Erfgoed 2 Commandobunker
U bent nu hier: wijkaanzee.org - Het actuele nieuws uit het dorp Wijk aan Zee >> Geschiedenis >> Erfgoed 2 Commandobunker

2      De commandobunker

 

2.1            De Festung Ijmuiden

 

·         De Marine Artillerie Abteilung 201

·         Het luchtdoelgeschut

·         De tactische berekening

·         De noodsprong van september 1944

·         Het landfront van de Festung

·         Het effect van de Festung

 

2.2            De lunettenlinie van Krayenhoff

 

·         De bescherming van het ‘Bataafse’kerngebied

·         De opbouw van de lunetten

·         De staat van de lunetten

·         De bouwmeester van de linie

·         ‘Ware Bataafsche trouw’

·         De Russisch-Engelse inval

·         Een voorspoedig begin

·         Een pijnlijk misverstand

 

2.3     De Spaanse veldtocht

 

·         De ruïnekerk van Wijk aan Zee

·         Een nieuw geloof en een oude staatsordening

·         De Nederlanden onder hoger bewind

·         De Nederlanden in opstand

 

2.4     De Middeleeuwse twisten

 

·         De Loonse oorlog van 1203

·         De Kennemer opstanden

·         Hoekse en Kabeljauwse twisten

         De jonker Frans oorlog

         Het Kaas- en Broodvolk van 1492

 

2.5     De Hollandse heertochten

 

·         De krans van kastelen

·         De stamvader van de Gerulfingen

·         De Rooms-Koning, graaf Willem II

 

2.6     Van hertogdom naar graafschap

 

·         De hertog van Groot-Friesland

·         De ijdele hoop van Gerulf

·         De Friezen van Kinheim

·         De Friezen van de Voortijd

·         De Friese opstand van het jaar 29     



 

2      De Commandobunker


 

2.1            De Festung IJmuiden


·         De Marine Artillerie Abteilung 201

·         Het luchtdoelgeschut

·         De tactische berekening

·         De noodsprong van september 1944

·         Het landfront van de Festung

·         Het effect van de Festung


1        De Marine Artillerie Abteilung 201

 

Het hotel-restaurant het Hoge Duin in Wijk aan Zee staat op het dak van een commandobunker uit de Tweede Wereldoorlog. Vanuit deze bunker werden de drie kustbatterijen geleid van de Festung IJmuiden. De commandant Van MAA 201 had de leiding over de batterijen Wijk, Kernwerk en Heerenduinen.

·         De batterij Wijk lag halverwege Wijk aan Zee en de noordelijke havendam van IJmuiden. Een deel is nog steeds zichtbaar vanaf de huidige Reyndersweg.

·         De kustbatterij Kernwerk stond op het forteiland in de havenmond van IJmuiden.

·         Van de kustbatterij Heerenduinen liggen de resten in de Heerenduinen ten zuiden van IJmuiden.

De batterijen van de marine waren gericht tegen doelen op zee en waren van een zwaar kaliber (150-170 mm). Zowel de batterijen als de commandogroep waren ondergebracht in bunkers, die werden aangeduid als ‘Ständiger Ausbau’, wat betekende dat de batterijen en de bunkers onder vrijwel elke omstandigheid aan de strijd konden deelnemen. Zij waren door metersdik beton beschermd tegen aanvallen vanuit de lucht en vanaf de zee. Een eigen installatie voor de luchtbehandeling en stalen deuren zorgden er voor dat de bouwwerken een aanval met gifgas of vlammenwerpers konden doorstaan. Schietgaten in de toegangen tot de bunkers en de binnenruimten stelden de verdedigers in staat aanvallen van grondtroepen af te slaan, althans te vertragen. Om het naderen van de commandobunker nog moeilijker te maken, was het gebouw omgeven door mitrailleurposten, mijnenvelden en versperringen van prikkeldraad.

 

De commandobunker van de artillerie afdeling stond in een complex van vier bunkers. Drie daarvan waren bestemd voor de huisvesting van officieren, onderonderofficieren en manschappen. Zij vormden de bezetting van de commandopost, voornamelijk stafofficieren en verbindingspersoneel. Ook hun bunkers waren berekend op de zwaarste omstandigheden tijdens gevechten. De commandopost met de woonbunkers maakte deel uit van een groter geheel, het Widerstandsnest 63.

 

2        Het luchtdoelgeschut

 

Dit WN 63 omvatte niet alleen het bunkercomplex op het Hoge Duin, maar ook de versterkingen op het duin achter hotel de Wijck. Hier stond een  radarstation opgesteld, Mammut. Het was vernoemd naar de indrukwekkende omvang van de antenne( 13x 19 meter). In de loop van 1943 is deze installatie geschikt gemaakt voor de geleiding van  raketwapens (V1 en V2).

 

Op de duintop tegenover het Paasduin en achter hotel de Klughte lag Widerstandsnest 64, de luchtdoelbatterij Dũnenberg.  WN 64 bestond uit een batterij van vier geschutstellingen met ondersteunende versterkingen. Deze luchtdoelbatterij vormde met de vier andere batterijen van de Festung IJmuiden de verdediging tegen luchtaanvallen. Alle luchtdoelbatterijen werden  geleid vanuit een commandobunker en die stond wat verder naar het zuiden. Bij de uitbreiding van de installaties op het Hoogoventerrein is deze bijzondere bunker gesloopt (de Fl 250, Marflakgrukostand, dat betekent: groepscommandopost van de marine luchtdoel artillerie)

 

3        De tactische betekenis

 

De Festung IJmuiden werd aanvankelijk ingericht voor de bescherming van het Hoogovenbedrijf, het sluizencomplex en de onderkomens voor de torpedoboten, Schnellboote, in de Visserijhaven. Naarmate de krijgskansen voor Duitsland ten kwade keerden, kwam het zwaartepunt te liggen op de verdediging. De havens van de Franse en de Belgisch-Hollandse kusten moesten tot elke prijs uit handen van de Geallieerden blijven. IJmuiden en omgeving werd van Verteidigungsgebiet verheven tot Festung en het Duitse opperbevel bepaalde in januari 1944, dat de Festung IJmuiden tot de laatste man en tot de laatste patroon verdedigd moest worden. Tot het eind van de vijandelijkheden in mei 1945 bleef dat zo.  Het Duitse opperbevel kon er op rekenen, dat een voorspoedige opmars van de Geallieerden door Noord-Frankrijk en België de bevoorrading van de troepen zou overbelasten. Eens zouden de aanvoerlijnen te lang worden, de bezetting van de frontlijn te zwak en dat gaf mogelijkheden voor een tegenaanval. En die Duitse tegenaanval zou de steun krijgen van de meest moderne wapens, zoals de V1 en V2 raketten, straaljagers, raketvliegtuigen en nieuwe antitankwapens. Die zouden binnen enkele maanden ter beschikking komen en dat was geen propagandaleugen, de Duitse industrie draaide in 1944 op hogere toeren dan ooit tevoren. De strategische schatting bleek in beginsel juist, de eindstrijd bood kansen en die leken in de zomer van 1944 nog redelijk en realistisch. De Duitsers hadden  het zelf ondervonden in 1941 en 1942 in Rusland. Zij wisten, wat het betekende goederen te moeten aanvoeren over grote afstanden en aan het eind van die lange weg te moeten vechten tegen nieuwe tanks, raketwerpers, vliegtuigen en goed uitgeruste eenheden.

 

4        De noodsprong van september 1944

 

 Tegen het eind van augustus 1944 reikten de aanvoerwegen van Normandië tot aan Noord-België en daarmee waren voor de Geallieerden de grenzen van de bevoorrading bereikt. Hun stormaanval verloor zijn kracht en kwam in de Britse sector zelfs tot stilstand op de lijn Woensel-Turnhout-Eindhoven. De voorraden waren niet voldoende voor een doorbraak over een breed front met inzet van grote legereenheden. Met de winter in het vooruitzicht, besloot men aan Geallieerde zijde tot een noodgreep, de operatie Market Garden (17 september 1944). Daarbij wilde men met grootscheepse inzet van luchtlandingstroepen in een enkele slag de bruggen over de rivieren de Waal en de Rijn veroveren. De aanval mislukte, de luchtlandingstroepen hielden nauwelijks 10 dagen stand. Enkele maanden later zette het Duitse opperbevel in december 1944 de tegenaanval in, precies daar waar het front van de Britse legers in de Ardennen aansloot op het Amerikaans front. Het Ardennenoffensief kon het tij niet meer keren.

 

Het verloop van de slag om de Europese laagvlakte maakt duidelijk, hoe doorslaggevend het bezit van de zeehavens is geweest en hoe het Duitse opperbevel dit tactisch voordeel heeft weten uit te buiten. Het haperen van de bevoorrading in augustus 1944 en het mislukken van de operatie Market Garden hebben de Tweede Wereldoorlog met acht maanden verlengd. In die eindstrijd zijn meer doden en gewonden gevallen onder burgers en militairen, dan in alle voorafgaande oorlogsjaren sinds 1939

 

5        Het landfront van de ‘Festung’

 

Vanwege het grote tactisch-strategische belang van de Festung IJmuiden was deze niet alleen ingericht tegen aanvallen vanuit zee, maar ook tegen aanvallen te land. Ter hoogte van het huidige pompstation Wim Mensink begon een netwerk van versperringen, tankvallen,  keermuren en verdedigingswerken, dat liep van de Croften via Tussenwijk en Rooswijk in de richting van het Noordzeekanaal. Aan de zuidoever zette de lijn van verdedigingswerken zich voort ten oosten van het dorp Velsen, langs Driehuis-Westerveld en IJmuiden-Oost en bereikte via de Heerenduinen uiteindelijk de kust. De Festung  had eigen voorzieningen voor drinkwater, verpleging, medische hulp en energie, beschikte over opslagplaatsen voor voedsel, goederen en munitie. En ook al was de Luftwaffe nog maar een schim van de strijdmacht die zij ooit was geweest, in de Festung waren toch plaatsen aangelegd voor de bevoorrading vanuit de lucht.

 

Tot in het voorjaar van 1945 hebben Duitse officieren rapporten uitgebracht over de voortgang van de bouwwerkzaamheden. Het voortgangsoverzicht van 25 maart 1945 over het Widerstandnest 61, dat deel uitmaakte van het Stutzpunkt Castricum, is daar een voorbeeld van. Tot zeer kort voor de ineenstorting van het Derde Duitse Rijk bleef men zich in de Festung IJmuiden voorbereiden op de laatste beslissende slag. In de marine commandopost op het Hoge Duin was dat niet anders, immers: ‘Die Festung war zum letzten Mann und zur letzte Patrone zu halten’.

 

6        Het effect van de ‘Festung’

 

De Festung IJmuiden was een effectieve schakel in de zogenaamde Atlantikwall, die van Zuidwest-Frankrijk tot aan Noord-Denemarken liep. Binnen de Festung IJmuiden was de commandobunker van de Marine Artillerie Abteilung 201 van doorslaggevende betekenis als het op vechten zou aankomen. De resten van deze commandopost onder het Hoge Duin houden de herinnering aan de slag om Europa (1944-1945) levend.

 

De bouw van de Festung IJmuiden begon in 1941 bescheiden, maar de bedrijvigheid nam snel toe in 1942 en 1943. In het eerste half jaar van 1944 werd alles op alles gezet in verband met  een Geallieerde invasie die op handen scheen. Naarmate de bouwactiviteiten toenamen, wilde de bezetter zo min mogelijk burgers in de buurt hebben. Om die reden werd Wijk aan Zee in 1942 grotendeels ontruimd. Wie een bedrijf had, dat voor de Duitse bezetting van belang was, die kon voorlopig blijven. In september 1944 voltrok zich een tweede ontruiming, waarna het dorp zo goed als uitgestorven was.

 

2.2     De lunettenlinie van Krayenhoff


·         De bescherming van het Bataafse kerngebied

·         De opbouw van de lunetten

·         De staat van de lunetten

·         De bouwmeester van de linie

·         ‘Ware Bataafsche trouw’

·         De Russisch-Engelse inval 1799

·         Een voorspoedig begin

·         Een pijnlijk misverstand

 


1        De bescherming van het ‘Bataafse’ kerngebied

 

Honderd vijftig jaar eerder was in de omgeving van wijk aan Zee ook al een groot complex verdedigingwerken aangelegd. In februari 1800 nam de ’Uitvoerende Magt’ (regering) van de Bataafsche Republiek de aanleg ter hand van de lunettenlinie tussen het Wijkermeer en de Noordzee. Deze linie moest het kernland van de Republiek beschermen tussen Amsterdam, Haarlem, Den Haag en Woerden. Het werk stond onder toezicht van de luitenant-kolonel ingenieur Cornelis R.T. Krayenhoff, de directeur der Fortificatiën van de Republiek. De uitvoering lag in handen van de luitenant-kolonel ingenieur Gilet, waarschijnlijk een hier te lande gelegerde officier van het Franse ‘Armee du Nord’.

 

Het werk werd voortvarend aangepakt en reeds voor het einde van het jaar had men dwars over de landengte van Midden-Kennemerland (‘Holland op zijn smalst’) een linie aangelegd. Drie rijen lunetten lagen in verspringend verband ten opzichte van elkaar. Op telkens een afstand van 400 meter lagen in eerste lijn  zware lunetten. Daarachter, in tweede lijn  middelzware lunetten en die werden in de rug gedekt door lichte lunetten in de derde lijn. Dat was de opbouw van het stelsel tussen het Wijckermeer en de duinrand, het Wijcker Hek. Vanaf de duinrand tot aan het Noordzeestrand lagen 10 middelzware lunetten. De gehele linie werd na de afbouw bewaakt door een eenheid Bataafsche troepen, die was gelegerd in een kampement ter hoogte van Tussenwijck.

 

2        De opbouw van de lunetten

 

Een lunet had de vorm van een maansikkel, volgens vestingbouwers, en het ontleende daaraan dan ook zijn naam (luna= maan). In feite ging het om een vijfhoekige veldversterking, waarvan twee zijden (= faces)een betrekkelijk scherpe punt vormden naar het noorden, in de richting van de vijand. Was de punt zeer scherp dan noemden de vestingsbouwers zo’n lunet of ravelijn ook wel een flèche. De luneten van de Krayenhofflinie waren betrekkelijk stomp.  De korte zijden van het lunet (= flanken) waren schuin achterwaarts gericht en daartussen lag de ‘keel’ (= achterzijde)van het lunet. De keel was afgesloten met een paalversperring, een palissade, en daarlangs konden de eigen troepen het lunet binnenkomen en verlaten. In hoofdzaak bestond het lunet uit wallen van uitgegraven aarde met een borstwering. In het gevecht op korte afstand konden de verdedigers van daar af de vijand beschieten met geweren en musketten. In het gevecht op grotere afstand diende het lunet als geschutstelling voor de batterijen van de artillerie. Waar dat nodig was had men de ‘punt’ van het lunet opgevuld, zodat de vuurmonden over de borstwering schoten. In het drassige gebied tussen het Wijkermeer en de duinrand waren de lunetten van de eerste lijn voorzien van een gracht aan de voorzijde. De lunetten in eerste linie waren geschikt voor de opstelling van vier stukken 12-ponds veldgeschut en nog enkele 6-ponders.

 

Ter ondersteuning dienden 4 kruitmagazijnen en 12 kruitkelders. Het wachtdetachement beschikte over 6 wachtloodsen.

Het militaire belang van de linie is van korte duur geweest. Reeds in 1801 besloot de Agent van Oorlog van de Bataafsche Republiek tot verkoop van de palissades en werd het onderhoud gestaakt. En zo werd in minder dan een jaar het bedrag van een half miljoen gulden volledig afgeschreven. Een aanzienlijk deel van de Bataafsche oorlogsbegroting, die in zijn geheel 31 miljoen gulden beliep. Hoe de uitgaven voor de oorlog uit de hand waren gelopen,valt af te lezen uit het gegeven, dat overige uitgaven van de republiek toen niet meer bedroegen dan 9 miljoen gulden. In 1806 heeft de militaire leiding van het Koninkrijk Holland de bezetting van de linie opgeheven. Aanvankelijk stond het wachtdetachement onder leiding van kolonel Chassé. Hij werd bevorderd 1806 tot generaal-majoor en nam deel aan de Napoleontische veldtocht in Spanje. Hij vocht als divisie commandant in 1815 bij Waterloo en verdedigde in 1830 de stad Antwerpen tijdens de Belgische Opstand.

 

 

3        De staat van de lunetten

 

In 1806 werd het wachtdetachement opgeheven en van Tussenwijck teruggetrokken. Alleen de terreinen bleven in handen van de Republiek en dat is de reden geweest, dat de legerleiding van het Koninkrijk der Nederlanden in 1865 op de gedachte kwam om de linie in te passen in het geheel van de Stelling van Amsterdam. Uiteindelijk heeft men daar van af gezien. Allengs raakten de lunetten in verval. Van de gehele reeks van 36 lunetten zijn er nog 9 bewaard gebleven, althans ze zijn nog enigszins herkenbaar in het landschap.

 

Naar de staat waarin de lunetten in 2005 verkeren, valt de linie in vijf delen uiteen:

 

·         De lunetten 1 - 7, die waren gelegen in de huidige woonwijken Oosterwijk en Meerestein van de gemeente Beverwijk zijn alle verloren gegaan. Naar verluidt bevinden de resten van een lunet zich nog onder een flatgebouw in Meerestein, dat onlangs is gerenoveerd.

·         De lunetten 8 - 14 bevinden zich naar verhouding in een redelijke staat. Lunet 8 ligt tussen de Kuikensweg in Beverwijk en de Krayenhofflaan in Heemskerk. De overige lunetten van dit gedeelte liggen in de nabijheid van de Plesmanweg, waar deze door het open veld loopt naar de Caagpoort van Corus, voorheen Hoogovens. Op lunet 14 staat een monument, een zuil met met het opschrift: ‘Si vis pacem, para bellum’ (Zo gij vrede wilt, bereidt u ten oorlog). Dit monument is heropgericht ter gelegenheid van het 200-jarig bestaan van de linie in het jaar 2000.

·         De lunetten 15 - 22 zijn verloren gegaan bij de aanleg en uitbreiding van zowel de begraafplaats Duinrust als van het Hoogovenbedrijf, benoorden de Zeestraat tussen Beverwijk en Wijk aan Zee.

·         De lunetten 23 - 24 liggen ter hoogte van Tussenwijck in de groenstrook rondom de Zeestraat.

·         De lunetten 25 - 36 bestreken van af het Gaasterduin, het Paasduin en de Tuinberg het voorterrein van de linie met hun geschut. In dit voorterrein van destijds lag ook het dorp Wijc op See. Het zou bij een aanstaand gewapend treffen gesloopt worden om een schootsveld vrij te maken. Indien de tijd daarvoor zou ontbreken dan zou het dorp vrijwel zeker in puin geschoten zijn. Het is zo ver niet gekomen.

 

4        De bouwmeester van de linie

 

De bouwheer van de lunettenlinie, de Directeur van de Fortificatiën, de luitenant-kolonel ingenieur Krayenhoff, was in zijn tijd een opmerkelijk man. Tijdens de aanleg bekleedde hij een hoge functie bij het Agentschap van Oorlog (ministerie). In de tijd van het Koninkrijk Holland heeft hij het onder koning Lodewijk Napoleon gebracht tot minister van Oorlog. En met de ministers Gogel (Financiën) en Van Maanen (Justitie) behoorde hij tot de bekwaamste dienaren van de Kroon. Onder het bewind van Napoleon (1810-1813) na de inlijving bij het Franse keizerrijk kwam daarin geen verandering. Even zo trouw diende hij onder koning Willem I  het Koninkrijk der Nederlanden.

 

Als militair ingenieur heeft hij behalve de lunettenlinie nog twee belangrijke werken op zijn naam staan. De ‘Posten van Krayenhoff’, een verdedigingslinie rondom de hoofdstad Amsterdam, aangelegd in 1805. Het tweede werk is de Nieuwe Hollandsche Waterlinie (1806-1830). Onder Krayenhoff is deze waterlinie uitgebouwd van Muiden aan de Zuiderzee tot aan de Biesbosch bij Dordrecht. Een andere, meer blijvende verdienste van Krayenhoff is geweest, dat hij sinds 1798  ‘Nederland’ tot in zijn uithoeken in kaart heeft laten brengen, van de Dollard tot de Schelde en van Texel tot de Peel.

 

Krayenhoff werd in 1758 in Nijmegen geboren als de zoon van een militair. Hij volgde de Latijnse school  van 1770 tot 1777 in zijn vaderstad en studeerde in 1784 af aan de universiteit van Harderwijk als filosoof, geneesheer en ingenieur. Hij was een tegenstander van het Oranjebewind  en hij week in 1794 uit naar Frankrijk. Daar werd hij onder generaal Daendels ingedeeld bij het Franse leger van het Noorden. Onder generaal Pichegru trok hij in 1795 de Noordelijke Nederlanden binnen.

 

 5    ‘Ware Bataafsche trouw’

 

Bij de opmars van het leger naar Amsterdam stuurde generaal Daendels zijn ondergeschikte Krayenhoff vooruit om de Bataafsche omwenteling van Amsterdam in beweging te brengen. Hij slaagde daarin verrassend snel en tegen de tijd, dat Daendels met zijn troepen de stadsgrens bereikte, kon Krayenhoff  de stad aan hem overdragen. Tijdens de invasie van de Russen en de Engelsen in het najaar van 1799, de directe aanleiding tot de bouw van de lunettenlinie, raakte Krayenhoff licht gewond en generaal Daendels  zond hem naar de achterhoede met de opdracht de stad Amsterdam in staat van verdediging te brengen. Binnen enkele dagen was Amsterdam niet alleen door het opwerpen van versterkingen voor de stad en bij Spaarndam,  maar ook door het onder water zetten van gedeelten van Waterland, zo goed als onneembaar geworden.

 

Krayenhoff bleef tot op hoge leeftijd, 72 jaar, in dienst van het land. In 1830 werd hij geschorst wegens vermeende onregelmatigheden in zijn administratie. Het Hoog Militair Gerechtshof sprak hem daarvan vrij, maar hij trad wel uit actieve dienst met behoud van tractement. In 1840 stierf hij, in zijn 82ste levensjaar. Hij werd begraven in het fort Krayenhoff bij Nijmegen en toen dat gesloopt werd in 1914 heeft men  zijn stoffelijk overschot overgebracht naar de Nijmeegse begraafplaats Rustoord. Op de steen boven zijn graf staat onder meer: ‘Een serieus en verstandig man met heldenmoed en ware Bataafsche trouw, mannelijke ervarenheid en eindeloze arbeid, die door eigen verdiensten tot de hoogste functies en tot aanzienlijke posities in leger en staatsbestuur is opgeklommen. Hij heeft een roem bereikt die ver boven afgunst uitgaat’.

 

6        De Russisch-Engelse inval 1799

 

De aanleg van de lunettenlinie was een onmiddellijke reactie op een Engels-Russische landing op het schiereiland van Holland in de nazomer en herfst van 1799. Op 2 oktober 1799 liep een aanval van de Engels-Russische invasiemacht vast ter hoogte van Wijk aan Zee. De Frans-Bataafsche verdedigers onder generaal Brune hadden de opmars van de invallers eindelijk na 6 weken tot staan weten te brengen. De slag bij Castricum op die dag en de gevechten bij Wijk aan Zee betekenden een ommekeer in de strijd en op 18 oktober zagen de aanvallers zich gedwongen een wapenstilstand te sluiten. Op 10 november 1799 hadden zij Hollands Noorderkwartier verlaten en Wijk aan Zee kon de schade opnemen.

 

Die schade was bepaald niet gering, die beliep alles bijeengenomen 25.000 gulden, ongeveer 100 gulden per hoofd van de bevolking die toen 235 zielen telde, verdeeld over 75 huishoudens. De schade was niet het rechtstreeks het gevolg van oorlogshandelingen, maar van het wangedrag van de Frans-Bataafsche verdedigers. Op 10 september 1799 waren duizenden militairen in wanorde van uit het noorden over het strand langs Wijk aan Zee naar Beverwijk getrokken. In het dorp waren zij aan het plunderen geslagen. Bij het inzetten van de tegenaanval op 6 oktober raakte het dorp opnieuw overstroomd door troepen. Paarden en wagens, voor zover nog aanwezig, werden gevorderd voor het verplaatsen van de legermacht, schapen en koeien werden geslacht om het soldatenvolk te voeden. Dat waren nog de ‘gewone’ bijverschijnselen van de oorlog, maar dat de bevriende troepen de matrassen opensneden en meubilair vernielden op zoek naar kostbaarheden, dat ging tegen alle regels in. Wijk aan Zee, reeds straatarm door het lamleggen van de visserij en de handelsvaart, kon die last niet meer dragen. Op 10 december 1799 moest het dorpsbestuur aan het Departement van Texel (provincie) in Alkmaar vragen om geld voor de uitdeling van voedsel.

 

7      Een voorspoedig begin

 

Toen de Engelsen en de Russen op 26 augustus aan land gingen ter hoogte van Callantsoog leken de krijgskansen voor de aanvallers veel gunstiger. Men rekende er op, dat de bevolking van Hollands Noorderkwartier  in opstand zou komen tegen het Bataafsche bewind en dat de Bataafsche troepen zouden overlopen naar de invallers. Alsdan zou de weg vrij liggen naar de hoofdstad Amsterdam en naar het hart van de Republiek. In het uiterste noorden liep de campagne volgens verwachting. Een dag na de landing viel de vlootbasis Den Helder in handen van de invasiemacht, Medemblik en Enkhuizen werden ingenomen, net als Lemmer en Stavoren. Zo wist men de doorgang tussen de Zuiderzee en de Noordzee af te sluiten. Op de Bataafsche vloot brak muiterij uit, de oranjegezinde bemanningen weigerden het gevecht aan te gaan. De schepen werden in beslag genomen en afgevoerd naar Engeland.

 

Voor het overige hield de bevolking van de Bataafsche Republiek en die van Hollands Noorderkwartier zich afzijdig. Men was weliswaar niet gelukkig met de stand van het land, maar van een neiging tot opstand was geen sprake. De beloften, gedaan bij de omwenteling van 1795, waren niet ingelost. Niet alleen vanwege de scherpe politieke tegenstellingen tussen Federalisten en Unitarissen, maar ook nog eens door een aanhoudend gebrek aan geld. De handel ter zee lag stil, net als de visserij. Maar het ergste van alles was, dat de Fransen keer op keer 25.000 soldaten stuurden om te worden gekleed en gevoed op kosten van de Bataafsche Republiek.

 

8  Een pijnlijk misverstand

 

Die soldaten werden door de ‘bondgenoot’ telkens vervangen door nieuwe sterk verpauperde eenheden. Deze handelwijze werd ingegeven door het hardnekkige denkbeeld, dat de Hollanders veel rijker waren dan zij voorgaven. De Fransen geloofden nog steeds niet dat de vroegere bankiers van Europa, de financiers van de Amerikaanse Vrijheidoorlog in 1776, in amper twintig jaar zo sterk verarmd waren, en toch was dat  het geval. Een pijnlijk misverstand, dat de verhouding tot Frankrijk en de Nederlanden van het begin tot het eind toe verziekt heeft.

 

Hoe ongunstig de omstandigheden in het najaar van 1799 ook waren, de inwoners van de Republiek en in het bijzonder de inwoners van Kennemerland, zagen toch meer in voortmodderen op de ingeslagen weg dan in een herstel van het stadhouderlijk bewind en een terugkeer naar het geredekavel van de elkaar bestrijdende Zeven Provinciën. Die houding werd nog eens te meer versterkt, omdat het Bataafsche Bewind aan het overwegend rooms-katholieke volk van Kennemerland vrijheid van godsdienst bood. Tijdens de oude Republiek was er van 1579 tot 1795 voor die geloofsgroep slechts sprake was geweest van achterstelling, ontrechting en onderdrukking. Vooral waar het ging om het uitoefenen van godsdienstige plichten, het sluiten van huwelijken en het bekleden van openbare ambten.

 

2.3     De Spaanse veldtocht


·         De ruïnekerk van Wijc op See

·         Een nieuw geloof en een oude ordening

·         De Nederlanden in groter verband

·         De Nederlanden in opstand

 


1  De ruïnekerk van Wijk aan Zee

 

 

Op oude afbeeldingen staat de kerk van Wijk aan Zee op het dorpsplein er bij als een ruïne en dat is eeuwenlang zo gebleven. De schade aan de kerk was het rechtstreeks gevolg van de Spaanse veldtocht tegen de opstandige Nederlanden en de belegeringen van Haarlem en Alkmaar die daaruit volgden. In de zomer van 1573 werden vooral gevechten geleverd om de landengte van Midden-Kennemerland. Holland op zijn smalst, zoals deze landtong ook wel heette, was opnieuw van grote militaire betekenis. Vanaf deze smalle landstrook lag de weg naar het noorden en naar het zuiden open voor eenieder die hem in zijn macht wist te houden. In 1573 waren de Spanjaarden in het voordeel, vanaf het koningsgezinde Amsterdam liep een dijk over  Halfweg en Spaarndam naar de landengte en die hadden de Spaane troepen stevig in handen. Om zich de Staatse troepen van het lijf te houden wierpen de Spanjaarden nog meer verschansingen op, onder andere ter hoogte van Krommeniedijk. De balken die zij daarvoor nodig hadden sloopten zij uit de kerken in de omtrek en uit de kerk van Wijk aan Zee.

 

Zo raakte het gebouw in verval en het zou waarschijnlijk in zijn geheel verloren zijn gegaan, ware het niet, dat de Hervormde kerkgemeente het bouwwerk in 1600 in gebruik nam. Daartoe sloot men het schip van de kerk af met een muur bij de vierde travee. De resten van de drie volgende traveeën, van de dwarsbeuk en van het koor bleven nog lang staan voor zij in het begin van de 19de eeuw werden verkocht en  gebruikt als bouwmateriaal in het dorp.

 

2        Een nieuw geloof en een oude staatsordening

 

De Spaanse legereenheden waren in 1566 na de Beeldenstorm naar de Nederlanden gekomen om orde op zaken te stellen. De koning van Spanje Filips II,in naam landsheer van deze gebieden, zag de Nederlanden als een broeinest van Protestantisme en dat wilde hij ten koste van alles bestrijden. Daarbij kwam nog dat men in de Nederlanden niets moest hebben van zijn staatkundige hervormingen, hij wilde een meer centraal bestuur. De gewesten en de steden daarentegen hielden hun rechten en privileges voor eeuwig gegeven en die kon de landsheer zonder hun instemming niet intrekken of vervangen, meenden zij. Dus was er in de Nederlanden niet alleen een botsing tussen de Middeleeuwse Moederkerk en het Modernistische Protestantisme. Er was ook een botsing tussen het Middeleeuwse  bestuursstelsel van de Nederlanden en het Modernistische stelsel van de  Habsburgse heersers.

 

Het verzet zat diep geworteld. Al sinds de 12de en 13de eeuw hadden de steden en streken van het graafschap Holland (en ook in andere provincies) voorrechten voor zichzelf weten te bedingen bij de graaf en andere landsheren. Dat gebeurde telkens als de graaf met een bede kwam. De opbrengst van zo’n bede was in de meeste gevallen bestemd voor de financiering van een veldtocht. Naarmate de welvaart groeide in de steden, namen de opbrengsten van de beden in de steden toe. En wel zo, dat de afdrachten van de leenmannen en vrije boeren op het platteland daarbij in het niet zonken. Naar goed koopmansgebruik stelden de stadsbesturen, dat zij de graaf slechts konden steunen indien daar iets tegenover stond. Daarom eisten zij telkens een uitbreiding van hun stedelijke rechten. Toen het gewest Holland onder het bewind van de Henegouwers en de Beieren in toenemende tweedracht verzonk, werd de toestand er niet beter op. De graafschappen en hertogdommen vielen vrijwel uiteen in stadstaatjes. En dat proces van ontbinding ging nog voort toen daar de twisten van de Hoeken de Kabeljauwen op volgden.

 

3        De Nederlanden in groter verband

 

Er kwam weer enige orde toen de hertogen van Bourgondië deze landen gingen besturen. Karel de Stoute wees bij zijn aantreden in 1467 een hoofdstad aan, Mechelen. En in die hoofdstad zetelden een Hoge Rekenkamer en een Hoge  Raad voor de rechtspraak. Verder ging het niet want bij zijn plotselinge dood in 1477 wisten de gewesten en steden van de Lage Landen vrijwel alle vernieuwingen ongedaan te maken. De nieuwe landsheer uit het Huis van Habsburg, keizer Maximiliaan, en na hem de keizer Karel V, waagde opnieuw een  poging tot hervorming, maar veel haalde het niet uit. Omstreeks 1535 moest keizer Karel, die hof hield in Brussel, de gewesten en steden herhaaldelijk oproepen tot het opzenden van hun Middeleeuwse oorkonden, wat overigen maar zelden gebeurde. Zo wisten de steden en gewesten de veranderingen van de Habsburgse landsheren tot in het oneindige te vertragen.

 

Toen daar nog bijkwam, dat men in de Nederlanden vrij verdraagzaam stond tegenover het opkomende Protestantisme, was de Habsburgse maat al zo goed als vol. De gewesten en steden zagen de centralistische plakkaten tegen de Protestanten in de eerste plaats als een inbreuk op hun zelfstandigheid in de rechtspraak. Dat het om een zaak van geloof ging was weliswaar belangrijk, maar in dit verband van minder betekenis. Om die reden keerden ook de gewesten en steden, die nog weinig te stellen hadden met de nieuwe geloofsrichtingen, zich toch fel tegen de inmenging van de Habsburgse heerser.

 

4        De Nederlanden in opstand

 

De Beeldenstorm van 1566 zette de  landsheer, Filips II, aan tot een gewapend ingrijpen. Hij stuurde de hertog van Alva om de orde te herstellen. Dat gebeurde met zoveel geweld, dat het verzet er eerder door werd aangewakkerd dan verzwakt. In 1568 kwam het openlijk tot een treffen tussen Spaanse troepen en opstandige legergroepen, die stadhouder Willem van Oranje had ingehuurd. De veldtocht werd voor de Orangisten een grote mislukking. Eerst vier jaar later, in april 1572, kwamen steden in de Noordelijke gewesten opnieuw in opstand en verklaarden zij zich, vaak onder grote druk van het stadsvolk, tot de partij van Willem van Oranje. In een snelle opmars wist het leger van Alva de opstandige steden tot overgave te dwingen en zij werden zwaar gestraft met doodslag, brandschatting en plundering. De stad Naarden werd als bloedig voorbeeld gesteld. Uiteindelijk moest ook de oude Hollandse gravenstad Haarlem zich overgeven in de zomer van 1573. In het najaar van 1573 werd het beleg om Alkmaar geslagen, maar die stad bleef voor de Orangisten behouden. Tot op de dag van vandaag viert men daar op 8 oktober het wegtrekken van de Spaanse troepen.

 

En op het dorpsplein van Wijk aan Zee bleef de ruïne van de kerk nog tot in lengte van eeuwen herinneren aan de vijandelijkheden van 1573.   


 

2.3            De Middeleeuwse twisten


·        De Loonse oorlog van 1203

·        De Kennemer opstanden

      Hoekse en Kabeljauwse twisten

·        De jonker Frans oorlog

·        Het Kaas- en Broodvolk van 1492


 

1        De Loonse oorlog van 1203

 

In 1203 is graaf Dirk VII overleden. Hij was opgetreden als stadhouder voor zijn vader Floris III sinds deze met de Duitse keizer Frederik Barbarossa ter kruisvaart trok. Floris overleed in Palestina in de stad Antiochië in 1190. Het zag er naar uit dat de overgang van de frafelijke macht van vader op zoon geen moeilijkheden zou geven, maar dat pakte anders uit. De jongere broer van Dirk VII, ene Willem, was met zijn vader naar het Heilige land getrokken, maar had niet alleen de tocht er heen, maar ook de reis terug overleefd. Het kwam tot een strijd tussen de beide broers, die na onderhandelingen werden gestaakt. Willem kreeg het bewind over de Friesese gouwen tussen het Vlie en de Lauwers, de Oostergo en Sudergo. De vrede bleef bewaard tot Dirk VII overleed. Men huwelijkte zijn dochter Ada terstond uit aan Lodewijk van Loon en dat was zeer tegen de zin van Willem en hij stelde zich aan het hoofd van de opstand. Na enkele nederlagen wist hij toch greep te krijgen op het graafschap. Ada, de weduwe van Dirk VII wordt gedwongen de wijk te nemen naar haar koninklijke familie in Schotland.

 

Tijdens de Loonse oorlog moet de schout van het ambacht Wijc, Albert Banjaert, het opnemen tegen de opstandelingen. Zijn versterkte hoeve, die vermoedelijk heeft gestaan op het Hofland in Beverwijk, wordt verwoest en kennelijk zo grondig, dat men er tot op heden geen spoor van heeft kunnen terugvinden. In die tijd was het van hoogste belang, wie de functie van schout op de landengte van Kennemerland bekleedde. Albert Banjaert was een vertrouweling van de graaf Dirk VII en hij staat als getuige genoemd in de verdragen, die de graaf heeft gesloten met de graaf van Vlaanderen en de abt van Egmond. In de tweede helft van de 13de eeuw heeft Gerard van Velsen het schoutsambt bekleed in Wijc. Ook hij behoorde tot de kring van vertrouwelingen van de toenmalige graaf, Floris V.  Gerard van Velsen, met anderen zeer ontevreden over het beleid van de graaf inzake de volksrechten en over het verbond met de Franse koning, maakte gemene zaak met de Engelse koning. Met medeplichtigen nam hij Floris V in 1298 gevangen en in de vlucht voor het landvolk hebben de ontvoerders de graaf Floris vermoord. Gerard van Velsen heeft de moord op graaf Floris met de dood moeten bekopen.

 

 

2        De Kennemer opstanden van 1279 en 1281

 

De Kennemer opstanden waren een gevolg van de willekeur waarmee de leenmannen van de graaf, als schout of als baljuw, optraden tegen het landvolk. De Kennemers waren een volk van vrije buren en men had sinds onheugelijke tijden nauwelijks lijfeigenschap gekend. Het ongenoegen, nog aangewakkerd door plaatselijke oorlogen en slechte oogsten, richtte zich vooral op de wijze waarop de hogere adel omging met de rechten van de welgeborenen en de huislieden.

 

Onder welgeborenen verstond men in die tijd mensen van adellijke afkomst. Zij waren gedwongen tot een gewoon boerenleven, omdat zij niet meer konden voldoen aan de eisen van de ridderstand. Dat hield tenminste in, dat zij er een paard en een wapenrusting op na konden houden. De kosten daarvan waren aanzienlijk en stonden gelijk aan een veestapel van om en nabij de 100 runderen. De betrekkelijke armoede van de welgeborenen kon een gevolg zijn tegenslagen in de landbouw of de veeteelt. Meestal lag de oorzaak bij een versnippering van de eigen bezittingen door deling van de erfenissen. In een enkel geval ging het om een verval van rechten omdat men bij de landsheer in ongenade was geraakt.

 

Als huislieden werden beschouwde men de vrije boeren, de mensen die sinds mensenheugenis hadden gewoond op hun vrije hoeve en zich van geslacht op geslacht wisten te handhaven. In een maatschappij waarin men zich van standen en standsonderscheid zeer bewust was, viel de behandeling van de welgeborenen en de huislieden soms heel verschillend uit. Zo waren de welgeborenen vrij van schotplicht, de huislieden niet. Zij moesten, telkens als de graaf daarom vroeg, de bede (belasting) opbrengen. Als de huislieden voor een veldtocht werden opgeroepen, dan maakten zij deel uit van het contingent, dat de stad of het gewest in het veld moest brengen. De welgeborenen volgden het vaandel van de landsheer, de graaf.

 

Bij gelegenheid maakte het volk van Kennemerland gemene zaak met de West Friezen en kregen steden als Haarlem en Leiden het zwaar te verduren. In een enkel geval wisten de opstandige Kennemers zelfs door te dringen tot Utrecht.

 

In het belang van de inwendige vrede in het graafschap vaardigde graaf Floris V in 1291 een handvest uit, waarin de rechten van de Kennemers werden vastgelegd. Eerst toen werd het rustig in de streek en kon Floris de legermacht op de been brengen, die hij nodig had om de West Friesen te onderwerpen. Hij slaagde daar vijf jaar later in, 1296.

 

 

3        De Hoekse en Kabeljauwse twisten

 

Nadat graaf Willem IV in 1345 was gesneuveld bij Warns in de omgeving van Stavoren, brak in het graafschap Holland opnieuw een crisis uit. De vrouw van de Duitse keizer, Margaretha van Beieren, volgde haar broer Willem op als gravin. Vanwege haar verplichtingen in Duitsland stelde zij haar zoon Willem aan als stadhouder. Al spoedig kwam Wilem tegen zijn moeder in opstand, gesteund door een aantal hoge edelen en enkele Hollandse steden. Zij werden de Kabeljauwen genoemd. De edelen die zijn moeder steunden, werden de Hoeken genoemd. Na ettelijke veldtochten en een zeeslag bij Zwartewaal wist Willem de overhand te krijgen. In 1355. De rust leek weer te keren. Maar nog geen 2 jaar later, keerde Willem in 1357 ziek terug uit Engeland. Hij leek zijn verstand bijster en tot regeren ongeschikt. Zijn jongere broer Albrecht van Beieren, nam het ambt voor hem waar. Albrecht wist de crisis te bezweren totdat hij op betrekkelijk hoge leeftijd onder invloed kwam van zijn minnares, Aleid van Poelgeest. Zij was sterk op de hand van de Kabeljauwse partij en de ontevreden Hoekse edelen besloten tot een moordaanslag in 1392. De daders hadden de steun van Albrechts zoon Willem, die zich tot de Hoekse partij had bekend. Twee jaar lang woedde een felle oorlog tussen vader en zoon en die werd in 1394 bijgelegd. Om de vijandschap een richting te geven beslot men op te trekken tegen het Friese vasteland om het voorgoed te onderwerpen aan de Hollandse macht. Veel haalde het niet uit, de onderwerping van de duurde nauwelijks een jaar. In 1400 kwam aan het krijgsgeweld een voorlopig einde.

 

In 1404 volgde de Hoekse Willem zijn Kabeljauwse vader op en hij bleef tot zin overlijden in 1417 aan de macht als graaf Willem IV. Zijn dochter Jacoba van Beieren volgde hem op en elf jaar lang, van 1417 tot 1428, was het graafschap opnieuw in strijd gewikkeld. De ‘zoen van Delft’ een overeenkomst van Jacoba met hertog Filips, de Goede, van Bourgondië maakte een eind aan de vijandelijkheden.

 

In het tijdvak 1345-1428 zijn de kastelen op de landengte van Kennemerland herhaaldelijk verwoest. De heren van Marquette, Meerestein, Oosterwijk en Adrichem behoorden ofwel tot de Hoekse partij, dan wel tot de Kabeljauwse partij. Als vergelding voor onderlinge moordaanslagen en aanvallen kwam het tot belegering en verwoesting van de kastelen. Onder Filips de Goede kreeg de Kabeljauwse partij uiteindelijk de overhand, lagen de Hoekse kastelen in puin en had de adel van de Kabeljauws gezinde steden niets meer te vrezen. 

 

4        De jonker Frans oorlog 1489

 

Na de dood van hertog Karel de Stoute in 1477 stak de diepgewortelde ontevredenheid in het graafschap Holland opnieuw de kop op. Zijn dochter Maria van Bourgondië werd bij haar aantreden gedwongen tot herstel van de stedelijke en gewestelijke rechten in het Groot-Privilege 1481. Het bleef even rustig, totdat in 1482 Maria overleed. Haar weduwnaar, aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk, werd voogd over hun zoon Filips en nam het bewind over. Hij voerde oorlog tegen de Franse koning, maar de krijgskans had zich tegen hem gekeerd, hij moest zich verweren en beschikte niet over de middelen om tot aanval over te gaan, ondanks de ongekend hoge belastingdruk. Onder leiding van de jonker Frans van Brederode nestelde zich een groep ontevreden Hoekse edelen in Sluis en vandaar uit ondernamen zij kapertochten op de Noordzee. De Franse vloot liet zich niet onbetuigd.

 

De vissers van Wijc op See raakten niet minder dan 14 van de 42 schepen kwijt aan de Fransen. Een slag die het dorp nooit meer te boven is gekomen. Maar het dorp kreeg nog meer te verduren. In mei 1489 persten de Hoekse zeerovers van Sluis, de vissers van Wijc op See en aanzienlijk som geld af. Op 12 juni 1491 overvielen zij in alle vroegte het dorp met een landing op het strand. Tussen zeerovers en dorpsbewoners kwam het tot hevige gevechten. Over en weer vielen er doden en gewonden. Met meenemen van hun aanzienlijke buit en de verwoesting van een deel van het dorp trokken de aanvallers af.

 

 

5        Het Kaas en Broodvolk van 1492

 

Wijc op See was nog nauwelijks bekomen van de ramp die het had getroffen, toen in 1492 het volk van Kennemerland en Westfriesland in opstand kwam. Jaren van mislukte oogsten, vanwege de hevige regenval, en de belastingdruk brachten de mensen tot wanhoop. Het opstandige volk trok over de landengte van Kennemerland, alles vernielend wat het tegenkwam aan bezittingen van de heersende Kabeljauwse partij. In Haarlem richtten zij verwoestingen aan en sneden de schout, Van Ruyven, aan stukken die zijn weduwe kreeg thuisbezorgd.

 

De stadhouder, Albert van Saksen, besloot met harde hand de opstand neer te slaan. In zijn opdracht voerde een legermacht onder leiding van Wilwort van Schaumburg een landing uit aan de zuidgrens van het graafschap kennemerland, ter hoogte van Noordwijk. Vandaar trok het krijgsvolk naar het noorden en bereikte daags daarna Wijc op See. Het dorp verleende de troepen vrije doortocht en voorzag de eenheid van leeftocht. Het doodarme dorp bleef dirmaal gespaard voor gevechten, verwoesting en plunderingen. De verdedigers van Beverwijk, die tevergeefs hoopten op bijstand van de Haarlemmers, werden onder de voet gelopen en bij Heemskerk werd de opstand van het Kaas- en Broodvolk voorgoed in bloed gesmoord.

 

2.5     De Hollandse heertochten

 


·        De krans van kastelen

·        De stamvader van de Gerulfingen

·        De Rooms-Koning, graaf Willem II

 


1        De krans van kastelen

 

De Hollandse heertochten voerden nog al eens over de landengte van Midden-Kennemerland en de aanvallen van de opstandige Kennemers en Westfriezen ook. Om die reden is in de 13de eeuw een krans van kastelen gebouwd ten noorden van Holland op zijn smalst. Marquette maakte deel uit van deze linie, zoals ook de kastelen Assumburg, Oud-Haerlem, Oosterwijk en Adrichem.  Een kasteel is zoek, het huis van het geslacht Banjaert. Het is in de Loonse oorlog in 1203 verwoest. Met een redelijke mate van waarschijnlijkheid heeft het gestaan op het Hofland, een strook hoger gelegen grond in het noorden van Beverwijk.

 

Na de onderwerping van de Westfriezen onder Floris V verloren deze kastelen in 1289 hun militaire belang voor het graafschap als geheel. Te meer, omdat Westfriesland werd omgeven met een reeks van dwangburchten, onder meer bij Alkmaar, Wijdenes, Wijdenoord en Medemblik. Dat de graven zo dikwijls betrokken waren bij heertochten in Westfriesland, in Utrecht en in Zeeland is terug te voeren op hun streven het oude hertogdom Groot-Friesland in zijn geheel onder hun gezag brengen. Zij meenden dat het hun toekwam, omdat zij zichzelf zagen als verre afstammelingen van de Friese koning  Radboud. En had Radboud niet ook geregeerd van het Zwin tot aan de Weser? En dan was er nog iets, oud zeer uit 885.

 

2        De stamvader van Gerulfingen

 

Als de stamvader van het Fries-Hollandse gravenhuis houdt men het als regel op Gerulf. Zijn dynastie, die men wel eens de Gerulfingen noemt, heeft  van 885 tot aan 1299 over het graafschap geregeerd, niet minder dan 414 jaar. Zowel Gerulf als zijn opvolgers hebben zich altijd graaf van Kennemerland én heer van Friesland genoemd. Door aankopen, huwelijken en oorlogvoering hebben zij hun machtsgebied weten uit te breiden. In de loop der eeuwen volgden Rijnland, Schieland,  Maasland en Zeeland. Het gebied Waterland werd door koop verkregen. De bisschop van Utrecht moest Amstelland en het Gooi na een oorlog prijsgeven en uiteindelijk slaagde Floris V er in om de Westfriezen te onderwerpen in 1289. Vier eeuwen van gevechten waren daaraan vooraf gegaan. Over Friesland en Groningen wist zijn voorganger Dirk VI in 1156  een bewind van twee heren      (con-dominium) af te dwingen bij de bisschop van Utrecht. Het haalde weinig uit, de formele macht over Friese gouwen werd zelden omgezet in een feitelijke macht.  Ook al ontbrak aan het politieke netwerk van de grafen helemaal niets. Jan I, de laatste graaf in het Hollands-Friese Huis trouwde met Elisabeth, een dochter van de Engelse koning, zijn vader Floris V was getrouwd met een dochter van de graaf van Vlaanderen. Zijn overgrootvader had zich  door huwelijk verbonden aan het Schotse koningshuis van koning Malcolm. Dirk VII trouwde met Ada, een Schotse koningsdochter. Een van de graven, de steenrijke Floris II, bood de keizer van het Heilige Roomse Rijk ooit een grote som geld. In ruil daarvoor wilde hij tot een van de keurvorsten van het Rijk aangesteld worden. De keizer ging niet op het aanbod in. Floris III trok met de Duitse keizer Frederik Barbarossa ter kruisvaart en stierf in 1191 in het Heilige Land.

 

3        De Rooms-Koning, graaf Willem II

 

Een van zijn opvolgers en de vader van Filips V, graaf Willem II, bracht het nog tamelijk ver in de Europese politiek. Een deel van de keurvorsten wees hem aan als de nieuwe kandidaat voor het keizerschap. Hij werd in Aken tot Rooms-Koning gekroond en de paus zou hem de keizerskroon in Rome op het hoofd drukken. Op enig ogenblik zag het daar ook naar uit, de keurvorsten die tegen zijn kandidatuur waren, gaven hun weerstand op en de Paus toonde zich bereid tot de kroning. Maar voor dat kon gebeuren trok graaf Willem II in de winter van 1256 op tegen de West-Friezen. Hij zakte te paard en in volle wapenrusting door het ijs in de buurt van Hoogwoud. Daar sloeg een groep van de Westfriese vrijscharen hem dood.

 

De grafelijke waardigheid over Holland (en Friesland) ging na 1299 bij de dood van Jan I over op het Huis Henegouwen en daarna op het Beierse Huis.  In 1345 ondernam graaf Willem IV nog een krijgshaftige poging om de Friezen te onderwerpen, hij kwam niet verder dan Warns in de buurt van Stavoren en sneuvelde aldaar. Na Henegouwse en Beierse heren volgden Filips de Goede en Karel de Stoute van het Bourgondische Huis. Hertog Karel van Bourgondië ging omstreeks 1470 in onderhandeling met de Friese grootheden over zijn erkenning als hun grafelijke heer. De onderhandelingen werden gerekt en uiteindelijk afgebroken toen Karel spoorslags naar de Elzas optrok om daar een opstandige beweging neer te slaan. Hij kwam tijdens die strafexpeditie om het leven in 1477 en sindsdien is van grafelijke aanspraken over het Friese kerngebied en Groningen weinig meer vernomen. De heerschappij over de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden kwam eerst in handen van keizer Maximiliaan en op hem volgde Karel V.


2.6     Van hertogdom naar graafschap


·         De hertog van Groot-Friesland

·         De ijdele hoop van Gerulf

·         De Friezen van Kinheim

·         De Friezen van de Voortijd

·         De Friese opstand van het jaar 29

 


1        De hertog van Groot-Friesland

 

 

De droom van de Hollands-Friese graven om het hertogdom Frisia Magna te herstellen is terug te voeren op het jaar 885. De Vikingen voerden toen al tientallen jaren aanvallen uit op de Friese kusten. Wat de reden van die strooptochten mag zijn geweest, is nog altijd niet duidelijk. Een veronderstelling is dat het oprukken van de Avaren en andere Slavische stammen de handelswegen tussen Scandinavië en Midden-Europa blokkeerden. Vanuit het noorden kwamen pelzen en barnsteen, goederen die werden geruild tegen zijde en andere kostbaarheden. Een andere reden kan een verandering in het klimaat zijn geweest, die de landbouw en veeteelt terugdrong op een kleiner gebied, met hongersnood en stamoorlogen als gevolg. Een samenloop van verstoorde handelswegen en verandering in het klimaat valt niet uit te sluiten. In ieder geval voeren de Vikingen de zee op en vielen zij Schotland, het noorden van Engeland en Ierland aan. Ook verschenen zij voor de mondingen van de Europese rivieren, de Seine, de Schelde, de Maas en de Rijn.

 

In het begin van de aanvallen omstreeks 810 wist keizer Karel de Grote de Vikingen nog wel te weerstaan. Hij stelde betrouwbare markgraven (‘markiezen’) aan en voor de kusten hielden gewapende schepen de wacht. Na de dood van de keizer zeeg het keizerrijk van de Franken langzaam maar zeker ineen. Zijn zoon Lodewijk de Vrome en zijn kleinzoon Karel de Dikke stelden Vikingen aan als leenman van het kustgebied in het noordwesten. Dat gebied strekte zich uit van het Zwin in het zuiden tot aan de Weser in het noorden, Frisia Magna (Groot-Friesland). De keizer beschouwde het als een hertogdom, zoals de Frankische vorsten dat al eerder hadden gedaan. Van oudsher merkten zij de Friese koningen aan als ‘duces’ (dux=hertog, waaronder Radboud). Sinds 883 heerste hertog Godfried, bijgenaamd de Zeekoning, over de Friese kusten en hij gedroeg zich als een ware Viking. Maar als beschermer van zijn gebied stelde zijn optreden weinig voor. Hij legde zijn onderdanen een hoge schatting op en bezette het keizerlijke paleis bij Nijmegen, het Valkhof. Hij bracht daar de winter door, roofde het leeg en stak het in brand. De keizer kreeg er genoeg van en bracht een leger op de been, dat het kamp van Godfried bij Elsloo in de Betuwe omsingelde.

 

2        De ijdele hoop van Gerulf

 

De keizer durfde Godfried bij die gelegenheid  niet aan te vallen en ook later had hij de moed niet. Vervolgens trok Godfried op langs de Rijn in de richting van de Pfalz. Hij eiste dat gebied van de keizer op, omdat in zijn hertogdom geen wijnstok kon groeien en dat was in de Pfaltz duidelijk wel het geval. De keizer besloot Godfried in een hinderlaag te lokken. Op een plaats in de Betuwe werd een samenkomst afgesproken voor het voeren van onderhandelingen. Eenmaal in het kamp aangekomen, werd Godfried om het leven gebracht. Een van de moordenaars was de graaf Gerulf van een Friese gouw Kinheim, oftewel Kennemerland. Hij was een afstammeling van het Friese vorstengeslacht.  Maar als hij ook maar een ogenblik mocht hebben gedacht, dat hij in plaats van Godfried verheven zou worden tot hertog van Frisia Magna, dan werd zijn vergissing snel duidelijk. Hij was en bleef graaf van Kennemerland. Eerst vier jaar later ontving hij als dankbetuiging van keizer Arnulf in 889 twee gebieden. Het eerste, Teisterband lag in de Betuwe bij Tiel. Het tweede sloot redelijk aan bij Kennemerland, het lag tussen Vlaardingen en Leiden. Het betekende een zekere genoegdoening, maar meer ook niet. Sindsdien zijn vele van zijn opvolgers 592 jaar (885- 1477) doende geweest om die keizerlijke ‘fout’ met beleid en geweld te herstellen.

 

 

3        De Friezen van Kinheim

 

In de tijd van de grote Volksverhuizing, de 6de eeuw, zijn de Friezen uit het zicht verdwenen, althans de stammen die Kennemerland in de voorgaande tien eeuwen hadden bevolkt. De streken die zij toe dan toe hadden bewoond, de kust en de oevers van de grote rivieren, raakten ontvolkt. Dat kan nauwelijks het gevolg zijn geweest van bevolkingsdruk uit het noorden en oosten, want het land is na het vertrek van de Friese stammen lang ontvolkt gebleven. Het is meer waarschijnlijk dat een omslag van het klimaat en een daarmee samenhangende stijging van de zeespiegel de Friezen uit hun woongebied heeft verdreven. De algemene veronderstelling is, dat de Friezen samen met de Angelen en Saksen een goed heenkomen hebben gezocht in Vlaanderen en dat zij vandaar zijn overgestoken naar het zuiden van Engeland.  Als hun spoor daarheen al leidt, dan maakten zij deel uit van de bevolking van Essex en Wessex (Oost- en West-Saksen) of van Suffolk en Norfolk (het Zuid- en Noord-Volk van Anglia.

 

Er zijn enkele generaties voorbijgegaan voordat de omstandigheden verbeterden in Kennemerland en ter weerszijden van de grote rivieren. Het land raakte herbevolkt in de 7de eeuw. Aan de hand van bodemvondsten is komen vast te staan, dat die herbevolking niet uit het  noorden of uit het oosten tot stand is gekomen. Dat maakt een herbevolking van uit het zuiden meer waarschijnlijk, zij het dat de Frankische stammen daar reeds in een hecht verband leefden. Dat maakte een doortocht van Friese stammen minder aannemelijk. Alsdan bleef nog slechts een mogelijkheid open, herbevolking van over de Noordzee. Indien dat het geval is geweest, krijgt de Middeleeuwse naam van het gebied- Kinheim- een bijzonder gewicht. Kinheim betekent namelijk zowel in het oud-Fries als in het Angelsaksisch ‘het land der vaderen’ (heim = thuisland en kin = voorvader). De verwantschap van het Oudfries en het Oudengels (Angelsaksisch) is bepaald opvallend. Hetzelfde geldt voor de bouw van huizen en de edelsmeedkunst. Maar mogelijk nog belangrijker in dit verband is de verwantschap van rechtsopvattingen, zoals uit oude wetsteksten naar voren komt. Tenslotte is er zeer opmerkelijk gegeven, dat Willibrord en Bonifacius, afkomstig uit Zuid-Engeland moeiteloos het Evangelie konden prediken onder de Friezen. Ook dat geeft reden een bijzonder grote verwantschap van cultuur en taal te veronderstellen. Zo bezien kan er toch nog een vaag verband bestaan tussen de Friezen van na de Volksverhuizing en de Friezen van voor de Volksverhuizing.

 

4        De Friezen van de Voortijd

 

Uit bodemvondsten is gebleken, dat Noord-Germaanse stam der Friezen al vijf eeuwen voor het begin van de jaartelling zich hebben gevestigd in deze streken. Van hun cultuur en hun levenswijze is weinig meer bekend dan wat onderzoekers in afvalhopen hebben gevonden. Zij leefden vooral van de visserij en de jacht en van een zeer bescheiden landbouw en veeteelt. Naarmate hun verblijf meer duurzaam werd, hebben zij zich tegen de zee weten te verweren, onder andere door het opwerpen van woonheuvels (terpen) in de uitgestrekte kwelders langs de kusten in het noorden. In het westen zochten zij een woonplek op de hogere strandwallen en jaagden en visten zij in de daartussen gelegen moerassen van de strandvlakten. Op de strandwallen zelf onderhielden zij eenvoudige akkers waar zij vooral rogge verbouwden.

 

Met de komst van de Romeinen doen de Friezen hun intrede in de geschreven geschiedenis. Van die teksten zijn de bekendste van Tacitus, die omstreeks het jaar 100 leefde. Tacitus is voor zover bekend nooit in deze streken geweest, maar hij verkreeg zijn gegevens als senator en hooggeplaatst Romein uit de eerste hand van de legionairs en van de legeraanvoerders, die in het verre noorden de rijksgrenzen hadden bewaakt. Met name in Germania Inferior, het gebied ten noorden van Belgica en ten westen van Germania (Duitsland).  Omstreeks het begin van onze jaartelling liep de grens van het Romeinse Keizerrijk langs de Donau en de Rijn en volgde in deze streken de loop van de Vecht en van het Oer-IJ, dat ter hoogte van Velsen (Felisenum) in open verbinding stond met de Noordzee. Op de plaats van het dorp Velsen hadden de Romeinen een versterking aangelegd, Castellum Flevum.  Waar nu de Wijkertunnel het kanaal kruist, lag in die tijd een vlootbasis. De vesting en de vlootbasis zullen zeker gediend hebben om de Friezen in de meer noordelijke streken, zoals Kennemerland, in bedwang te houden. Maar de versterkingen waren zeker zo belangrijk voor het verplaatsen van legioenen van en naar Brittannia, dat na een geslaagde invasie tot aan de grens met Schotland onder Romeinse gezag stond.

 

 

5        De Friese opstand van het jaar 29

 

De Friezen ten noorden van de rijksgrens waren schatplichtig aan de Romeinen sinds hun onderwerping, ongeveer 40 jaar voor het begin van de jaartelling. De schatting moest opgebracht worden in runderhuiden. Onder de eerste militaire machthebber van de Romeinen gaf de afdracht van de schatting geen moeilijkheden. Maar zijn opvolger Olennius maakte een ernstige vergissing. Hij eiste huiden van de oeros, maar die kwam nauwelijks meer voor in deze streken. Om toch zijn gelijk te halen eiste de nieuwe bewindvoerder meer huiden van het huisrund en dat konden de Friese stammen niet opbrengen. Om aan hun verplichtingen te voldoen dreigden zij zelf tot slavernij te vervallen wegens onvermogen. In het jaar 28 was de maat vol en de Friezen kwamen in opstand. Zij nagelden de belastinggaarders aan het kruis en deden een aanval op het fort en de vlootbasis bij Velsen. Vondsten in Uitgeest en Krommenie hebben de betrokkenheid van de bewoners bij de opstand aangetoond. Potschreven, die onlangs in deze plaatsen zijn aangetroffen pasten op scherven in het fort. In Wijk aan Zee en onmiddellijke omgeving zijn dergelijke sporen niet gevonden. De reden kan zijn dat de Romeinen in die tijd nederzettingen op geringe afstand van de rijksgrens niet toestonden. Wat daarvan zij, de opstand was zo fel, dat de Romeinen met achterlating van hun doden schielijk terugtrokken op een meer zuidelijke linie. Dat was de arm van de Rijn die bij Katwijk in zee stroomde. Tot aan het ineenstorten van de Romeinse macht in Gallia en Belgica bleef die rivierarm de grens van het Rijk. Ettelijke jaren na de opstand van 28 heeft een strafexpeditie de Friezen opnieuw onderworpen van de Rijn tot aan de Eems, maar Kinheim heeft nooit meer deel uitgemaakt van het Romeinse Rijk.