Erfgoed 5: Dorp en landschap
U bent nu hier: wijkaanzee.org - Het actuele nieuws uit het dorp Wijk aan Zee >> Geschiedenis >> Erfgoed 5: Dorp en landschap

Het dorp en zijn landschap

 

Aanwas en afslag 

 

De aanwas en afslag aan de kust van de ijstijd tot aan de stichting van  Wijc op See omspant een tijd van tenminste elf millennia.

 

De laatste ijstijd, het Weichselién, eindigde ongeveer 10.000 jaar geleden. De zeespiegel stond bijna 60 meter lager dan nu. De gletsjers trokken zich terug en de Europese laagvlakte veranderde van een toendra in een steppe. In het tijdperk, dat bekend staat als het Atlanticum (6500-4000 jaar geleden) overspoelde de oceaan het Noordzeegebied en Engeland werd een eiland. Aan deze kant van het grote water bepaalden zachte glooiingen en ruggen van dekzand het landschap zo ver het oog reikte en in het westen bruiste de zee. De zeespiegel steeg met gemiddeld 3 centimeter per jaar (nu 0,15 cm). De temperatuur lag in de regel iets hoger dan wij gewend zijn. De grote en de kleine rivieren vloeiden rustig meanderend door het landschap voordat zij uitstroomden in de zee. De hogere gronden raakten overdekt met bossen. Tussen de zee en het hogere land lag het weidse getijdenbekken van Holland. De grens van het hogere land viel ruwweg samen met de westrand van de Brabantse zandgronden, de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe.  De stroom, die wij kennen als de Overijsselse Vecht stroomde toen ter hoogte van Petten in de zee.

 

In de 2000 jaar, die volgden, kwam aan de buitenrand van het Hollandse getijdenbekken  geleidelijk een strandwal te liggen. De strandwal ontstond onder invloed van de zeestroom, de getijbewegingen, de zon en de wind. Tweemaal daags drong de vloedstroom uit de Atlantische Oceaan door het Nauw van Calais de zuidelijke Noordzee binnen. Naar gelang de stroming vertraagde, sloeg meer zand neer op de ondiepe zeebodem. Na verloop van tijd lagen zandbanken als golven evenwijdig aan de dagelijkse vloedstroom. Bij eb droogden de wind en de zon de bovenste zandkorrels. De wind voerde die korrels dan mee, tot even voorbij de vloedlijn. Daar vergingen de aangespoelde resten van planten en dieren tot een humuslaagje; een vruchtbare ondergrond voor planten als de zeeraket en het biestarwegras. In luwte van deze planten vormden zich uiterst kleine zandheuvels. Onderstuiven was voor het biestarwegras geen bezwaar. De halmen verstikten niet als ze onder het zand raakten, ze groeiden naar de oppervlakte en vormden zo duinheuveltjes tot een halve meter hoog. Daarop ging helm groeien en dat kon door nog dikkere lagen zand dringen; het duintje werd dan enkele meters hoog. Een reeks van stuifduinen groeide zo uit tot een strandwal. Tientallen eeuwen achtereen sloot de zee zich zo buiten door het overschot aan zand en verlegde de kust zich naar het westen, tegen de langzaam stijgende zeespiegel in.

 

In de loop van vier millennia, tussen 6000 en 2000 jaar geleden, zijn zo drie strandwallen gevormd. De meest oostelijke wal liep over de lijn Akersloot-Uitgeest naar Rijswijk. De middenwal liep van Alkmaar over Beverwijk in de richting van Leiden en Den Haag. De buitenwal liep van Egmond over Bakkum naar het zuidwesten.

 

Achter het stelsel van strandwallen verloor de zee zijn invloed, het water kwam tot rust op de strandvlakte; de regen en het rivierwater maakten het water eerst brak en later zoet. Als gevolg van die verandering maakten de zoutminnende kwelderplanten plaats voor moerasplanten. Van jaar op jaar vormden de resten van die planten veenlagen. Dat ging zo door tot zij boven de gemiddelde waterstand uitkwamen. Toen nam het veenmos (spaghnum) de veenvorming over. Deze plant nam een meervoud zijn gewicht aan regenwater op. Zo groeiden op het oude laagveen voortaan dikke lagen hoogveen, die uiteindelijk tot enkele meters boven de zeespiegel reikten. Deze ontwikkeling werd verstoord door de vorming van uitstroomvlakten, estuaria, ter hoogte van Voorne en Bergen. Die zeegaten zorgden voor een versnelde afvoer van water uit het hoger gelegen gebied en het veen begon in te klinken. Dat ging uiteindelijk zo ver, dat het inzakkende veen en de stijgende zee elkaar naderden tot ongeveer een meter hoogteverschil. De veengebieden bleven nog in stand, goed beschermd achter de strandwallen.Totdat 2000 jaar geleden de grootscheepse zandaanvoer sterk verminderde en de voorste strandwal en het achterliggende veengebied in gevaar kwamen. De immer stijgende zee zette de aanval in. Een aanval, die tot op de dag van vandaag voortduurt.

 

Het dreigende gevaar van overstroming werd nog versterkt door het toedoen van de mensen. In de oudste tijden hadden zij zich er nog toe beperkt te jagen en te vissen in de moerassen en te wonen en te weiden op de landinwaarts gelegen wallen. In de Bronstijd en IJzertijd waren zij verder gegaan. Zij rooiden de bossen op de strandwallen, dat veroorzaakte erosie. Zij legden op de opengelegde bospercelen akkers aan. Dat verarmde de bodem en het veroorzaakte nog meer erosie. Zij legden sloten aan voor de afwatering van het veen. Zo konden zij ook daar akkers en weiden aanleggen. Verder gebruikten zij het veen om turf te steken. En door het veen te ‘zieden’ wisten zij er zout uit te winnen. De veenbodem begon opnieuw in te klinken. Schaarse delen die tot onder de zeespiegel zakten, moest men beschermen met lage kaden. Het water liep bij laag water weg door klepduikers, die loosden op de rivieren. Tussen 2000 en 1500 jaar geleden kon het landschap dat nog verdragen, maar toen het klimaat veranderde, waren de grenzen bereikt. De regenval en de wateraanvoer van de rivieren namen sterk toe. Het land raakte doorweekt en het kon zijn bewoners en het vee niet meer voeden. In de tijden van de Volksverhuizing (500-650) lagen deze streken er verlaten bij. De meeste bewoners waren weggetrokken met meenemen van have en goed.

 

Enkele eeuwen later kreeg de ontwikkeling een nieuwe wending. Het Friese ‘land der vaderen’, Kinheim, raakte herbevolkt. De zee sloeg brede stroken van de kust af en dat begon in de 10de eeuw. Voor het landschap van Kennemerland had deze kusterosie grote gevolgen. De zee zette de afslag van de lage, oude duinen, af op de zandbanken voor de kust. Wind en zon droogden het zand en dat verplaatste zich op de wind van zuidwest naar noordoost. Zo verloor het land ter hoogte van Midden-Kennemerland niet minder dan 1,5 kilometer aan de zee. Die enorme hoeveelheid zand werd voort geblazen en opgehoopt tot loopduinen van ettelijke meters hoog. De vorming van de veel hogere ‘jonge’ duinen was op gang gekomen. Deze zandruggen verzwolgen en bedolven alles wat op hun weg kwam: de schaarse akkers en weiden, maar vooral ook de lagere, oude duinen met hun plantendek. In de loop van een jaar konden deze duinwallen zich verplaatsen over een afstand van ongeveer 25 meter en zo heeft de zandmassa van het Paasduin bij Wijk aan Zee zich in de loop van een eeuw 2,5 kilometer verplaatst; onder invloed van de overheersende windrichting van zuidwest naar noordoost. Dit alles viel samen met een buitengewoon lange tijd van droogte. Minder neerslag bracht een daling van het grondwater in de duinen te weeg. Het veen in het achterland verdroogde naar verhouding ook. Van het toch al schaarse grondwater onder de duinen vloeide een belangrijk deel naar het achterland. Toen in de 10de eeuw de moerassen minder zompig werden, kreeg de ontginning van het veengebied een ongekende vlucht. Het inklinken, het dalen van de veenbodem trad nu nog sterker op. Dat zette nog eens te meer aan tot de afstroom van grondwater uit de duinen. De duinen verdroogden nog sneller en het stuiven nam hand over hand toe. Zo is het Paasduin tot aan de 11de  eeuw opgeschoven van een punt halverwege het noordelijke havenhoofd, de pier, naar de plaats waar het duin vandaag ligt.

 

Die plaats spreekt niet vanzelf. Het machtige zandlichaam zou zonder meer in de eeuwen, die volgden verder naar het noordoosten gestoven zijn. Over de Dorpswei en daar nog voorbij. Ware het niet, dat de stichters van Wijc op See de reus in de 11de eeuw tot staan gebracht hebben. Zoals zij ook het Vuurbaakduin en het Westerduin wisten te bedwingen met plaggen en de aanplant van helmgras.

 

 

De duinen in de Middeleeuwen en latere eeuwen

 

Zo lang als er mensen in het duinen hebben gezworven en gewoond, zo lang hebben zij er ook gejaagd.Vanaf de Vroege Middeleeuwen eisten de hoge heren het gebied steeds meer voor zichzelf op. Van Karel Martel is al bekend, dat hij in Midden-Kennemerland uitgebreide domeinen had. Enkele eeuwen later kreeg graaf Gerulf van keizer Arnulf van Oost-Francië (de voorloper van het Duitse Rijk) grote landgoederen als geschenk. De keizer was hem dank verschuldigd voor de moord op Rorik, de roerige Vikingheerser, de hertog van Frisia Magna. Het was ook een genoegdoening aan de graaf, omdat de hertogentitel met bijbehorende rechten niet op Gerulf was overgegaan.

 

In het hoogtij van de Middeleeuwen (875-1125) was het duingebied een woestenij, waar stormen en wind oppermachtig waren en zand het land teisterde. De weinige bewoners weidden hun vee, meestal schapen en geiten, naar eeuwenoud recht in de duinen. Met visserij en karige akkerbouw hielden zij zich in leven. Het plantendek had toen al sterk te lijden onder de vraat van de geiten. Het zou nog erger worden.

 

In de 13de eeuw liet de graaf van Holland op grote schaal konijnen uitzetten in zijn domein. Zijn leenheren volgden hem terstond. Het toch al kwetsbare plantendek kreeg nog meer te verduren. De konijnen groeven en vraten dat het een aard had en plantten zich razendsnel voort. Ook de twijgen van struiken en de bast van jonge bomen moesten er aan geloven, zeker in de winter als de grasveldjes waren kaalgevreten. Zandverstuivingen namen toe in tal en last. Toch diende het uitzetten van de konijnen geen ander doel dan het jachtvermaak van de adel. De toenemende zandverstuivingen namen de heren op de koop toe. Om de konijnenstand veilig te stellen, maakten de grafelijke jachtopzieners felle jacht op de vos en de wolf. Tegen het einde van de Middeleeuwen, omstreeks 1500, waren deze dieren in het jachtrevier uitgeroeid.

 

Alsof de overlast van de zandverstuivingen en de vraat van het wild aan de gewassen nog niet genoeg waren, eisten de heren van hoge adel ook nog dat de bevolking wildheiningen moesten oprichten en in stand houden. Niet om de wildschade op de landerijen tegen te gaan, maar om te voorkomen dat wild zou ontsnappen en in ‘verkeerde’ handen zou vallen. Dat gebeurde toch en op ruime schaal ook; de strenge keuren op stroperij met hoge straffen lieten daarover geen twijfel bestaan. In 1600 zwierven er nog ongeveer 3500 edelherten tussen Wijc op See en Bakkum in het grafelijk domein. Vijftig jaar later waren ze verdwenen. Niet alleen de bewoners, maar ook hun huisdieren, deelden in het leed. De katten moesten verminkt worden aan de oren en de honden aan de poten, volgens een decreet van Philips de Goede, hertog van Bourgondië, graaf van Holland.

 

In de 15de eeuw, in 1429, werd namelijk de grafelijke waardigheid een van de vele adellijke titels, die Philips van Bourgondië voerde. In naam van de vorsten uit het Bourgondische Huis en na hen uit het Habsburgse Huis voerden stadhouders het bewind over het graafschap. Totdat ook daar een eind aan kwam en tegen het einde van de 16de eeuw toen de Staten van Holland de grafelijke rechten aan zich trokken. Aan de verdeling van de jachtrechten veranderde er weinig. In de eerste helft van de 18de eeuw raakten de Staten van Holland in geldnood. Zij besloten de heerlijkheden met alle daaraan verbonden rechten te verkopen aan de meest biedende, meestal een rijke koopman uit Amsterdam. Zo kwamen het schoutsambacht van Beverwijk, van Wijk aan Duin en dat van Wijk aan Zee in handen van Frans van Harencarspel. Hij was een vooraanstaand lid van de vroedschap van Amsterdam. Na overerving kwamen de heerlijke rechten in een zijtak van de familie terecht, bij de Rendorps. Zij bewoonden het kasteel Marquette in Heemskerk. In 1795 vervielen de adellijke titels, na 1813 werden zij echter in ere hersteld. Er kwam voorgoed een eind aan, toen jonkvrouwe J.M.M. Rendorp kwam te overlijden. Zij was de laatste die zich Vrouwe van Wijk aan Zee mocht noemen. In het verdere verloop van de 19de eeuw legden de grootgrondbezitters zich nog steeds toe op de jacht. Maar zij maakten ook een begin met de ontginningen voor de akkerbouw en met de aanplant van bossen. De zandverstuivingen  moesten beteugeld worden, anders had de aanleg van akkers en weiden geen enkele zin. De ontginningen was geen lang bestaan beschoren, de ene landbouwcrisis volgde de andere op in de 19de eeuw. Daarbij kwam nog, dat concessiehouders steeds meer water aan de duinen onttrokken om de stedelingen van drinkwater te voorzien. Akkerbouw werd in het duingebied geleidelijk aan onmogelijk toen het Noordzeekanaal tot stand kwam, de papierfabriek zich vestigde in Velsen-Noord en het Hoogovenbedrijf in de Breesaap kwam te staan. De fabrieken pompten enorme hoeveelheden water uit de ondergrond en de stoomgemalen hielden de diepe IJ-polders droog. Vier oorzaken van een versterkte afstroom van duinwater.

 

Het duingebied in de 20ste eeuw

 

De stijging van de welvaart van de werkende bevolking had voor het duingebied twee gevolgen. Het waterverbruik nam van jaar op jaar toe. Steeds meer huishoudens kregen een aansluiting op het waterleidingnet en het verbruik per huishouden steeg voortdurend. De welvaart bracht ook vakanties met zich mee voor brede lagen van de bevolking. Velen wisten de weg naar het duin te vinden als fietsers, als wandelaars en als kampeerders. Het duingebied begon aan belang voor de recreatie te winnen.

 

Het Provinciaal Waterleidingbedrijf van Noord-Holland stelde zich in op de toestromende recreanten. Paden werden aangelegd voor fietsers en wandelaars, de kampeerders kregen hun terreinen toegewezen. Het PWN beschouwde zijn terrein niet langer als een waterwingebied, maar ook als een natuurpark. Veel had het park met de natuur niet te maken. Er groeiden weliswaar planten, er waren fazanten en konijnen, nog veel meer vogelsoorten bovendien. Maar toch, het gebied stond tamelijk ver van de natuur af. Op de westhellingen van de duinen groeiden bomen, in de ‘wilde’ natuur zou geen boomvrucht of zaaddoos op deze hellingen ooit zijn ontkiemd. 

Daarbij kwam nog, dat de bossen voornamelijk bestonden uit Oostenrijkse en Corsicaanse dennen, die in keurige rijen waren aangeplant. Om het dennenbos heen stond in de regel een windsingel van loofbomen. Een verre van natuurlijke schikking.

 

In de tweede helft van de 20ste eeuw groeide de belangstelling voor het milieu en de vrije natuur sterk. Ook de samenhangen van leefgemeenschappen in het landschap kregen meer aandacht. Het PWN ging het duinlandschap anders bezien. Ecologen,  de wetenschappelijke kenners van de samenhangen in het landschap, gingen de vegetatie en de dierenwereld in kaart brengen en zij stuitten daarbij op plekken, die ernstig verstoord waren en een zeer onevenwichtige opbouw te zien gaven. Op het beschrijven van het duinlandschap volgde het uitdunnen van de dennenbossen,  het wegsteken van plaggen en het weiden van grote grazers.

 

Drinkwaterwinning in de duinen

 

De belangrijkste maatregel van allemaal was echter het herstel van het grondwaterpeil in de duinen. Voortaan liet men de waterhuishouding van de duinen meer met rust. De winning van drinkwater steunde voortaan zo goed als geheel op de aanvoer en infiltratie van water uit het IJsselmeer.

 

Maar, zo begon het niet. Eeuwenlang hadden de bewoners van  de kustdorpen waterputten gegraven en die bekleed met plaggen. Zo waren zij altijd verzekerd van helder en fris drinkwater. IN later tijden voeren schepen van de duinstreek naar de steden om de brouwers van schoon water te voorzien. In de jaren tachtig van de 19de eeuw begon de winning van drinkwater op grote schaal. Op korte afstand benoorden Wijk aan Zee groef de Zaanse Waterleiding Maatschappij een diepe kuil, die liep vol water en dat pompte de maatschappij naar de Zaanstreek. Uiteindelijk kwam de winning van drinkwater geheel in handen van het Provinciaal Waterleidingbedrijf van Noord-Holland. De waterhuishouding van de duinen raakte van jaar op jaar meer uit zijn evenwicht. De hoeveelheid neerslag in het duingebied stond in geen verhouding tot de hoeveelheden die de industrie en het PWN uit het gebied wegpompten. Om nog bij de watervoerende lagen te komen moest het PWN putten slaan in de diepere ondergrond. Reeds toen was te voorzien, dat het zo niet lang kon doorgaan. De leiding van het PWN zag dat in en zocht naar nieuwe mogelijkheden. Evenals de Amsterdamse Waterleiding, die de duinen van Zuid-Kennemerland leegpompte. De plannen van die tijd kwamen nooit verder dan de tekentafel omdat kort daarna ons land betrokken raakte bij de Tweede Wereldoorlog. In de jaren van wederopbouw werd duidelijk, dat ingrijpende maatregelen noodzakelijk waren en weinig uitstel meer duldden. Het PWN en de Amsterdamse Waterleiding sloegen de handen ineen en zij richtten een maatschappij op voor het transport van rivierwater naar de duinen van Midden- en Zuid-Kennemerland. De transportleiding tussen Jutphaas aan de Lek en het infiltratiegebied tussen Wijk aan Zee en Bakkum kwam gereed. Het aangevoerde Rijnwater kon in het infiltratiegebied uitvloeien over het duinzand en wegzakken in de diepere ondergrond. Op zijn weg naar de diepte werd het gezuiverd van plantaardige en dierlijke kiemen. De zoetwaterbel in de duinen van Midden-Kennemerland nam niet verder in omvang af en dat was geen ogenblik te vroeg. Als gevolg van de waterwinning door het PWN en de industrie reikte de zoetwaterbel niet meer tot 120 meter diep, maar nog slechts tot een diepte van 90 meter. Een watervoerende laag in de diepe ondergrond van maar liefst dertig meter was verzilt geraakt door het opdringen zoute water  Aan de bovenkant van de zoetwaterbel was het grondwaterpeil met drie meter gedaald.

 

De aanvoer van het Rijnwater bracht een oplossing, maar er kleefden bezwaren aan. Het water raakte ernstig vervuild door de lozingen van steden en kalimijnen in de bovenloop van de rivier. Het zoutgehalte van het water steeg. Het PWN zocht opnieuw naar een uitweg. De oplossing werd gevonden in de aanleg van een transportleiding van Andijk naar het infiltratiegebied tussen Wijk aan Zee en Bakkum. Het water van het IJsselmeer was in de loop van de tijd zoet geworden in plaats van brak; de afsluiting van de Zuiderzee lag al meer dan dertig jaar terug in de tijd. De toevoer van rivierwater uit de Rijn en de IJssel, langs de omweg van het IJsselmeer, bood nieuwe mogelijkheden. Het PWN legde nauwelijks nog een beslag op de jaarlijkse neerslag in het duingebied, het peil van het bodemwater steeg. In de regenachtige jaren negentig van de 20ste eeuw was de stijging zeer aanzienlijk. De tuinders en bewoners van de duinzoom gingen klagen over wateroverlast op de landerijen en in de kruipruimten en kelders van de huizen. In het dunterrein zelf vulden kuilen en poelen zich met water en daar gedijden waterminnende planten wel bij. 

 

In de duinen valt gemiddeld 775 mm regen per jaar. Op kale zandgrond zakt het water snel weg en daarvan bereikt 580 mm de diepere ondergrond.  In loofbos komt 310 mm in de onderlagen terecht en in de dennenbossen is dat nog maar 65 mm. Alleen al voor een beter behoud van de neerslag is het goed dat er meer open verstuivingen komen, dat de dennenbossen uitgedund worden en dat grazende runderen en schapen nieuwe bosontwikkeling tegenhouden. 

 

Dynamiek in de duinen

 

De dynamiek van de duinen, zoals wij die kennen, is bijzonder hoog. Voor de duinen in de onmiddellijke omgeving van Wijk aan Zee gaat dat ook op. Bij elkaar heeft men tien factoren gevonden, die voor het duinlandschap van belang zijn. Daaruit valt af te leiden, dat voor elke vierkante centimeter van het duin zich 210 mogelijkheden voordoen, dat zijn er opgeteld 1024. Dat geldt dan nog alleen voor de vraag of een factor op een bepaalde plaats werkzaam is of niet (of ja of nee, dat zijn twee mogelijkheden). Die veronderstelling is te beperkt. Het ligt dichter bij de werkelijkheid om aan te nemen, dat elke factor niet alleen zwak, matig of  sterk aanwezig kan zijn, maar ook nog eens volledig aanwezig of volledig afwezig. Dat  levert 510 mógelijkheden op  en dat zijn er 9.765.625 bij elkaar! In die samenhang is het duidelijk, waarom 850 van de 1400 hogere plantensoorten, die ons land telt, te vinden zijn in de duinen. Wat de diersoorten betreft, is de rijkdom naar verhouding nog groter. Van de 190 vogelsoorten in Nederland broeden er 140 in het duinland.

 

Aan de hand van waarnemingen onderscheiden de ecologen in de duinen nu 107 afzonderlijke gemeenschappen van dieren en planten. En elk van die gemeenschappen staat onder zwakke of juist sterke invloed van een factor of een groep van factoren. De factoren waar het hier om gaat, dat zijn de volgende: vocht, kalk, humus, voedselrijkdom, zout, wind, ligging, verstoring, opvolging en begrazing.

 

 Vocht heeft een grote invloed. In stuifkuilen staat soms water als zij diep genoeg zijn en dat trekt planten aan, die in moerassen goed gedijen. Maar vocht doet niet alleen aan de oppervlakte zijn werk. Het grondwater, verborgen in de bodem, voedt de wortels van weer andere planten. In het zuidelijk deel van de duinen, tussen Wijk aan Zee en Bergen is het grondwater rijk aan kalk en dat is een goede tegenhanger van de bovenlaag, die licht verzuurd is. Deze verzuring is een gevolg van de vervuiling en uitloging van de bovenste grondlaag door de neerslag.

 

Kalk geeft zuurminnende planten geen kans. Heide komt in de zuidelijke duinen niet voor, wel de meidoorn en de duinroos. Hoe oudeer het duin, hoe minder kalk, Dat komt door uitspoeling of uitloging. Maar het zuidelijke duin is bijzonder kalkrijk. Vooral omdat van het begin af hier veel schelpen en schelpresten met het zand landinwaarts zijn geblazen. Kalk heeft de bijzondere eigenschap dat het plantenresten snel afbreekt en ook de humus , die daarbij ontstaat. Het gevolg is dat de bouwstoffen in planten naar verhouding zeer snel in de bodem terugkeren in hun elementaire vorm.

 

Humus is een kort bestaan beschoren in de kalkrijke duinen van het zuiden. Het wordt snel afgebroken tot zijn bestanddelen en keert zo in de bodem terug. Bepaalde planten en struiken zoals de meidoorn en de duinroos hebben voordeel bij een zo snelle omzetting. Dat betekent wel dat het landschap schielijk dichtgroeit. Het ‘verruigt’zoals men dat noemt. Dat proces verloopt hier bijzonder snel omdat de konijnen vrijwel uit de duinen zijn verdwenen. En het waren juist deze dieren, die al gravende en knagende het opschieten van jong struikgewas tegenhielden.

 

Voedsel: hoe sneller de kringloop van groeien, afsterven en afbraak zich voltrekt, hoe voedselrijker de duinbodem zal zijn. Concentraties van plantenresten langs de vloedlijn en langs waterlopen dragen nog eens te meer bij aan de verrijking met voedingstoffen. Dat is dan nog de natuurlijke gang van zaken. Bij dit alles komt nog eens de invloed van de mens. Uit industriegebieden en grote steden komen vervuilde lucht en verzuurde regen overwaaiden. Niet alleen van dichtbij uit de IJmond, maar ook van over de Noordzee. Naar schatting verrijkt het toedoen van de mens het duin met dertig procent extra voedingstoffen, zoals ammoniak, nitraat en fosfaat.

 

Zout komt mee met de wind uit de zee en verdroogt de bladeren van planten en struiken. Zout en wind houden de groei van bomen en struiken in de zeereep tegen. Alleen helm en grassen weten zich daar te handhaven. Meer landinwaarts zijn omstandigheden wat gunstiger en daar scheert de wind de bomen en struiken aan de westelijke kant. Zo lijkt het dat de bomen en struiken naar het oosten en noorden lijken over te hellen.

 

Wind, zeker als die in beladen met zout en zand, heeft de gevestigde planten weinig goeds te bieden. Het grote belang van de wind is echter het niet te overtreffen vermogen tot vernieuwing. De wind blaast kuilen in het zand en legt zo kalkrijke onderlagen bloot. Waar het grondwater te voorschijn komt, daar vestigen zich waterminnende planten. Waar de wind het zand heenvoert, daar krijgen helm en zandzegge een kans. Het oude plantendek gaat dan verloren.

 

Ligging op het noorden of het zuiden is allesbepalend. Alle voorgaande factoren scheppen voorwaarden, maar of het werkelijk tot ontkiemen en groei komt, dat bepaalt de ligging. Op de zuidelijke hellingen kan bij zomerse zonneschijn de temperatuur oplopen tot 60 graden Celsius. Enkele meters verderop, op de noodhelling komt de temperatuur zelden boven de 15 graden en is er kans op nachtvorst op vrijwel alle dagen van het jaar. Deze grote tegenstellingen zijn af te lezen aan het plantendek op de zuidelijke en de noordelijke hellingen. Nu wil het geval, dat het duingebied voor een groot deel bestaat uit hellingen op het noorden of het zuiden en dat houdt verband met de heersende windrichting, die gaat van zuidwest naar noordoost.

 

Veroudering heeft te maken met het uitlogen van de grond, het verlies aan kalk en de voortschrijdende verzuring. Dat proces verloopt vrijwel ongestoord waar de wind weinig vat heeft op het landschap. De afstand tot de zee speelt daarbij een rol en ook de dichtheid en de hoogte van de bomen en struiken. De invloed van wind zout en zand is aan de binnenduinrand daarom sterk afgenomen. Nu is veroudering een betrekkelijk begrip en de mate van veroudering is alleen af te lezen aan het begin, waar het strandmilieu overheerst. Het eindstadium van veroudering is bereikt als aan de binnenduinrand een eikenbos tot ontwikkeling is gekomen.

 

Verstoring is een rechtstreeks gevolg van menselijk handelen. Wegen en paden doorsnijden het landschap en zij hebben invloed op de planten in de berm. Die invloed van de mens is nog betrekkelijk bescheiden. De aanplant van dennenbossen met windsingels van loofbomen op de zandverstuivingen en de ontginning van de duinvlakten bracht nog meer grodverzet en dus nog meer verstoring met zich mee. Men moest plantkuilen graven, greppels en sloten aanleggen en de akkers uitvlakken. In verleden waren de duinen aan de oostelijke rand al vlak gemaakt, waardoor het nollenlandschap verloren ging. Dat werden de zogenoemde geestgronden. In de vorige eeuw zijn veel van die geestgronden gekeerd. De diepe ondergrond is naar boven gehaald en zo werden de landen geschikt gemaakt voor de teelt van bloembollen. Deze schaal van verstoringen was grootscheeps, maar die werd nog overvleugeld door het grondwerk dat nodig was voor de drinkwaterwinning en de aanleg van infiltratievelden.

 

Begrazing met schapen, geiten, runderen en paarden is nodig sinds het konijn in de duinen aan massale sterfte ten onder is gegaan door ziekte vooral. De vossen hebben zich daarbij niet onbetuigd gelaten sinds er niet meer op ze gejaagd werd. De aantallen konijnen zijn te gering om nog veel invloed te hebben op de ‘verruiging’ van het open duin. Deze hernieuwde inscharing van grote grazers in de duinen sluit aan op een gewoonte uit een ver verleden. In de Middeleeuwen lieten de bewoners van de kustdorpen hun kleinvee, want het waren vooral schapen en geiten, grazen in de duinen. Deze dieren vraten aan grassen en aan de twijgen en scheuten van bomen en struiken. De keutels van deze dieren verrijkten de bodem in lichte mate met voedingstoffen en hun hoeven drukten de bodem aan. Zo ontstond een uitzonderlijk duinlandschap, dat kenmerkend is voor de omgeving van de kustdorpen.

 

De duinen als natuurgebied

 

Het Waterleidingbedrijf van Noord-Holland heeft het Duinreservaat in pacht van de provincie. De overeenkomst loopt tot 2040. Het bedrijf heeft tot 2012 een beleidsvisie ontwikkeld en zich daarbij doelen gesteld op drie velden. Het zijn: de drinkwaterwinning, het natuurbeheer en de recreatie. Tot voor kort was dat ook de volgorde van belangen, maar er is een lichte verschuiving opgetreden. De drinkwatervoorziening en het natuurbeheer nemen nu vrijwel gelijkwaardig een eerste plaats in. De Natuurbeschermingswet is daar de oordzaak van. Volgens die wet moet de natuur in aangewezen gebieden ongestoord zijn gang kunnen gaan. De beheerder moet zich zoveel mogelijk beperken en vooral de ontwikkeling van bedreigde planten en dieren in het oog houden. Maatregelen om de bedreiging weg te nemen zijn nog wel toegestaan. Dit nieuwe wettelijke kader heeft invloed op de drinkwatervoorziening. Aanleg van nieuwe infiltratiegebieden is in de toekomst zo goed als uitgesloten. Het mag dan zijn, dat de drinkwatervoorziening een groot maatschappelijk belang heeft, maar voor elke verstoring van de natuur zal men een vervanging moeten vinden. Zo dat niet mogelijk blijkt, dan is voor deze en ook andere werken in het Duinreservaat geen plaats meer. In deze samenhang heeft het PWN in de bestaande infiltratiegebieden enkele maatregelen genomen ter wille van de natuur. Men heeft waterlopen verlegd, oeverhellingen aangepast, vijvers minder diep gemaakt en eilanden aangelegd. Dat geeft planten en dieren, die van een vochtige omgeving afhankelijk zijn, betere kansen.

 

Het natuurbeheer van het PWN richt zich op het scheppen van een robuuste natuur, die zichzelf gaande kan houden. En dat geldt zowel voor de plantenwereld als voor het dierenleven. Om dat doel te bereiken streeft men naar zoveel mogelijk bewegende, stuivende duinen. Deze verstuiving is de belangrijkste voorwaarde voor een duinenlandschap, dat zich voortdurend vernieuwt. Waar de natuur zich nog niet duurzaam vernieuwen kan, daar grijpt het PWN nog in. Daarin past het uitdunnen van de oude dennenbossen, zodat daar een grotere verscheidenheid van bomen en struiken kan ontstaan. Op andere plaatsen steekt men plaggen zodat de ondergrond bloot komt te liggen en het verstuiven op gang kan komen. In de ruige en halfopen delen van het Duinreservaat grazen runderen en schapen om de aanwas van twijgen en duinriet tegen te gaan.

 

Voor de recreatie is het Duinreservaat van groot belang, miljoenen bezoekers komen er elk jaar om te wandelen, te fietsen, paard te rijden of met de mountainbike de paden in bos en veld te berijden. In de doelstellingen van het PWN is het zo geregeld, dat de recreatie zich heeft te voegen naar de drinkwaterwinning en het natuurbeheer. De omgeving van pompstations en infiltratiegebieden is voor het publiek niet of spaarzaam toegankelijk. Ook broedgebieden zijn gesloten voor de duur van het jaar of een deel daarvan. Verder gaat men er van uit, dat de samenballing van bezoekers bij de hoofdingangen sterker is dan dieper in het reservaat. In verband daarmee streeft het PWN naar vermindering van ingangen en tegelijk naar een opwaardering van de voornaamste toegangen tot het Duinreservaat.

 

Het natuurbeleid van het Rijk is er op gericht om een verbinding tot stand te brengen tussen de voornaamste natuurgebieden. Dat voorkomt inteelt van de aanwezige kolonies en het werkt de verplaatsing en vermenging van diersoorten in de hand, wat tot een rijkere ‘biotoop’ of leefplek moet leiden. Om die reden wil de minister dat er een zo goed mogelijke verbinding komt tussen de duinen van het Duinreservaat ten noorden van Wijk aan Zee en de duinen ten zuiden van het dorp. Zo wordt de afstand tussen de natuurgebieden boven het Noordzeekanaal en daar beneden, sterk ingekort. De minister heeft de Dorpsduinen en het Vuurbaakduin bij Wijk aan Zee aangewezen als Natura-2000 gebieden. Die aanwijzing brengt deze duinen onder de Vogelbeschermingswet en de Natuurbeschermingswet. Beide wetten vormen de grondslag voor het netwerk van natuurgebieden, de Ecologische Hoofdstructuur. De wetten zijn een uitvloeisel van richtlijnen en verdragen, die binnen de Europese Unie tot stand zijn gekomen.

 

In de niet zo verre toekomst, zal ook het strand onder de werking van de Natura-2000 wetten komen. Zo zal niet alleen het duingebied in de omgeving van Wijk aan Zee volledig beschermd zijn, maar ook het strand. Die ogenschijnlijk lege strook land is een belangrijke schakel in de vogeltrek en is voor veel vogelsoorten van levensbelang als fourageergebied.

 

Het natuurbeheer van het PWN draait om het in beweging brengen van verstuivingen en de vorming van een natuur die zich duurzaam vernieuwt. Zand is tot het ordenend bestanddeel van de duinen opgewaardeerd.

 

 

 

De duinen als zeewering

 

Zand is het ordenend beginsel, schrijft de minister van ruimtelijke ordening in de nota Ruimte. Die nota is de grondslag voor het landschappelijk en stedelijk beleid in ons land, en daarmee ook van het te voeren kustbeleid.

 

De grootscheepse zandbewegingen van 8000 tot 2000 jaar geleden bieden ons land tot op de dag van vandaag een degelijke en betrouwbare bescherming tegen de zee. De duinenrij beschermt een achterland waar € 177 miljard vermogen is geïnvesteerd. Het belang van de duinen als natuurgebied en als zeewering is dan ook moeilijk te overschatten. En dat belang neemt nog toe. Het klimaat verandert, de zeespiegel stijgt. Voor de toekomst voorziet men meer en zwaardere stormen, die op de kust zullen inbeuken. Dat is een bedreiging voor de duinen. Vaker dan in verleden zal bij stormweer de golfslag de voet van de duinen aanvreten. Wat men kan verwachten is een onderwerp van studie en daarbij gaat de aandacht in het bijzonder uit naar het kustfundament. Dat bestaat uit een nat gedeelte onder de zeespiegel een droog gedeelte boven de zeespiegel: het strand en de duinen.

 

De buitengrens van het kustfundament is de lijn van 20 meter onder het Nieuw Amsterdams Peil. De grens te land is bij benadering de binnenduinrand. Onder de zeespiegel beweegt zich traag en breed een machtige zandstroom van zuid naar noord. Uiteindelijk komt een groot deel van dat zand terecht in de Waddenzee. Voor de kust van Wijk aan Zee is het ‘natte’ kustfundament naar verhouding breed, naar het noorden toe wordt het smaller. Mogelijk houdt dat verband met de buitenste strandwal die ooit tussen 4000 en 2000 jaar geleden is gevormd en die van Egmond naar het zuidwesten liep. Die strandwal is tussen 1100 en 800 jaar geleden weggeslagen over een diepte van 1 tot 1,5 kilometer landinwaarts. Het tijdvak waarin de vorming van de ‘jonge’duinen op gang kwam.

 

Even ten noorden van Wijk aan Zee is de toestand minder gunstig. Het natte deel van het kustfundament is smaller. De golven bereiken de kust met meer kracht. Daar komt afslag van de duinvoet regelmatig voor. Die ontwikkeling kan nog versterkt zijn sinds de haveningang van IJmuiden dieper in zee steekt. Dat heeft de stroming langs de kust verstoord. Een van de kennelijke gevolgen is, dat de vloedstroom de kust ter hoogte van Heemskerk onder een scherpere hoek raakt dan voorheen. 

 

Tegenmaatregel zijn inmiddels in gang gezet. Het strand wordt opgespoten met zand uit zee. Het gebeurt niet voor het plezier van de badgasten, ook al hebben die er voordeel bij, het gebeurt om de helling van het strand te herstellen. Want die helling is de voornaamste rem op het geweld van de golven. De zachte zeewering op zijn best.

 

Namen van duinen en vlakken (met dank aan Nico Snijders)

 

Een  wandeling door het duinen levert verrassingen op: namen en gebeurtenissen, die een bijzondere kijk geven op het landschap en zijn bewoners. De tocht gaat, tegen de klok in, van de Meeuweweg te Wijk aan Zee in de richting van de Kruisberg en vandaar langs de Zwarteweg naar het westen en keert vlak achter de zeereep terug in Wijk aan Zee.

 

Rechts van de toegangsweg, onmiddellijk voorbij de ingang van het Duinreservaat liggen drie bijzondere plaatsen.

1 Kees de Bruineberg. Kees Aardenburg was een verweerd en getaand man, vandaar de zijn bijnaam ‘de Bruine’. Hij wilde een konijn verschalken en groef een konijnenhol uit. Hij raakte bedolven onder het zand en kwam om het leven.

2 Arie Kokdal. Het  dal ligt aan de oostkant van de Kees de Bruineberg. Arie Kok had daar een stuk land in het gebruik.

3 Tiemendal. Dit dal ligt nog verder naar het oosten, tegen het Corusterrein aan. Vroeger groeiden daar veel Bitterwilgen en van de twijgen sneden de tuinders ‘tiemen’. De overlangs doorgesneden twijgen waren zo soepel, dat ze gebruikt werden om bossen rabarber te binden.

 

Even ten noorden van deze punten liggen opnieuw twee markante plaatsen in het duingebied.

4 De Kneuenberg. Sinds deze duinheuvel is begroeid met Oostenrijkse dennen broeden er geen  ‘kneuen’ meer, deze vogels voelden zich goed tussen de duindoorns. Tot kort voor de Tweede Wereldoorlog, toen dit duin en zijn omgeving nog open waren, huisden er veel grielen. De naam ‘Grielenduin’ zou historisch nog meer voor de hand liggen.

5 Jan de Boervlak. De man ging stropen, groef een konijnhol uit en verloor het leven toen hij door het zand werd bedolven. Het vlak ligt pal ten oosten van het Kneuenduin.

 

De weg vervolgt langs de voormalige dienstwoningen, gaat dan naar rechts en dan over een lange helling omhoog.

6 Het lange vlak. De naam spreekt voor zich: vlak is smal, lang en licht hellend.

7 Telefoonduin. Op de duinrand rechts, ongeveer halverwege het Lange Vlak stond in de jaren 1940-1945 een telefoonpost van de Duitse bezetters. Deze post was onderdeel van een groter systeem, waarvan soortelijke installaties ten westen en ten oosten van Beverwijk deel uitmaakten.

 

De weg daalt steil en rechts liggen duinheuvels in een betrekkelijk ruime vlakte, die inmiddels dicht bebost is.

8 De Plantgatenberg. Dit tamelijk steile duinkopje is in de jaren vijftig van de vorige eeuw beplant met Oostenrijkse dennen. Daaromheen kwamen eiken te staan een aan de voet heeft men dennen geplant. Tijdens de bosaanplant viel de duinheuvel lange tijd op door de plantgaten, die men ter voorbereiding van het werk had gegraven.

9 De Scheiberg. Deze heuvel lag aan de binnenduinrand en gaf de scheiding aan tussen het deelgebied Wijk aan Zee en het deelgebied Heemskerk in het Duinreservaat. De heuvel is in dezelfde tijd als de vorige met Oostenrijkse dennen beplant.

 

De weg buigt naar rechts af ter hoogte van een ANWB-paddestoel en gaat onderlangs een duinheuvel.

10. Het Ligustervlak, waar veel van deze struiken groeiden, ligt achter deze heuvel.

 

De weg gaat naar links bij een kruispunt met zitbank en een afslag naar de Kruisberg en Heemskerk. Deze weg komt uit op de Zwarteweg en gaat in de richting van de strandafgang Heemskerk. Links van de Zwarteweg liggen daar:

11 Het vlakje van 36. In een drift zijn daar ooit 36 konijnen geschoten.

12. De Meeuwenberg. Dit duin ligt iets verder dan het 36-vlakje. Vroeger broedden daar veel meeuwen.

 

De weg verlaat het gebied dat voor het publiek toegankelijk is en komt bij de zeereep ten zuiden van de strandafslag van Heemskerk. Daar liggen op een rij:

13 Het Scheidal. Dit dal gaf in het noordwesten de grens aan met het deelgebied Wijk aan Zee en het deelgebied Heemskerk in het Duinreservaat. (Zie ook 9: de Scheiberg in het noordoosten)

14. Het Schip. De naam wijst op de kenmerkende vorm van deze vallei.

15. Het Noorderduin. Het duin was geen grensmarkering (dat was daar het Scheivlak), maar het lag ver naar het noorden in het deelgebied Wijk aan Zee.

16. De Springplaats.In dit dal bracht men springstoffen en munitie tot ontploffing in de jaren na de Tweede Wereldoorlog.

17. De Berg van Struikie. Dit duin was aan de oostzijde dicht begroeid met liguster en wel zo dicht dat het zeer moeilijk was om de konijnenholen daar uit te graven.

 

18. Leenscheuterswei. Tussen de zeereep en de duinen meer landinwaarts ligt een vlakte. Die is nu in gebruik als infiltratiegebied en daarom doorsneden met kanalen. De naam herinnert nog aan Leen Schuit, die zijn vee daar liet grazen. Zij boerderij stond meer naar het oosten in het Kaaggebied. Nu staat daar (op het terrein van Corus) de Waterfabriek van het PWN.

 

In de omgeving van het pompstation Wim Mensink liggen vijf plaatsen met een kenmerkende naam:

19. De Bassinberg. Deze heuvel ligt tegen de zuidoost hoek van de Leenscheuterswei.

20. Het Bassinvlak. De vallei strekt zich ten noordwesten uit van het bassin bij het pompstation.

21. Het Stort. De eerste concessiehouder voor waterwinning, de Zaanse Waterleiding Maatschappij, liet het bassin graven en het zand werd op die plaats gestort.

22. Het Bassin. Zie opmerking bij 21. Het ligt nu naast het Pompstation Wim Mensink.

23. Het Russenvlak. Tot hier zijn de Russen opgerukt na de invasie in het najaar van 1799. Op dit vlak wisten de Frans-Bataafsche troepen stand te houden tegen de invallers.

 

Vanaf hier voert de tocht opnieuw door terrein, dat voor het publiek toegankelijk is.

 

In de vlakte. die van het Russenvlak door een duinenrij is gescheiden, leven nog twee namen voort.,

24. Het Pescuvlak. Tijdens een uitbraak van de varkenspest in de dertiger jaren van de vorige eeuw werden verdachte varkens hier in quarantaine gehouden in een schuur. De dieren, die aan de ziekte stierven werden in deze vallei begraven.

25. De Louwenberg. Dit duin sluit de Pescuvlakte in het westen af en dankt zijn naam aan het gegeven, dat de heuvel altijd luwte bood tegen de wind, uit welke richting die ook waaide.

 

Het pad vervolgt zijn loop, gaat omhoog en komt dan uit op een vlakte met een oeroude naam:

26. De Rellen. Sinds oude tijden moeten hier waterstroompjes hun weg gezocht hebben, want Rel is een woord dat nog uit het Oud-Fries stamt.

 

Achter het Revalidatiecenrum Heliomare liggen in het duin drie plaatsen met een naam, die aan het verleden herinnert. Gaande van west naar oost:

27. Het Marinedal. Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) had de Koninklijke Marine hier een kampement.

28. De Kijkberg. Voor 1940 was dit het hoogste duin in het deelgebied Wijk aan Zee. Er zijn bunkers op gebouwd en toen is de top afgevlakt. De naam echter is blijven voortleven.

29. Het Roggedal. In dit deel van het terrein werd rogge verbouwd. Een historisch voorbeeld van het zeedorpenlandschap, met zijn akkertjes en het grazende vee in de struwelen.

 

Het pad leidt via een klaphek bij de Heemskerkerrelweg terug in het dorp Wijk aan Zee.