser, de hertog van Frisia Magna. Het was ook een genoegdoening aan de graaf, omdat de hertogentitel met bijbehorende rechten niet op Gerulf was overgegaan.

 

In het hoogtij van de Middeleeuwen (875-1125) was het duingebied een woestenij, waar stormen en wind oppermachtig waren en zand het land teisterde. De weinige bewoners weidden hun vee, meestal schapen en geiten, naar eeuwenoud recht in de duinen. Met visserij en karige akkerbouw hielden zij zich in leven. Het plantendek had toen al sterk te lijden onder de vraat van de geiten. Het zou nog erger worden.

 

In de 13de eeuw liet de graaf van Holland op grote schaal konijnen uitzetten in zijn domein. Zijn leenheren volgden hem terstond. Het toch al kwetsbare plantendek kreeg nog meer te verduren. De konijnen groeven en vraten dat het een aard had en plantten zich razendsnel voort. Ook de twijgen van struiken en de bast van jonge bomen moesten er aan geloven, zeker in de winter als de grasveldjes waren kaalgevreten. Zandverstuivingen namen toe in tal en last. Toch diende het uitzetten van de konijnen geen ander doel dan het jachtvermaak van de adel. De toenemende zandverstuivingen namen de heren op de koop toe. Om de konijnenstand veilig te stellen, maakten de grafelijke jachtopzieners felle jacht op de vos en de wolf. Tegen het einde van de Middeleeuwen, omstreeks 1500, waren deze dieren in het jachtrevier uitgeroeid.

 

Alsof de overlast van de zandverstuivingen en de vraat van het wild aan de gewassen nog niet genoeg waren, eisten de heren van hoge adel ook nog dat de bevolking wildheiningen moesten oprichten en in stand houden. Niet om de wildschade op de landerijen tegen te gaan, maar om te voorkomen dat wild zou ontsnappen en in ‘verkeerde’ handen zou vallen. Dat gebeurde toch en op ruime schaal ook; de strenge keuren op stroperij met hoge straffen lieten daarover geen twijfel bestaan. In 1600 zwierven er nog ongeveer 3500 edelherten tussen Wijc op See en Bakkum in het grafelijk domein. Vijftig jaar later waren ze verdwenen. Niet alleen de bewoners, maar ook hun huisdieren, deelden in het leed. De katten moesten verminkt worden aan de oren en de honden aan de poten, volgens een decreet van Philips de Goede, hertog van Bourgondië, graaf van Holland.

 

In de 15de eeuw, in 1429, werd namelijk de grafelijke waardigheid een van de vele adellijke titels, die Philips van Bourgondië voerde. In naam van de vorsten uit het Bourgondische Huis en na hen uit het Habsburgse Huis voerden stadhouders het bewind over het graafschap. Totdat ook daar een eind aan kwam en tegen het einde van de 16de eeuw toen de Staten van Holland de grafelijke rechten aan zich trokken. Aan de verdeling van de jachtrechten veranderde er weinig. In de eerste helft van de 18de eeuw raakten de Staten van Holland in geldnood. Zij besloten de heerlijkheden met alle daaraan verbonden rechten te verkopen aan de meest biedende, meestal een rijke koopman uit Amsterdam. Zo kwamen het schoutsambacht van Beverwijk, van Wijk aan Duin en dat van Wijk aan Zee in handen van Frans van Harencarspel. Hij was een vooraanstaand lid van de vroedschap van Amsterdam. Na overerving kwamen de heerlijke rechten in een zijtak van de familie terecht, bij de Rendorps. Zij bewoonden het kasteel Marquette in Heemskerk. In 1795 vervielen de adellijke titels, na 1813 werden zij echter in ere hersteld. Er kwam voorgoed een eind aan, toen jonkvrouwe J.M.M. Rendorp kwam te overlijden. Zij was de laatste die zich Vrouwe van Wijk aan Zee mocht noemen. In het verdere verloop van de 19de eeuw legden de grootgrondbezitters zich nog steeds toe op de jacht. Maar zij maakten ook een begin met de ontginningen voor de akkerbouw en met de aanplant van bossen. De zandverstuivingen  moesten beteugeld worden, anders had de aanleg van akkers en weiden geen enkele zin. De ontginningen was geen lang bestaan beschoren, de ene landbouwcrisis volgde de andere op in de 19de eeuw. Daarbij kwam nog, dat concessiehouders steeds meer water aan de duinen onttrokken om de stedelingen van drinkwater te voorzien. Akkerbouw werd in het duingebied geleidelijk aan onmogelijk toen het Noordzeekanaal tot stand kwam, de papierfabriek zich vestigde in Velsen-Noord en het Hoogovenbedrijf in de Breesaap kwam te staan. De fabrieken pompten enorme hoeveelheden water uit de ondergrond en de stoomgemalen hielden de diepe IJ-polders droog. Vier oorzaken van een versterkte afstroom van duinwater.

 

Het duingebied in de 20ste eeuw

 

De stijging van de welvaart van de werkende bevolking had voor het duingebied twee gevolgen. Het waterverbruik nam van jaar op jaar toe. Steeds meer huishoudens kregen een aansluiting op het waterleidingnet en het verbruik per huishouden steeg voortdurend. De welvaart bracht ook vakanties met zich mee voor brede lagen van de bevolking. Velen wisten de weg naar het duin te vinden als fietsers, als wandelaars en als kampeerders. Het duingebied begon aan belang voor de recreatie te winnen.

 

Het Provinciaal Waterleidingbedrijf van Noord-Holland stelde zich in op de toestromende recreanten. Paden werden aangelegd voor fietsers en wandelaars, de kampeerders kregen hun terreinen toegewezen. Het PWN beschouwde zijn terrein niet langer als een waterwingebied, maar ook als een natuurpark. Veel had het park met de natuur niet te maken. Er groeiden weliswaar planten, er waren fazanten en konijnen, nog veel meer vogelsoorten bovendien. Maar toch, het gebied stond tamelijk ver van de natuur af. Op de westhellingen van de duinen groeiden bomen, in de ‘wilde’ natuur zou geen boomvrucht of zaaddoos op deze hellingen ooit zijn ontkiemd. 

Daarbij kwam nog, dat de bossen voornamelijk bestonden uit Oostenrijkse en Corsicaanse dennen, die in keurige rijen waren aangeplant. Om het dennenbos heen stond in de regel een windsingel van loofbomen. Een verre van natuurlijke schikking.

 

In de tweede helft van de 20ste eeuw groeide de belangstelling voor het milieu en de vrije natuur sterk. Ook de samenhangen van leefgemeenschappen in het landschap kregen meer aandacht. Het PWN ging het duinlandschap anders bezien. Ecologen,  de wetenschappelijke kenners van de samenhangen in het landschap, gingen de vegetatie en de dierenwereld in kaart brengen en zij stuitten daarbij op plekken, die ernstig verstoord waren en een zeer onevenwichtige opbouw te zien gaven. Op het beschrijven van het duinlandschap volgde het uitdunnen van de dennenbossen,  het wegsteken van plaggen en het weiden van grote grazers.

 

Drinkwaterwinning in de duinen

 

De belangrijkste maatregel van allemaal was echter het herstel van het grondwaterpeil in de duinen. Voortaan liet men de waterhuishouding van de duinen meer met rust. De winning van drinkwater steunde voortaan zo goed als geheel op de aanvoer en infiltratie van water uit het IJsselmeer.

 

Maar, zo begon het niet. Eeuwenlang hadden de bewoners van  de kustdorpen waterputten gegraven en die bekleed met plaggen. Zo waren zij altijd verzekerd van helder en fris drinkwater. IN later tijden voeren schepen van de duinstreek naar de steden om de brouwers van schoon water te voorzien. In de jaren tachtig van de 19de eeuw begon de winning van drinkwater op grote schaal. Op korte afstand benoorden Wijk aan Zee groef de Zaanse Waterleiding Maatschappij een diepe kuil, die liep vol water en dat pompte de maatschappij naar de Zaanstreek. Uiteindelijk kwam de winning van drinkwater geheel in handen van het Provinciaal Waterleidingbedrijf van Noord-Holland. De waterhuishouding van de duinen raakte van jaar op jaar meer uit zijn evenwicht. De hoeveelheid neerslag in het duingebied stond in geen verhouding tot de hoeveelheden die de industrie en het PWN uit het gebied wegpompten. Om nog bij de watervoerende lagen te komen moest het PWN putten slaan in de diepere ondergrond. Reeds toen was te voorzien, dat het zo niet lang kon doorgaan. De leiding van het PWN zag dat in en zocht naar nieuwe mogelijkheden. Evenals de Amsterdamse Waterleiding, die de duinen van Zuid-Kennemerland leegpompte. De plannen van die tijd kwamen nooit verder dan de tekentafel omdat kort daarna ons land betrokken raakte bij de Tweede Wereldoorlog. In de jaren van wederopbouw werd duidelijk, dat ingrijpende maatregelen noodzakelijk waren en weinig uitstel meer duldden. Het PWN en de Amsterdamse Waterleiding sloegen de handen ineen en zij richtten een maatschappij op voor het transport van rivierwater naar de duinen van Midden- en Zuid-Kennemerland. De transportleiding tussen Jutphaas aan de Lek en het infiltratiegebied tussen Wijk aan Zee en Bakkum kwam gereed. Het aangevoerde Rijnwater kon in het infiltratiegebied uitvloeien over het duinzand en wegzakken in de diepere ondergrond. Op zijn weg naar de diepte werd het gezuiverd van plantaardige en dierlijke kiemen. De zoetwaterbel in de duinen van Midden-Kennemerland nam niet verder in omvang af en dat was geen ogenblik te vroeg. Als gevolg van de waterwinning door het PWN en de industrie reikte de zoetwaterbel niet meer tot 120 meter diep, maar nog slechts tot een diepte van 90 meter. Een watervoerende laag in de diepe ondergrond van maar liefst dertig meter was verzilt geraakt door het opdringen zoute water  Aan de bovenkant van de zoetwaterbel was het grondwaterpeil met drie meter gedaald.

 

De aanvoer van het Rijnwater bracht een oplossing, maar er kleefden bezwaren aan. Het water raakte ernstig vervuild door de lozingen van steden en kalimijnen in de bovenloop van de rivier. Het zoutgehalte van het water steeg. Het PWN zocht opnieuw naar een uitweg. De oplossing werd gevonden in de aanleg van een transportleiding van Andijk naar het infiltratiegebied tussen Wijk aan Zee en Bakkum. Het water van het IJsselmeer was in de loop van de tijd zoet geworden in plaats van brak; de afsluiting van de Zuiderzee lag al meer dan dertig jaar terug in de tijd. De toevoer van rivierwater uit de Rijn en de IJssel, langs de omweg van het IJsselmeer, bood nieuwe mogelijkheden. Het PWN legde nauwelijks nog een beslag op de jaarlijkse neerslag in het duingebied, het peil van het bodemwater steeg. In de regenachtige jaren negentig van de 20ste eeuw was de stijging zeer aanzienlijk. De tuinders en bewoners van de duinzoom gingen klagen over wateroverlast op de landerijen en in de kruipruimten en kelders van de huizen. In het dunterrein zelf vulden kuilen en poelen zich met water en daar gedijden waterminnende planten wel bij. 

 

In de duinen valt gemiddeld 775 mm regen per jaar. Op kale zandgrond zakt het water snel weg en daarvan bereikt 580 mm de diepere ondergrond.  In loofbos komt 310 mm in de onderlagen terecht en in de dennenbossen is dat nog maar 65 mm. Alleen al voor een beter behoud van de neerslag is het goed dat er meer open verstuivingen komen, dat de dennenbossen uitgedund worden en dat grazende runderen en schapen nieuwe bosontwikkeling tegenhouden. 

 

Dynamiek in de duinen

 

De dynamiek van de duinen, zoals wij die kennen, is bijzonder hoog. Voor de duinen in de onmiddellijke omgeving van Wijk aan Zee gaat dat ook op. Bij elkaar heeft men tien factoren gevonden, die voor het duinlandschap van belang zijn. Daaruit valt af te leiden, dat voor elke vierkante centimeter van het duin zich 210 mogelijkheden voordoen, dat zijn er opgeteld 1024. Dat geldt dan nog alleen voor de vraag of een factor op een bepaalde plaats werkzaam is of niet (of ja of nee, dat zijn twee mogelijkheden). Die veronderstelling is te beperkt. Het ligt dichter bij de werkelijkheid om aan te nemen, dat elke factor niet alleen zwak, matig of  sterk aanwezig kan zijn, maar ook nog eens volledig aanwezig of volledig afwezig. Dat  levert 510 mógelijkheden op  en dat zijn er 9.765.625 bij elkaar! In die samenhang is het duidelijk, waarom 850 van de 1400 hogere plantensoorten, die ons land telt, te vinden zijn in de duinen. Wat de diersoorten betreft, is de rijkdom naar verhouding nog groter. Van de 190 vogelsoorten in Nederland broeden er 140 in het duinland.

 

Aan de hand van waarnemingen onderscheiden de ecologen in de duinen nu 107 afzonderlijke gemeenschappen van dieren en planten. En elk van die gemeenschappen staat onder zwakke of juist sterke invloed van een factor of een groep van factoren. De factoren waar het hier om gaat, dat zijn de volgende: vocht, kalk, humus, voedselrijkdom, zout, wind, ligging, verstoring, opvolging en begrazing.

 

 Vocht heeft een grote invloed. In stuifkuilen staat soms water als zij diep genoeg zijn en dat trekt planten aan, die in moerassen goed gedijen. Maar vocht doet niet alleen aan de oppervlakte zijn werk. Het grondwater, verborgen in de bodem, voedt de wortels van weer andere planten. In het zuidelijk deel van de duinen, tussen Wijk aan Zee en Bergen is het grondwater rijk aan kalk en dat is een goede tegenhanger van de bovenlaag, die licht verzuurd is. Deze verzuring is een gevolg van de vervuiling en uitloging van de bovenste grondlaag door de neerslag.

 

Kalk geeft zuurminnende planten geen kans. Heide komt in de zuidelijke duinen niet voor, wel de meidoorn en de duinroos. Hoe oudeer het duin, hoe minder kalk, Dat komt door uitspoeling of uitloging. Maar het zuidelijke duin is bijzonder kalkrijk. Vooral omdat van het begin af hier veel schelpen en schelpresten met het zand landinwaarts zijn geblazen. Kalk heeft de bijzondere eigenschap dat het plantenresten snel afbreekt en ook de humus , die daarbij ontstaat. Het gevolg is dat de bouwstoffen in planten naar verhouding zeer snel in de bodem terugkeren in hun elementaire vorm.

 

Humus is een kort bestaan beschoren in de kalkrijke duinen van het zuiden. Het wordt snel afgebroken tot zijn bestanddelen en keert zo in de bodem terug. Bepaalde planten en struiken zoals de meidoorn en de duinroos hebben voordeel bij een zo snelle omzetting. Dat betekent wel dat het landschap schielijk dichtgroeit. Het ‘verruigt’zoals men dat noemt. Dat proces verloopt hier bijzonder snel omdat de konijnen vrijwel uit de duinen zijn verdwenen. En het waren juist deze dieren, die al gravende en knagende het opschieten van jong struikgewas tegenhielden.

 

Voedsel: hoe sneller de kringloop van groeien, afsterven en afbraak zich voltrekt, hoe voedselrijker de duinbodem zal zijn. Concentraties van plantenresten langs de vloedlijn en langs waterlopen dragen nog eens te meer bij aan de verrijking met voedingstoffen. Dat is dan nog de natuurlijke gang van zaken. Bij dit alles komt nog eens de invloed van de mens. Uit industriegebieden en grote steden komen vervuilde lucht en verzuurde regen overwaaiden. Niet alleen van dichtbij uit de IJmond, maar ook van over de Noordzee. Naar schatting verrijkt het toedoen van de mens het duin met dertig procent extra voedingstoffen, zoals ammoniak, nitraat en fosfaat.

 

Zout komt mee met de wind uit de zee en verdroogt de bladeren van planten en struiken. Zout en wind houden de groei van bomen en struiken in de zeereep tegen. Alleen helm en grassen weten zich daar te handhaven. Meer landinwaarts zijn omstandigheden wat gunstiger en daar scheert de wind de bomen en struiken aan de westelijke kant. Zo lijkt het dat de bomen en struiken naar het oosten en noorden lijken over te hellen.

 

Wind, zeker als die in beladen met zout en zand, heeft de gevestigde planten weinig goeds te bieden. Het grote belang van de wind is echter het niet te overtreffen vermogen tot vernieuwing. De wind blaast kuilen in het zand en legt zo kalkrijke onderlagen bloot. Waar het grondwater te voorschijn komt, daar vestigen zich waterminnende planten. Waar de wind het zand heenvoert, daar krijgen helm en zandzegge een kans. Het oude plantendek gaat dan verloren.

 

Ligging op het noorden of het zuiden is allesbepalend. Alle voorgaande factoren scheppen voorwaarden, maar of het werkelijk tot ontkiemen en groei komt, dat bepaalt de ligging. Op de zuidelijke hellingen kan bij zomerse zonneschijn de temperatuur oplopen tot 60 graden Celsius. Enkele meters verderop, op de noodhelling komt de temperatuur zelden boven de 15 graden en is er kans op nachtvorst op vrijwel alle dagen van het jaar. Deze grote tegenstellingen zijn af te lezen aan het plantendek op de zuidelijke en de noordelijke hellingen. Nu wil het geval, dat het duingebied voor een groot deel bestaat uit hellingen op het noorden of het zuiden en dat houdt verband met de heersende windrichting, die gaat van zuidwest naar noordoost.

 

Veroudering heeft te maken met het uitlogen van de grond, het verlies aan kalk en de voortschrijdende verzuring. Dat proces verloopt vrijwel ongestoord waar de wind weinig vat heeft op het landschap. De afstand tot de zee speelt daarbij een rol en ook de dichtheid en de hoogte van de bomen en struiken. De invloed van wind zout en zand is aan de binnenduinrand daarom sterk afgenomen. Nu is veroudering een betrekkelijk begrip en de mate van veroudering is alleen af te lezen aan het begin, waar het strandmilieu overheerst. Het eindstadium van veroudering is bereikt als aan de binnenduinrand een eikenbos tot ontwikkeling is gekomen.

 

Verstoring is een rechtstreeks gevolg van menselijk handelen. Wegen en paden doorsnijden het landschap en zij hebben invloed op de planten in de berm. Die invloed van de mens is nog betrekkelijk bescheiden. De aanplant van dennenbossen met windsingels van loofbomen op de zandverstuivingen en de ontginning van de duinvlakten bracht nog meer grodverzet en dus nog meer verstoring met zich mee. Men moest plantkuilen graven, greppels en sloten aanleggen en de akkers uitvlakken. In verleden waren de duinen aan de oostelijke rand al vlak gemaakt, waardoor het nollenlandschap verloren ging. Dat werden de zogenoemde geestgronden. In de vorige eeuw zijn veel van die geestgronden gekeerd. De diepe ondergrond is naar boven gehaald en zo werden de landen geschikt gemaakt voor de teelt van bloembollen. Deze schaal van verstoringen was grootscheeps, maar die werd nog overvleugeld door het grondwerk dat nodig was voor de drinkwaterwinning en de aanleg van infiltratievelden.

 

Begrazing met schapen, geiten, runderen en paarden is nodig sinds het konijn in de duinen aan massale sterfte ten onder is gegaan door ziekte vooral. De vossen hebben zich daarbij niet onbetuigd gelaten sinds er niet meer op ze gejaagd werd. De aantallen konijnen zijn te gering om nog veel invloed te hebben op de ‘verruiging’ van het open duin. Deze hernieuwde inscharing van grote grazers in de duinen sluit aan op een gewoonte uit een ver verleden. In de Middeleeuwen lieten de bewoners van de kustdorpen hun kleinvee, want het waren vooral schapen en geiten, grazen in de duinen. Deze dieren vraten aan grassen en aan de twijgen en scheuten van bomen en struiken. De keutels van deze dieren verrijkten de bodem in lichte mate met voedingstoffen en hun hoeven drukten de bodem aan. Zo ontstond een uitzonderlijk duinlandschap, dat kenmerkend is voor de omgeving van de kustdorpen.

 

De duinen als natuurgebied

 

Het Waterleidingbedrijf van Noord-Holland heeft het Duinreservaat in pacht van de provincie. De overeenkomst loopt tot 2040. Het bedrijf heeft tot 2012 een beleidsvisie ontwikkeld en zich daarbij doelen gesteld op drie velden. Het zijn: de drinkwaterwinning, het natuurbeheer en de recreatie. Tot voor kort was dat ook de volgorde van belangen, maar er is een lichte verschuiving opgetreden. De drinkwatervoorziening en het natuurbeheer nemen nu vrijwel gelijkwaardig een eerste plaats in. De Natuurbeschermingswet is daar de oordzaak van. Volgens die wet moet de natuur in aangewezen gebieden ongestoord zijn gang kunnen gaan. De beheerder moet zich zoveel mogelijk beperken en vooral de ontwikkeling van bedreigde planten en dieren in het oog houden. Maatregelen om de bedreiging weg te nemen zijn nog wel toegestaan. Dit nieuwe wettelijke kader heeft invloed op de drinkwatervoorziening. Aanleg van nieuwe infiltratiegebieden is in de toekomst zo goed als uitgesloten. Het mag dan zijn, dat de drinkwatervoorziening een groot maatschappelijk belang heeft, maar voor elke verstoring van de natuur zal men een vervanging moeten vinden. Zo dat niet mogelijk blijkt, dan is voor deze en ook andere werken in het Duinreservaat geen plaats meer. In deze samenhang heeft het PWN in de bestaande infiltratiegebieden enkele maatregelen genomen ter wille van de natuur. Men heeft waterlopen verlegd, oeverhellingen aangepast, vijvers minder diep gemaakt en eilanden aangelegd. Dat geeft planten en dieren, die van een vochtige omgeving afhankelijk zijn, betere kansen.

 

Het natuurbeheer van het PWN richt zich op het scheppen van een robuuste natuur, die zichzelf gaande kan houden. En dat geldt zowel voor de plantenwereld als voor het dierenleven. Om dat doel te bereiken streeft men naar zoveel mogelijk bewegende, stuivende duinen. Deze verstuiving is de belangrijkste voorwaarde voor een duinenlandschap, dat zich voortdurend vernieuwt. Waar de natuur zich nog niet duurzaam vernieuwen kan, daar grijpt het PWN nog in. Daarin past het uitdunnen van de oude dennenbossen, zodat daar een grotere verscheidenheid van bomen en struiken kan ontstaan. Op andere plaatsen steekt men plaggen zodat de ondergrond bloot komt te liggen en het verstuiven op gang kan komen. In de ruige en halfopen delen van het Duinreservaat grazen runderen en schapen om de aanwas van twijgen en duinriet tegen te gaan.

 

Voor de recreatie is het Duinreservaat van groot belang, miljoenen bezoekers komen er elk jaar om te wandelen, te fietsen, paard te rijden of met de mountainbike de paden in bos en veld te berijden. In de doelstellingen van het PWN is het zo geregeld, dat de recreatie zich heeft te voegen naar de drinkwaterwinning en het natuurbeheer. De omgeving van pompstations en infiltratiegebieden is voor het publiek niet of spaarzaam toegankelijk. Ook broedgebieden zijn gesloten voor de duur van het jaar of een deel daarvan. Verder gaat men er van uit, dat de samenballing van bezoekers bij de hoofdingangen sterker is dan dieper in het reservaat. In verband daarmee streeft het PWN naar vermindering van ingangen en tegelijk naar een opwaardering van de voornaamste toegangen tot het Duinreservaat.

 

Het natuurbeleid van het Rijk is er op gericht om een verbinding tot stand te brengen tussen de voornaamste natuurgebieden. Dat voorkomt inteelt van de aanwezige kolonies en het werkt de verplaatsing en vermenging van diersoorten in de hand, wat tot een rijkere ‘biotoop’ of leefplek moet leiden. Om die reden wil de minister dat er een zo goed mogelijke verbinding komt tussen de duinen van het Duinreservaat ten noorden van Wijk aan Zee en de duinen ten zuiden van het dorp. Zo wordt de afstand tussen de natuurgebieden boven het Noordzeekanaal en daar beneden, sterk ingekort. De minister heeft de Dorpsduinen en het Vuurbaakduin bij Wijk aan Zee aangewezen als Natura-2000 gebieden. Die aanwijzing brengt deze duinen onder de Vogelbeschermingswet en de Natuurbeschermingswet. Beide wetten vormen de grondslag voor het netwerk van natuurgebieden, de Ecologische Hoofdstructuur. De wetten zijn een uitvloeisel van richtlijnen en verdragen, die binnen de Europese Unie tot stand zijn gekomen.

 

In de niet zo verre toekomst, zal ook het strand onder de werking van de Natura-2000 wetten komen. Zo zal niet alleen het duingebied in de omgeving van Wijk aan Zee volledig beschermd zijn, maar ook het strand. Die ogenschijnlijk lege strook land is een belangrijke schakel in de vogeltrek en is voor veel vogelsoorten van levensbelang als fourageergebied.

 

Het natuurbeheer van het PWN draait om het in beweging brengen van verstuivingen en de vorming van een natuur die zich duurzaam vernieuwt. Zand is tot het ordenend bestanddeel van de duinen opgewaardeerd.

 

 

 

De duinen als zeewering

 

Zand is het ordenend beginsel, schrijft de minister van ruimtelijke ordening in de nota Ruimte. Die nota is de grondslag voor het landschappelijk en stedelijk beleid in ons land, en daarmee ook van het te voeren kustbeleid.

 

De grootscheepse zandbewegingen van 8000 tot 2000 jaar geleden bieden ons land tot op de dag van vandaag een degelijke en betrouwbare bescherming tegen de zee. De duinenrij beschermt een achterland waar € 177 miljard vermogen is geïnvesteerd. Het belang van de duinen als natuurgebied en als zeewering is dan ook moeilijk te overschatten. En dat belang neemt nog toe. Het klimaat verandert, de zeespiegel stijgt. Voor de toekomst voorziet men meer en zwaardere stormen, die op de kust zullen inbeuken. Dat is een bedreiging voor de duinen. Vaker dan in verleden zal bij stormweer de golfslag de voet van de duinen aanvreten. Wat men kan verwachten is een onderwerp van studie en daarbij gaat de aandacht in het bijzonder uit naar het kustfundament. Dat bestaat uit een nat gedeelte onder de zeespiegel een droog gedeelte boven de zeespiegel: het strand en de duinen.

 

De buitengrens van het kustfundament is de lijn van 20 meter onder het Nieuw Amsterdams Peil. De grens te land is bij benadering de binnenduinrand. Onder de zeespiegel beweegt zich traag en breed een machtige zandstroom van zuid naar noord. Uiteindelijk komt een groot deel van dat zand terecht in de Waddenzee. Voor de kust van Wijk aan Zee is het ‘natte’ kustfundament naar verhouding breed, naar het noorden toe wordt het smaller. Mogelijk houdt dat verband met de buitenste strandwal die ooit tussen 4000 en 2000 jaar geleden is gevormd en die van Egmond naar het zuidwesten liep. Die strandwal is tussen 1100 en 800 jaar geleden weggeslagen over een diepte van 1 tot 1,5 kilometer landinwaarts. Het tijdvak waarin de vorming van de ‘jonge’duinen op gang kwam.

 

Even ten noorden van Wijk aan Zee is de toestand minder gunstig. Het natte deel van het kustfundament is smaller. De golven bereiken de kust met meer kracht. Daar komt afslag van de duinvoet regelmatig voor. Die ontwikkeling kan nog versterkt zijn sinds de haveningang van IJmuiden dieper in zee steekt. Dat heeft de stroming langs de kust verstoord. Een van de kennelijke gevolgen is, dat de vloedstroom de kust ter hoogte van Heemskerk onder een scherpere hoek raakt dan voorheen. 

 

Tegenmaatregel zijn inmiddels in gang gezet. Het strand wordt opgespoten met zand uit zee. Het gebeurt niet voor het plezier van de badgasten, ook al hebben die er voordeel bij, het gebeurt om de helling van het strand te herstellen. Want die helling is de voornaamste rem op het geweld van de golven. De zachte zeewering op zijn best.

 

Namen van duinen en vlakken (met dank aan Nico Snijders)

 

Een  wandeling door het duinen levert verrassingen op: namen en gebeurtenissen, die een bijzondere kijk geven op het landschap en zijn bewoners. De tocht gaat, tegen de klok in, van de Meeuweweg te Wijk aan Zee in de richting van de Kruisberg en vandaar langs de Zwarteweg naar het westen en keert vlak achter de zeereep terug in Wijk aan Zee.

 

Rechts van de toegangsweg, onmiddellijk voorbij de ingang van het Duinreservaat liggen drie bijzondere plaatsen.

1 Kees de Bruineberg. Kees Aardenburg was een verweerd en getaand man, vandaar de zijn bijnaam ‘de Bruine’. Hij wilde een konijn verschalken en groef een konijnenhol uit. Hij raakte bedolven onder het zand en kwam om het leven.

2 Arie Kokdal. Het  dal ligt aan de oostkant van de Kees de Bruineberg. Arie Kok had daar een stuk land in het gebruik.

3 Tiemendal. Dit dal ligt nog verder naar het oosten, tegen het Corusterrein aan. Vroeger groeiden daar veel Bitterwilgen en van de twijgen sneden de tuinders ‘tiemen’. De overlangs doorgesneden twijgen waren zo soepel, dat ze gebruikt werden om bossen rabarber te binden.

 

Even ten noorden van deze punten liggen opnieuw twee markante plaatsen in het duingebied.

4 De Kneuenberg. Sinds deze duinheuvel is begroeid met Oostenrijkse dennen broeden er geen  ‘kneuen’ meer, deze vogels voelden zich goed tussen de duindoorns. Tot kort voor de Tweede Wereldoorlog, toen dit duin en zijn omgeving nog open waren, huisden er veel grielen. De naam ‘Grielenduin’ zou historisch nog meer voor de hand liggen.

5 Jan de Boervlak. De man ging stropen, groef een konijnhol uit en verloor het leven toen hij door het zand werd bedolven. Het vlak ligt pal ten oosten van het Kneuenduin.

 

De weg vervolgt langs de voormalige dienstwoningen, gaat dan naar rechts en dan over een lange helling omhoog.

6 Het lange vlak. De naam spreekt voor zich: vlak is smal, lang en licht hellend.

7 Telefoonduin. Op de duinrand rechts, ongeveer halverwege het Lange Vlak stond in de jaren 1940-1945 een telefoonpost van de Duitse bezetters. Deze post was onderdeel van een groter systeem, waarvan soortelijke installaties ten westen en ten oosten van Beverwijk deel uitmaakten.

 

De weg daalt steil en rechts liggen duinheuvels in een betrekkelijk ruime vlakte, die inmiddels dicht bebost is.

8 De Plantgatenberg. Dit tamelijk steile duinkopje is in de jaren vijftig van de vorige eeuw beplant met Oostenrijkse dennen. Daaromheen kwamen eiken te staan een aan de voet heeft men dennen geplant. Tijdens de bosaanplant viel de duinheuvel lange tijd op door de plantgaten, die men ter voorbereiding van het werk had gegraven.

9 De Scheiberg. Deze heuvel lag aan de binnenduinrand en gaf de scheiding aan tussen het deelgebied Wijk aan Zee en het deelgebied Heemskerk in het Duinreservaat. De heuvel is in dezelfde tijd als de vorige met Oostenrijkse dennen beplant.

 

De weg buigt naar rechts af ter hoogte van een ANWB-paddestoel en gaat onderlangs een duinheuvel.

10. Het Ligustervlak, waar veel van deze struiken groeiden, ligt achter deze heuvel.

 

De weg gaat naar links bij een kruispunt met zitbank en een afslag naar de Kruisberg en Heemskerk. Deze weg komt uit op de Zwarteweg en gaat in de richting van de strandafgang Heemskerk. Links van de Zwarteweg liggen daar:

11 Het vlakje van 36. In een drift zijn daar ooit 36 konijnen geschoten.

12. De Meeuwenberg. Dit duin ligt iets verder dan het 36-vlakje. Vroeger broedden daar veel meeuwen.

 

De weg verlaat het gebied dat voor het publiek toegankelijk is en komt bij de zeereep ten zuiden van de strandafslag van Heemskerk. Daar liggen op een rij:

13 Het Scheidal. Dit dal gaf in het noordwesten de grens aan met het deelgebied Wijk aan Zee en het deelgebied Heemskerk in het Duinreservaat. (Zie ook 9: de Scheiberg in het noordoosten)

14. Het Schip. De naam wijst op de kenmerkende vorm van deze vallei.

15. Het Noorderduin. Het duin was geen grensmarkering (dat was daar het Scheivlak), maar het lag ver naar het noorden in het deelgebied Wijk aan Zee.

16. De Springplaats.In dit dal bracht men springstoffen en munitie tot ontploffing in de jaren na de Tweede Wereldoorlog.

17. De Berg van Struikie. Dit duin was aan de oostzijde dicht begroeid met liguster en wel zo dicht dat het zeer moeilijk was om de konijnenholen daar uit te graven.

 

18. Leenscheuterswei. Tussen de zeereep en de duinen meer landinwaarts ligt een vlakte. Die is nu in gebruik als infiltratiegebied en daarom doorsneden met kanalen. De naam herinnert nog aan Leen Schuit, die zijn vee daar liet grazen. Zij boerderij stond meer naar het oosten in het Kaaggebied. Nu staat daar (op het terrein van Corus) de Waterfabriek van het PWN.

 

In de omgeving van het pompstation Wim Mensink liggen vijf plaatsen met een kenmerkende naam:

19. De Bassinberg. Deze heuvel ligt tegen de zuidoost hoek van de Leenscheuterswei.

20. Het Bassinvlak. De vallei strekt zich ten noordwesten uit van het bassin bij het pompstation.

21. Het Stort. De eerste concessiehouder voor waterwinning, de Zaanse Waterleiding Maatschappij, liet het bassin graven en het zand werd op die plaats gestort.

22. Het Bassin. Zie opmerking bij 21. Het ligt nu naast het Pompstation Wim Mensink.

23. Het Russenvlak. Tot hier zijn de Russen opgerukt na de invasie in het najaar van 1799. Op dit vlak wisten de Frans-Bataafsche troepen stand te houden tegen de invallers.

 

Vanaf hier voert de tocht opnieuw door terrein, dat voor het publiek toegankelijk is.

 

In de vlakte. die van het Russenvlak door een duinenrij is gescheiden, leven nog twee namen voort.,

24. Het Pescuvlak. Tijdens een uitbraak van de varkenspest in de dertiger jaren van de vorige eeuw werden verdachte varkens hier in quarantaine gehouden in een schuur. De dieren, die aan de ziekte stierven werden in deze vallei begraven.

25. De Louwenberg. Dit duin sluit de Pescuvlakte in het westen af en dankt zijn naam aan het gegeven, dat de heuvel altijd luwte bood tegen de wind, uit welke richting die ook waaide.

 

Het pad vervolgt zijn loop, gaat omhoog en komt dan uit op een vlakte met een oeroude naam:

26. De Rellen. Sinds oude tijden moeten hier waterstroompjes hun weg gezocht hebben, want Rel is een woord dat nog uit het Oud-Fries stamt.

 

Achter het Revalidatiecenrum Heliomare liggen in het duin drie plaatsen met een naam, die aan het verleden herinnert. Gaande van west naar oost:

27. Het Marinedal. Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) had de Koninklijke Marine hier een kampement.

28. De Kijkberg. Voor 1940 was dit het hoogste duin in het deelgebied Wijk aan Zee. Er zijn bunkers op gebouwd en toen is de top afgevlakt. De naam echter is blijven voortleven.

29. Het Roggedal. In dit deel van het terrein werd rogge verbouwd. Een historisch voorbeeld van het zeedorpenlandschap, met zijn akkertjes en het grazende vee in de struwelen.

 

Het pad leidt via een klaphek bij de Heemskerkerrelweg terug in het dorp Wijk aan Zee.

 

 

 

   

 

 
Dorpswandeling 1: Markante plaatsen
Dorpswandeling toont het dorp

in al zijn verscheidenheid

De werkgroep Dorpswandelingen heeft in de loop van februari en maart 2006 een dorpswandeling samengesteld. Dat is gebeurd in het raam van 'Wijk aan Zee, 125 jaar badplaats'. De wandeling voert voornamelijk langs markante plaatsen in het centrum van het dorp. De wandeling neemt naar schatting iets meer dan een uur in beslag.

Over dorpswandelingen voor groepen onder geleide van een lid van de werkgroep, kunt u contact opnemen met de Stichting Toerisme op het Julianaplein tijdens de kantooruren. Het is de bedoeling dat de rondleidingen tijdens het Paasweekeinde beginnen. In de maanden die volgen vinden zij plaats op verzoek, bij voldoende deelnemers

Markante plaatsen in Wijk aan Zee

De rol van vrouwen in het dorp

Vrouwen in de dorpsgemeenschap van Wijk aan Zee

 

In de loop van de geschiedenis van Wijk aan Zee, ten naaste bij zo’n duizend jaar, hebben vrouwen steeds een vooraanstaande rol gespeeld in de dorpsgemeenschap. De stadia van ontwikkeling volgden elkaar op. Van vissersdorp in de vroegste tijden en badplaats in de 19de en 20ste eeuw is Wijk aan Zee uitgegroeid tot aan woonplaats en uiteindelijk kustplaats op de drempel van de 21ste eeuw. In al deze stadia van ontwikkeling steunde de gemeenschap van het dorp op de inzet van vrouwen.

 

Vissersdorp

 

Over de stichting van de nederzetting Wijc op See zwijgen de historische bronnen in alle talen. Er zijn slechts aanwijzingen. Zo maken de namen Zeecroft voor de Dorpsweide en Rel voor een waterloop wel duidelijk, dat naar redelijk vermoeden niet Hollanders, maar Friezen de stichters van het dorp zijn geweest. Naar het tijdstip van stichting valt slechts te gissen. In 950 trad een tijdperk van grote droogte in en gedurende een eeuw teisterden zandstormen de kust. In die tijd werden de zogenaamde jonge duinen gevormd en die duinen hebben aan de zuidwestzijde van het dorp niet alleen een opvallende hoogte, maar hun hellingen zijn ook nog eens opmerkelijk steil. Hoogte en helling van deze duinen zijn vrijwel zeker het gevolg van menselijk ingrijpen. Dat wijst er op, dat omstreeks het midden van de 11de eeuw of kort daarna de stichters van het dorp het opdringende zand gingen tegenhouden en zo de Seecroft wisten te behoeden voor onderstuiving.

 

De kleine Seecroft en de schrale duingronden waren bij lange na niet genoeg om de groep stichters, hoe beperkt ook, te voeden. De teelt van kleinvee en de varkenshouderij zijn in Wijc op See daarom ook altijd bijzaak geweest. De bronnen van welvaart waren de destijds rijke visgronden vlak voor de kust. Een smalle strook in de Noordzee slechts. Maar daar ging wel een grote helderheid van het zeewater samen met de fotosynthese van het plantaardig plankton. Daar liepen de trekroutes van paailustige vissen en voerden de vloedstromen de vissenlarven langs de kust. En dat alles leidde tot schier onuitputtelijke rijkdom aan anorganisch, plantaardig en dierlijk voedsel voor zowel de prooivissen als de roofvissen . De vissers bleven geruime tijd dicht onder de kust, maar zij volgden de vissentrek wel, zodat het manvolk meer tijd op zee doorbracht dan thuis. Dat gaf de eerste aanzet tot een meer zelfstandig optreden van vrouwen in de vissersdorpen aan de kust  dan gebruikelijk was in meer landinwaarts gelegen gemeenschappen.

 

Daarbij kwam nog, dat de Friezen, al sinds de Grote Volksverhuizing van de 6de eeuw een stevige positie innamen als de handelsvaarders en kapers van de Noordzee en de Oostzee. Dat bracht ook de mannen van het vissersdorp Wijc op See in de Middeleeuwen en ook later nog, langer en verder van huis. De Angelen en Saksen in het oosten van Engeland en de Friezen hadden omstreeks het midden van de 11de eeuw een bijzonder grote verwantschap in taal en cultuur en daarbij nauwe handelsbetrekkingen. Die verwantschap ging zelfs zover, dat zowel voor het Friese oerrecht (ewa) als voor het Angelsaksische recht mannen en vrouwen elkaars gelijke waren, voor zover zij tot dezelfde stand behoorden. Dat blijkt reeds uit een rechtsoptekening van de Karel de Grote uit 802 , de Lex Frisionem, die bewaard is gebleven. Wie een vrije vrouw of man letsel aanbracht, moest dezelfde boete betalen. (‘waargeld’) De boete voor het verwonden van een persoon uit de adelstand was daar een meervoud van, maar ook dan  bestond er geen onderscheid tussen man en vrouw. Geen van de andere rechtskringen van het Frankisch/Karolingische Rijk kende die gelijkstelling van man en vrouw voor de wet, behalve de rechtskring van de Friezen. Zo blijkt, dat de handelingsvrijheid van vrouwen niet alleen in de hand werd gewerkt door de visserij en de handelsvaart van de mannen, maar toch ook paste in een lange rechtstraditie. Ze lag als het ware in het culturele erfgoed van de Friezen verankerd. In het geval van de nederzetting Wijc op See deed zich nog een bijzondere omstandigheid voor. De graaf van Holland stond de stichters om nog onbekende redenen toe zich te vestigen in het hart van zijn grafelijk domein en hij beschouwde hen bovendien nog als ‘vrijen’, zowel mannen als vrouwen. In die tijden was dat voor arme boeren en vissers een zeer hoge rechtspositie. Meestal waren zij lijfeigenen of in het beste geval horigen, van rechtswege gebonden aan de grond die zij bewerkten.

 

In de eeuwen die volgden, kwam Wijc op See tot grote bloei. De eerste aanzet lag in de groei van de steden in het Hollandse achterland. Het inklinken van de veengebieden leidde tot bodemdaling en die viel samen met een stijging van de zeespiegel. Een tijdperk van veel neerslag en stormen brak aan in het midden van de 12de eeuw. De landerijen werden minder geschikt voor graanteelt en een deel van de boeren ging over op veeteelt. Een nog groter deel van de boeren trok weg naar de steden. Vooral de onstuimige groei van Amsterdam bood de vissers van Wijc op See een  nauwelijks te verzadigen afzetmarkt voor hun vis. De vrouwen droegen de gedroogde en gekaakte vis in manden naar de oever van het Wijckermeer, vanwaar zij per beurtschip over het Y naar de markten van de stad voeren. Tot ver in de 18de eeuw leefde de stadsbevolking op bier, bonen, brood en bokking (gerookte haring). Nadien deed de aardappel zijn intrede en verminderde het belang van de vis in het volksvoedsel.

 

Het hoogtepunt van de bloei van Wijc op See ligt tijdens het bewind van hertog Philips de Goede van Bourgondië, die in 1429 als graaf van Holland voor Jacoba van Beieren in de plaats trad. Op slag begon de bouw van een kerk, die was gewijd aan de Friese evangelist Sint Odulphus. Deze kerk was, zo blijkt uit tekeningen van dorpsgezichten, minstens 50 meter lang en omvatte niet alleen een enkele beuk van zeven traveeën, maar ook nog eens daarachter een dwarsbeuk en een koor. Aan de noordzijde, nu de laatste en vierde travee van de dorpskerk op het Julianaplein, bevond zich de ingang van de vrouwen. De bloei en de rijkdom van Wijc op See waren van betrekkelijk korte duur. De omslag kwam reeds bij de plunderingen van 1489 en 1492. De onafgebroken reeks oorlogen te land en ter zee van de 16de  eeuw tot en met de Napoleontische oorlogen in het begin van de 19de eeuw bezegelden de duurzame neergang van het dorp. Het telde in 1812 nog 150 inwoners en het was tot de bedelstaf vervallen. Zo erg was de toestand, dat de overheid aan vrouwen en kinderen uit Wijc op See toestond te bedelen in de straten van Amsterdam. 

 

Het duurde tot 1839 voordat zich een nieuwe kans aandiende. Wijk aan Zee trok de aandacht van de hogere burgerij in de steden. De frisse wind van de kust trok hen in de zomer meer dan de stank van de stadsgrachten. Daarbij kwam nog een verhevigde belangstelling voor natuur en landschap in de filosofie, de wetenschap en de kunst. De Romantiek brak door. Wijc op See inmiddels tot Wijk aan Zee omgedoopt, werd in 1839 een der eerste badplaatsen aan de Hollandse kust.

  

De badplaats

 

De opkomst van Wijk aan Zee bood aan de vrouwen van het dorp de meeste kansen. Enkelen van hen vonden werk in de badinrichting van de herberg De Moriaan aan de toenmalige Kerkstraat, nu De Zwaanstraat. Het werd tijd dat de waard van de herberg het roer omgooide en zijn kansen greep. Want sinds de herinrichting van de Staat en zijn bestuur vanaf 1815 was De Moriaan niet langer het rechthuis van het dorp en ook al niet meer de vergaderruimte van de vroedschap. In de herberg werden geen huwelijken meer voltrokken van rooms-katholieke dorpelingen ten overstaan van twee schepenen, omdat sinds 1579 hun kerkelijk huwelijk niet volstond. Nieuwe inkomsten moesten uitkomst bieden.

 

Maar meer dan de nieuwe werkgelegenheid in de badinrichting zelf, bood de villabouw in het dorp aan de vrouwen veel kans op werk. Leden van de hogere burgerij van Amsterdam bouwden zomerverblijven in een ruime boog  vanaf de Rijckert Aertszweg tot aan het Gaasterbos langs de Julianaweg. In die grote woningen was een ruime behoefte aan werksters en dienstboden. Naarmate de stedelingen een verblijf aan het strand en een duik in de zee als een gezonde bezigheid gingen zien, werd het drukker op de stranden. Wijk aan Zee bleef daarbij  niet achter. De vrouwen waren de stadse mevrouwen en hun heren behulpzaam bij de badkoetsen, de strandstoelen en de windschermen. De badvrouwen ventten verder allerhande etenswaren en dranken uit. De vrouwen verhuurden in de zomer hun huizen aan de middenstanders en handwerkslieden, die zich een villa niet konden veroorloven. Pensions en hotels maakten opgang en ook dat was goed voor de werkgelegenheid in het dorp. Er was veel vraag van kamermeisjes en werksters, zeker toen het grote Badhotel van Heinrich Tappenbeck in 1880 zijn deuren opende.

 

De arbeiders in de steden kregen in de industrie een vast loon en vakantiedagen tegen het einde van de 19de eeuw, net als de klerken bij de handelskantoren en banken. Dat gaf een nieuwe stoot aan het strandtoerisme. Dagjesmensen namen de salonboot achter het Centraal Station van Amsterdam, stapten bij Velsen aan de wal en wandelden door de Breesaap langs de landgoederen Westerhout en Rooswijk naar de badplaats Wijk aan Zee. Het dorp maakte tot aan het begin van de Tweede Wereldoorlog een ongekend bloei door als badplaats voor families. In de jaren 1940-1945 viel de ontwikkeling stil. De bezetter bouwde bunkers, geschutbatterijen en waarnemingsposten rondom het dorp die deel uitmaakten van de Festung IJmuiden, een extra versterkt onderdeel van de Atlantikwall. Wijk aan Zee werd een Sperrgebiet en de bevolking werd naar het binnenland verdreven.

 

Na 1945 brak een nieuwe tijd van opkomst aan, de badplaats kwam opnieuw tot bloei. En de vrouwen namen als vanouds de huishoudelijke taken op zich in de pensions, de hotels en de restaurants. Voor zover zij al niet zorgden voor de zomergasten in de eigen woningen. Nog steeds had Wijk aan Zee als badplaats de sterke voorkeur van families en gezinnen. Anders dan in Scheveningen,  Noordwijk of  Zandvoort  kwam het zwaartepunt niet te liggen op vermaakcentra voor de strandbezoekers. De dienstverlening bleef beperkt tot verkoop van souvenirs, strandartikelen en een ruim bemeten bestand aan eethuizen en tapperijen. Rond het midden van de jaren ’60 was het snel afgelopen met de groei van Wijk aan Zee als badplaats. Toenemend autobezit bracht de toeristen tot diep in Frankrijk en Duitsland. Goedkope vakantievluchten verleidden de badgasten tot een verblijf aan de Spaanse Costa’s en op de eilanden Mallorca en Ibiza. Goedkoop en zonzeker waren die bestemmingen en dat kon Wijk aan Zee net zo min bieden als de andere badplaatsen aan de Hollandse kust. Zij waren voortaan aangewezen op de dagjesmensen, die op hete zomerdagen verkoeling zochten op de stranden. De Hollandse badplaatsen kwijnden.

 

De woonplaats

 

In Wijk aan Zee ging het net even anders. De groei van het staalbedrijf Hoogovens tussen 1965 en 1985 verschafte werk aan tientallen ondernemingen, die waren gespecialiseerd in ovenbouw, staalbouw en de constructie van zware machinerie. De werknemers van die ondernemingen vonden een onderdak in de vele zomerhuizen van Wijk aan Zee. En dat niet voor enkele zomerse weken of maanden, maar voor het overgrote deel van het jaar brachten de zomerhuizen ruime inkomsten op. Bovendien brachten de goede verdiensten van deze ‘monteurs’ en hun levensstijl mee, dat zij nog beter dan de toeristen van weleer de eethuizen en tapperijen op gang hielden. En zo bleef, ondanks het verlopend tij van het toerisme voor de vrouwen van het dorp de werkgelegenheid in de horeca en in de verzorging van zomerhuizen ruimschoots in stand.  

 

Waar het belang van Wijk aan Zee als badplaats en als bestemming voor het strandtoerisme afnam, daar groeide de betekenis van het dorp als plaats van vestiging. Een reeks van straten werd aangelegd en daar verrees in de loop van dertig jaren veel nieuwbouw. De kostwinners van de gezinnen, die zich daar vestigden, hadden meestal een hogere opleiding en vervulden kaderfuncties bij het staalbedrijf Hoogovens of ook wel elders. De prijs van de koophuizen maakte een goed en vast inkomen beslist noodzakelijk. Op het gebied van inspraak en in milieuzaken waren de nieuwe dorpsgenoten bepaald actiever en ook meer kritisch ingesteld dan de ‘dorpers’. Het dorpshuis De Moriaan kwam tot stand, alsook een rechtstreeks gekozen Dorpsraad. De vrouwenteams van de Volleybalvereniging en de Handbalvereniging brachten het ver in de regionale en landelijke competities.  Voor het samengaan van de Rooms-Katholieke en de Openbare school ontwikkelden de nieuwelingen mede een baanbrekend concept. En de vrouwen hebben tot op de dag vandaag een belangrijk aandeel in de ‘samenwerkingsschool’ de Vrijheit. Ook in het kerkelijk leven kwam het onder invloed van de  meer kritische en open instelling van de nieuwkomers tot nauwere samenwerking. De vrouwen binnen de kerkgenootschappen hebben daar nog altijd een stevig aandeel in. Ondertussen ging de zorg voor zieken en bejaarden, zoals die al eeuwen in het dorp een plaats had gekregen in het leven van vrouwen en dochters, gewoon door.

 

Na verloop van tijd ontgroeiden de actievoerders van het eerste uur zowel het Dorpshuis als de gevestigde kaders, zoals de Dorpsraad en het verenigingsleven. Men bekende zich meer en meer tot het creatieve actiecentrum Sonnevanck. Van daaruit ontstonden tal van initiatieven en protestacties, en dat alles vond  een voorlopig hoogtepunt in 1999. Het jaar waarin Wijk aan Zee zich opwierp als Cultureel Dorp van Europa. Opnieuw was het aandeel van vrouwen in de activiteiten opvallend groot. Zij traden niet alleen op de voorgrond in de straatcomité’s, zij verzetten ook een groot deel van het werk in de landengroepen. Voor de ontvangst van elk van de aangesloten dorpen namen de vrouwen veelal de organisatie en de contacten op zich. Ook de kookploeg, die voor grootste deel uit vrouwen bestond (en nog trouwens) verzette bij vele gelegenheden bergen werk om het de ‘dorpers’ en de buitenlandse gasten naar de zin te maken. Na 1999 is dat alles niet tot stilstand gekomen. Nog altijd is er de jaarlijkse reeks van evenementen, die de Stichting Actief Wijk aan Zee voor zijn rekening neemt en waarbinnen vele vrouwen actief zijn.

 

De kustplaats

 

In de komende jaren zal de betekenis van Wijk aan Zee als woonplaats zeker niet afnemen. De kust blijft als plaats van vestiging in trek bij velen. Niet in het minst bij de jongeren, die in het dorp zijn opgegroeid en graag binnen deze gemeenschap willen wonen en een gezin willen stichten. Niet in het minst bij de ouderen, omdat zij zo lang als het maar kan met het dorp verbonden willen blijven. Dat zet een druk op het aanbod van nieuwe woningen en nieuwe woonvormen. Nieuwe plannen brengen nieuwbouw op bescheiden schaal voor een reeks van jaren in het verschiet. De wezenlijke vraag daarbij zal zijn in hoeverre die nieuwbouw ten goede komt aan de eigen aanwas en aan de eigen senioren van het dorp. Het is een van de belangrijkste voorwaarden voor een duurzame verjonging na een lange tijd van toenemende vergrijzing van de dorpsbevolking. Het zal ook een van de belangrijkste voorwaarden zijn voor voortbestaan van het aandeel van vrouwen, zowel oud als jong,  aan de dorpsgemeenschap van Wijk aan Zee. Zij staan in een lange en indrukwekkende traditie van weinig minder dan 1000 jaar. (JB)

 

Hoe ziet Wijk aan Zee er uit in de toekomst?

Hoe ziet Wijk aan Zee eruit in de toekomst?

 

De dorpsraad in Wijk aan Zee ziet zich graag gesteund door dorpsbewoners en wil ook graag dat bewoners met haar mee denken over bepaalde zaken. De dorpsraad heeft namelijk geen politieke belangen. Men werkt met gekozen vrijwilligers die in Wijk aan Zee wonen. Ze verschillen soms van mening, maar uiteindelijk probeert men tot een compromis te komen met als uitgangspunt: “Wat is goed voor Wijk aan Zee? “.

De dorpsraad heeft ook een beeldkwaliteitsplan. Het geeft richtlijnen over hoe en of er gebouwd zou moeten worden en waar bijvoorbeeld meer groen zou moeten komen. De gemeente heeft allerlei bouwplannen op stapel staan . Er zouden de komende tien jaar 200 huizen gerealiseerd moeten worden. Maar….. Moet er wel gebouwd worden? En zo ja voor wie? Hoe hoog moet er gebouwd worden? Moet er meer groen komen?  Moet het moderner of juist  met gevoel voor historie? Een flatgebouw op de weide of paarden? Appartementen of eengezinswoningen? Om zo’n plan te maken  hebben we ook uw visie nodig. Laat uw ideeën de vrije loop en laat ons uw favoriete straatje weten of welke gebouwen echt niet kunnen in ons dorp. Aan de hand hiervan proberen we het beeldkwaliteitsplan  te actualiseren. Uiteraard blijft herinrichten altijd een afweging van economische  en esthetische belangen. Kortom mooi of laagbouw kost vaak meer geld. Maar dat betekent niet dat we met het eerste het beste genoegen moeten nemen. Er moeten en mogen eisen gesteld worden Om u te inspireren heeft  dorpsraadslid Mariette van Soest enkele interviews gehouden met dorpsbewoners die vanwege hun bezigheden zich al vaker in de materie verdiept hebben. Opvallend is dat ze niet altijd zoveel van elkaar verschillen. Men vindt vooral de flat tegenover  Sonnevanck, Westerduin mindere voorbeelden, maar zijn vrijwel allemaal gecharmeerd van Belinfante en Adelaide.

Wilt u hierop reageren of u uitspreken over de inrichting van Wijk aan Zee, mail dan naar m.winkel@clusius.nl  of kom het zelf vertellen in de dorpsraad, elke tweede woensdag van de maand.

 

Jan Budding ( interim- voorzitter dorpsraad en  lid van het proeflokaal)

 

”Iedere streek levert zijn eigen bouwidioom op”, dat is de uitspraak van een bekend architect. Ik kan me daar volledig in vinden. Dat betekent dat je voor Wijk aan Zee aan een dorpse bebouwing moet denken. Als uitgangspunt vind ik dat je daarom “twee hoog en een kap”als norm moet handhaven. Het is ook belangrijk dat er rekening gehouden wordt met de omgeving, het doel van het gebouw maar ook met het historisch perspectief. Belinfante is een prima voorbeeld daarvan. Veel elementen in het gebouw zie je in de omgeving van het Julianaplein terugkomen.

Er is voldoende groen in Wijk aan Zee alhoewel ik bepaalde straten

ook wel weer saai vind. Als je gaat bouwen in Wijk aan Zee moet je voldoende draagvlak creëren . Je moet zowel met de nieuwe bewoners als de omwonenden in gesprek gaan om te kijken of je er samen uit kan komen. Op die manier krijgt iedereen binding met een project.

 

Adrie Huijgens  (Bouw –en woning toezicht van de gemeente Beverwijk)

“In principe is het niet verkeerd uit te gaan van het principe om twee verdiepingen hoog en een kap te bouwen, maar in de hoofdstraten of aan de rand van het dorp kan daar wel van afgeweken worden door  hoger te bouwen. Wanneer op de plek van de mytylschool bij Heliomare gebouwd gaat worden kan dat best 5 hoog worden.

Bij mijn aantreden 6 jaar geleden zei ik gekscherend dat de dorpsweide een prachtige bouwlocatie is, maar inmiddels beschouw ik het als de voortuin van Wijk aan Zee en dat moet ook zo blijven. Ook de dorpsduinen en het zeepad moeten gevrijwaard blijven van bouwontwikkelingen. Het zou mooi zijn om de grote parkeerplaats bij het Zeepad te overkappen met duinen, zodat de parkeerplaats aan het oog onttrokken wordt en het duingebied als het ware doorloopt.

Er zal in de toekomst vrijwel allemaal gestapelde bouw plaatsvinden omdat eengezinswoningen te duur zijn op een kleine bouwplaats. Milieu blijft ook een belangrijk item. Er wordt op dit moment onderzocht of er binnen de “rode contouren”gebouwd kan worden via een vrijstelling of in de vorm van een zgn. “dovegevel”.

Dat betekent dat er op de plek waar nu door een te hoge geluidsbelasting niet gebouwd mag worden, toch gebouwd kan worden na een te voeren vrijstellingsprocedure Hogere waarde en /of er wordt geluidsisolerend gebouwd.

 

Irene Gerlofsma ( actief Sawaz-lid en voormalig wethouder)

Bij het bouwen moet kleinschaligheid voorop staan, maar je moet vooral niet te star gaan denken. Soms is het realistischer en zelfs mooier om hoger te bouwen maar op andere plaatsen moet je dat gewoon niet doen. Het is belangrijk om in relatie met de omgeving te bouwen. Je moet ook niet altijd oude dingen willen kopiëren, er moet ook plaats zijn voor nieuwe. Dat neemt niet weg dat ik kan genieten van mooie oude villa’s aan de van Ogtropweg of de Julianaweg.

Een andere mooie straat vind ik de Relweg. Daar staan mooie authentieke panden met aparte details. In de toekomst moeten we echt aandacht gaan besteden voor wie en hoe we bouwen. Daar moet goed over worden onderhandeld en nagedacht. Je moet niet zo maar met het eerste het beste genoegen nemen. Een voorbeeld van te gemakkelijk gebouwd vind ik het pand tegenover Sonnevanck. We moeten juist met kwaliteit bouwen.

 Een belangrijke doelgroep zijn de ouderen van Wijk aan Zee. Zij moeten gewoon in het dorp kunnen blijven op hun oude dag. Voor jongeren zou er sociale woningbouw plaats moeten vinden. Dat kan huur of koop zijn, wellicht in samenwerking met woningbouwcorporaties. We moeten er in ieder geval naar streven dat het betaalbaar is. Een goed voorbeeld is het lopende project Relmonde. Er wordt geluisterd naar mensen en dat vind ik belangrijk.

Maar ook vind ik het nieuwe Spar-gebouw erg mooi. Er is met kwaliteit gebouwd en de juiste doelgroep is bereikt. Eigenlijk ben ik niet zo heel erg tegen het bouwen bij het Zeepad. Als je daar wat mooie huizen neerzet en wat toeristische voorzieningen zoals een kuuroord, dan wordt de plek mooier en is het tevens goed voor de ontwikkeling van Wijk aan Zee. Je moet blijven kijken naar vervangende of nieuwbouw omdat er ten eerste behoefte is, ten tweede het dorp er mooier van wordt en ten derde het voorzieningenniveau op peil gehouden moet worden.

 

Paul Meiland ( Gemeente raadslid CDA en ondernemer in Wijk aan Zee)

Hoe hoog je bouwt hangt vooral af van de plek .Dat betekent dat ik zeshoog op een bepaalde plek niet uitsluit mits goed afgewogen. De Duinweg en St. Odulphusstraat vind ik erg mooi. Je moet daar ook bouwen vanuit een historisch perspectief, Op andere plekken kun je ook best groot en modern bouwen. De mooiste monumenten zijn vaak groot. De dorpsduinen en de weide moeten bewaard blijven, je kunt er echter wel een recreatieve functie aan geven.

 Je hoeft niet perse te bouwen om voorzieningen op peil te houden. Die blijven wel en waarom zou je überhaupt bouwen? Je kunt op een bepaald moment stellen dat alles vol is en dan moet je vooral vervangend bouwen. Er moet nadrukkelijk voor jonge mensen en jonge gezinnen gebouwd worden. Bijvoorbeeld bij Heliomare kun je leuke jongeren appartementen bouwen. Maar je moet dat onderscheid verder niet zo sterk maken, want voor hetzelfde geld zijn die appartementen net zo geschikt voor bejaarden. Ik hoop dat er in de toekomst nog een paar mooie dingen worden neergezet zoals Adelaide en Belinfante zonder dat daar erg lange procedures aan vooraf gaan, want dat maakt zo’n pand onnodig duur. Vanaf het begin moet er samen opgetrokken worden om wat moois te bedenken en wat tegelijkertijd economisch haalbaar is.

 

 Cees Bodewes (raadslid PVDA en wonend in Wijk aan Zee)

Ik vind het niet realistisch en onbetaalbaar om de stelling  “niet meer dan twee verdiepingen en een kap” te handhaven. Hoe hoog er gebouwd wordt moet afhangen van de plek. Bouwen moet wel bij de aard van het dorp passen, maar dat heeft niets met de hoogte te maken. Aan de rand van het dorp, bijv. bij Heliomare is het heel goed mogelijk om tot 6 hoog te bouwen. Het zou daar interessant zijn om voor ouderen te bouwen die ook zorg nodig hebben, een soort aanleunwoningen. Zo’n voorziening ontbreekt momenteel in Wijk aan Zee en er is zeer zeker behoefte aan voor oudere Wijkaanzeeers op leeftijd. Heliomare zou dan de zorg kunnen bieden. Daarnaast moet er ook gekeken worden  naar huisvesting voor starters en jonge gezinnen. 

Ik was ook tegen bebouwing van de zeereep en tegen bouwen op de parkeerplaats aldaar of op de parkeerplaats van de Dorpsduinen. We hebben deze parkeerplaatsen hard nodig voor het toerisme.In het geval van de Dorpsduinen ook voor Heliomare. Ik zou een nieuwe locatie willen toevoegen namelijk  een stuk van de dorpsduinen tegenover het Neeltje Snijdershof, aan de achterkant van Westerduin.

Eigenlijk zou het geen gek idee zijn om ook huurhuizen te bouwen in Wijk aan Zee met een betaalbare huur of een koopregeling waarbij maar 75 procent van de koopprijs betaald wordt, maar waar bij verkoop ook 75 procent ontvangen wordt. Dit zou wellicht te realiseren zijn met woningbouwcorporaties. Deze woningen zouden dan wel bedoeld moeten zijn voor Wijkaanzeeers.

Een mooie straat in Wijk aan Zee vind ik de Zeecroft of de Gasthuisstraat. Een zeer geslaagd bouwplan vind ik de “de nieuwe Spar”, al is het maar om de vertrutting van het beeldkwaliteitsplan van de dorpsraad te doorbreken . Men zou snel moeten beginnen met nieuwbouw voor ”de oude spar” en dat zou dan net zo hoog mogen worden.

Ik denk dat er genoeg groen in Wijk aan Zee is gezien het duingebied en het weiland.

Als ik moet kiezen tussen welzijn of welvaart voor Wijk aan Zee kies ik voor het laatste.

 

Klaas van Amersfoort ( makelaar en inwoner van Wijk aan Zee)

De stelling “tweehoog- en een kap”is niet realistisch als je te maken hebt met de huidige grondprijzen. Bovendien gaat het in Wijk aan Zee om kleine projecten ,waar een parkeergarage verplicht is. Als je de huizen dan betaalbaar wilt houden moet je de hoogte in. Hoe hoog hangt ook wel af van de locatie.

De hoogte van het huidig Spargebouw moet wel het maximum zijn. Er moet gebouwd worden vanuit een dorps karakter en ook het historisch perspectief is heel belangrijk. Hoe ziet de naaste omgeving eruit. Bij Belinfante bijvoorbeeld is dat goed gelukt. Het heeft een dorps karakter en past qua hoogte precies op het plein.

In de toekomst moeten we vooral voor jongeren bouwen, want dat is de basis voor je dorp. Voorzieningen als scholen, sportverenigingen en het dorpshuis kun je daardoor behouden.

Het zou ook goed zijn als er wat meer huurwoningen bij zouden komen. De woningbouwverenigingen zouden daar aan bij moeten dragen.

Bij Heliomare zou dat heel goed kunnen, geen dure onbetaalbare villa’s, maar appartementen voor jongeren of jonge gezinnen.

Een probleem bij het bouwen in Wijk aan Zee zijn de machtsblokken Hoogovens en PWN. Zij maken het vaak onmogelijk om nieuwe plannen te bedenken. Ik zou voorstander zijn van een paar blokken appartementen achter de Moriaan en dat zou dan weer als zorgcentrum voor ouderen gebruikt kunnen worden.

Ik vind de Julianaweg een mooie straat vanwege de verschillende bebouwingen en zeker Adelaide is een geslaagd bouwproject geweest.Het appartementengebouw tegenover Sonnevanck, op de plek van het voormalige Welgelegen is een misser. 

Wij hebben genoeg groen in het dorp. Ik zou het ook niet erg vinden als de voetbalvereniging verplaatst wordt naar Tussenwijck en om op het huidige terrein een mooi nieuw wijkje te bouwen.

Speldorado, de voormalige jeugdverblijven wil graag bouwen. De behuizing voor de jeugdverblijven vernieuwen,  starterswoningen en daarnaast appartementen ter uitbreiding van het hotel Zeeduin. Ik zou dat van harte toe willen juichen. Het is een mooie uitgekiende combinatie.

 

Puck Witte ( gemeenteraadslid VVD )

Historische, karakteristieke gebouwen die beeldbepalend zijn moeten worden gehandhaafd. Nieuwe bebouwing is nodig om voorzieningen als de Spar, de huisartsenpost , de basisschool en sportpark  op peil te houden. Wij kiezen dan voor levensloopbestendig bouwen en dus voor elke doelgroep. Hoe hoog  de bebouwing wordt is afhankelijk van de locatie. Het doel zal de afmetingen en het karakter bepalen. Er is een constante afweging tussen milieu en wonen, daarbij sluit ik niet uit dat thans onbebouwde gedeeltes zullen worden bebouwd met uitzondering van de dorpsweide. De daaraan gelegen Julianaweg vind ik de mooiste weg door de afwisselende bebouwing op hoog en laag niveau. Daarin past zo’n pand als Adelaide perfect vanwege zijn architectuur en afmetingen. Welvaart en welzijn zijn in mijn ogen geen tegenstellingen, integendeel ze versterken elkaar.

Wij vinden Wijk aan Zee een dorp met voldoende groenvoorzieningen.

 

Ruud Ettema ( Stichting Speldorado en bezig met nieuwbouw voor de jeugdverblijven)

Hij wil heel graag het huidige pand vernieuwen en daar, jeugdkampbehuizing, een crèche, jongerenhuisvesting (koop) en logies ten behoeve van Residentie Zeeduin realiseren. Het een is nodig om het ander mogelijk te maken. De dorpsraad heeft zich er ook over gebogen en ziet naast de voordelen ook nadelen : Het pand wordt aanmerkelijk forser dan het huidige pand en het bevindt zich ook buiten de aangewezen contouren.

De heer Ettema: “ Ik vind het uitgangspunt van de dorpsraad ‘twee verdiepingen en een kap’ als maximale hoogte een prima uitgangspunt. Daarvan moet niet afgeweken worden.
Als ik vanuit historisch perspectief naar Wijk aan Zee kijk vallen vooral de witte huisjes op. Dat zou een leidraad voor nieuwbouw kunnen zijn. Wijk aan Zee heeft voldoende groen, maar dan moet de dorpswei en het duingebied behouden blijven.

Ik zou in Wijk aan Zee vooral bouwen voor jongeren en jonge gezinnen, nodig voor nieuwe voorzieningen. Op de locatie van de school van Heliomare zou een combinatie van eengezinswoningen en appartementen moeten komen.

De mooiste straat vind ik de Odulphusstraat omdat die zo mooi oploopt met het trappetje.

Het restaurant van de familie Schoos vind ik erg geslaagd. Ronduit een gedrocht vind ik de sporthal van Heliomare. Een groot log bouwwerk.

Voor mij geeft welzijn de doorslag boven welvaart bij het bouwen, het dorp moet leefbaar blijven.

Als hij een heel eigen idee zou mogen lanceren dan is het een zomerpaviljoen op het strand voor kinderen. Veel kinderen houden niet altijd van zon en vinden de schaduw ook wel prettig en ze willen een eigen plek.