Vrouwen in de dorpsgemeenschap van Wijk aan Zee
In de loop van de geschiedenis van Wijk aan Zee, ten naaste bij zo’n duizend jaar, hebben vrouwen steeds een vooraanstaande rol gespeeld in de dorpsgemeenschap. De stadia van ontwikkeling volgden elkaar op. Van vissersdorp in de vroegste tijden en badplaats in de 19de en 20ste eeuw is Wijk aan Zee uitgegroeid tot aan woonplaats en uiteindelijk kustplaats op de drempel van de 21ste eeuw. In al deze stadia van ontwikkeling steunde de gemeenschap van het dorp op de inzet van vrouwen.
Vissersdorp
Over de stichting van de nederzetting Wijc op See zwijgen de historische bronnen in alle talen. Er zijn slechts aanwijzingen. Zo maken de namen Zeecroft voor de Dorpsweide en Rel voor een waterloop wel duidelijk, dat naar redelijk vermoeden niet Hollanders, maar Friezen de stichters van het dorp zijn geweest. Naar het tijdstip van stichting valt slechts te gissen. In 950 trad een tijdperk van grote droogte in en gedurende een eeuw teisterden zandstormen de kust. In die tijd werden de zogenaamde jonge duinen gevormd en die duinen hebben aan de zuidwestzijde van het dorp niet alleen een opvallende hoogte, maar hun hellingen zijn ook nog eens opmerkelijk steil. Hoogte en helling van deze duinen zijn vrijwel zeker het gevolg van menselijk ingrijpen. Dat wijst er op, dat omstreeks het midden van de 11de eeuw of kort daarna de stichters van het dorp het opdringende zand gingen tegenhouden en zo de Seecroft wisten te behoeden voor onderstuiving.
De kleine Seecroft en de schrale duingronden waren bij lange na niet genoeg om de groep stichters, hoe beperkt ook, te voeden. De teelt van kleinvee en de varkenshouderij zijn in Wijc op See daarom ook altijd bijzaak geweest. De bronnen van welvaart waren de destijds rijke visgronden vlak voor de kust. Een smalle strook in de Noordzee slechts. Maar daar ging wel een grote helderheid van het zeewater samen met de fotosynthese van het plantaardig plankton. Daar liepen de trekroutes van paailustige vissen en voerden de vloedstromen de vissenlarven langs de kust. En dat alles leidde tot schier onuitputtelijke rijkdom aan anorganisch, plantaardig en dierlijk voedsel voor zowel de prooivissen als de roofvissen . De vissers bleven geruime tijd dicht onder de kust, maar zij volgden de vissentrek wel, zodat het manvolk meer tijd op zee doorbracht dan thuis. Dat gaf de eerste aanzet tot een meer zelfstandig optreden van vrouwen in de vissersdorpen aan de kust dan gebruikelijk was in meer landinwaarts gelegen gemeenschappen.
Daarbij kwam nog, dat de Friezen, al sinds de Grote Volksverhuizing van de 6de eeuw een stevige positie innamen als de handelsvaarders en kapers van de Noordzee en de Oostzee. Dat bracht ook de mannen van het vissersdorp Wijc op See in de Middeleeuwen en ook later nog, langer en verder van huis. De Angelen en Saksen in het oosten van Engeland en de Friezen hadden omstreeks het midden van de 11de eeuw een bijzonder grote verwantschap in taal en cultuur en daarbij nauwe handelsbetrekkingen. Die verwantschap ging zelfs zover, dat zowel voor het Friese oerrecht (ewa) als voor het Angelsaksische recht mannen en vrouwen elkaars gelijke waren, voor zover zij tot dezelfde stand behoorden. Dat blijkt reeds uit een rechtsoptekening van de Karel de Grote uit 802 , de Lex Frisionem, die bewaard is gebleven. Wie een vrije vrouw of man letsel aanbracht, moest dezelfde boete betalen. (‘waargeld’) De boete voor het verwonden van een persoon uit de adelstand was daar een meervoud van, maar ook dan bestond er geen onderscheid tussen man en vrouw. Geen van de andere rechtskringen van het Frankisch/Karolingische Rijk kende die gelijkstelling van man en vrouw voor de wet, behalve de rechtskring van de Friezen. Zo blijkt, dat de handelingsvrijheid van vrouwen niet alleen in de hand werd gewerkt door de visserij en de handelsvaart van de mannen, maar toch ook paste in een lange rechtstraditie. Ze lag als het ware in het culturele erfgoed van de Friezen verankerd. In het geval van de nederzetting Wijc op See deed zich nog een bijzondere omstandigheid voor. De graaf van Holland stond de stichters om nog onbekende redenen toe zich te vestigen in het hart van zijn grafelijk domein en hij beschouwde hen bovendien nog als ‘vrijen’, zowel mannen als vrouwen. In die tijden was dat voor arme boeren en vissers een zeer hoge rechtspositie. Meestal waren zij lijfeigenen of in het beste geval horigen, van rechtswege gebonden aan de grond die zij bewerkten.
In de eeuwen die volgden, kwam Wijc op See tot grote bloei. De eerste aanzet lag in de groei van de steden in het Hollandse achterland. Het inklinken van de veengebieden leidde tot bodemdaling en die viel samen met een stijging van de zeespiegel. Een tijdperk van veel neerslag en stormen brak aan in het midden van de 12de eeuw. De landerijen werden minder geschikt voor graanteelt en een deel van de boeren ging over op veeteelt. Een nog groter deel van de boeren trok weg naar de steden. Vooral de onstuimige groei van Amsterdam bood de vissers van Wijc op See een nauwelijks te verzadigen afzetmarkt voor hun vis. De vrouwen droegen de gedroogde en gekaakte vis in manden naar de oever van het Wijckermeer, vanwaar zij per beurtschip over het Y naar de markten van de stad voeren. Tot ver in de 18de eeuw leefde de stadsbevolking op bier, bonen, brood en bokking (gerookte haring). Nadien deed de aardappel zijn intrede en verminderde het belang van de vis in het volksvoedsel.
Het hoogtepunt van de bloei van Wijc op See ligt tijdens het bewind van hertog Philips de Goede van Bourgondië, die in 1429 als graaf van Holland voor Jacoba van Beieren in de plaats trad. Op slag begon de bouw van een kerk, die was gewijd aan de Friese evangelist Sint Odulphus. Deze kerk was, zo blijkt uit tekeningen van dorpsgezichten, minstens 50 meter lang en omvatte niet alleen een enkele beuk van zeven traveeën, maar ook nog eens daarachter een dwarsbeuk en een koor. Aan de noordzijde, nu de laatste en vierde travee van de dorpskerk op het Julianaplein, bevond zich de ingang van de vrouwen. De bloei en de rijkdom van Wijc op See waren van betrekkelijk korte duur. De omslag kwam reeds bij de plunderingen van 1489 en 1492. De onafgebroken reeks oorlogen te land en ter zee van de 16de eeuw tot en met de Napoleontische oorlogen in het begin van de 19de eeuw bezegelden de duurzame neergang van het dorp. Het telde in 1812 nog 150 inwoners en het was tot de bedelstaf vervallen. Zo erg was de toestand, dat de overheid aan vrouwen en kinderen uit Wijc op See toestond te bedelen in de straten van Amsterdam.
Het duurde tot 1839 voordat zich een nieuwe kans aandiende. Wijk aan Zee trok de aandacht van de hogere burgerij in de steden. De frisse wind van de kust trok hen in de zomer meer dan de stank van de stadsgrachten. Daarbij kwam nog een verhevigde belangstelling voor natuur en landschap in de filosofie, de wetenschap en de kunst. De Romantiek brak door. Wijc op See inmiddels tot Wijk aan Zee omgedoopt, werd in 1839 een der eerste badplaatsen aan de Hollandse kust.
De badplaats
De opkomst van Wijk aan Zee bood aan de vrouwen van het dorp de meeste kansen. Enkelen van hen vonden werk in de badinrichting van de herberg De Moriaan aan de toenmalige Kerkstraat, nu De Zwaanstraat. Het werd tijd dat de waard van de herberg het roer omgooide en zijn kansen greep. Want sinds de herinrichting van de Staat en zijn bestuur vanaf 1815 was De Moriaan niet langer het rechthuis van het dorp en ook al niet meer de vergaderruimte van de vroedschap. In de herberg werden geen huwelijken meer voltrokken van rooms-katholieke dorpelingen ten overstaan van twee schepenen, omdat sinds 1579 hun kerkelijk huwelijk niet volstond. Nieuwe inkomsten moesten uitkomst bieden.
Maar meer dan de nieuwe werkgelegenheid in de badinrichting zelf, bood de villabouw in het dorp aan de vrouwen veel kans op werk. Leden van de hogere burgerij van Amsterdam bouwden zomerverblijven in een ruime boog vanaf de Rijckert Aertszweg tot aan het Gaasterbos langs de Julianaweg. In die grote woningen was een ruime behoefte aan werksters en dienstboden. Naarmate de stedelingen een verblijf aan het strand en een duik in de zee als een gezonde bezigheid gingen zien, werd het drukker op de stranden. Wijk aan Zee bleef daarbij niet achter. De vrouwen waren de stadse mevrouwen en hun heren behulpzaam bij de badkoetsen, de strandstoelen en de windschermen. De badvrouwen ventten verder allerhande etenswaren en dranken uit. De vrouwen verhuurden in de zomer hun huizen aan de middenstanders en handwerkslieden, die zich een villa niet konden veroorloven. Pensions en hotels maakten opgang en ook dat was goed voor de werkgelegenheid in het dorp. Er was veel vraag van kamermeisjes en werksters, zeker toen het grote Badhotel van Heinrich Tappenbeck in 1880 zijn deuren opende.
De arbeiders in de steden kregen in de industrie een vast loon en vakantiedagen tegen het einde van de 19de eeuw, net als de klerken bij de handelskantoren en banken. Dat gaf een nieuwe stoot aan het strandtoerisme. Dagjesmensen namen de salonboot achter het Centraal Station van Amsterdam, stapten bij Velsen aan de wal en wandelden door de Breesaap langs de landgoederen Westerhout en Rooswijk naar de badplaats Wijk aan Zee. Het dorp maakte tot aan het begin van de Tweede Wereldoorlog een ongekend bloei door als badplaats voor families. In de jaren 1940-1945 viel de ontwikkeling stil. De bezetter bouwde bunkers, geschutbatterijen en waarnemingsposten rondom het dorp die deel uitmaakten van de Festung IJmuiden, een extra versterkt onderdeel van de Atlantikwall. Wijk aan Zee werd een Sperrgebiet en de bevolking werd naar het binnenland verdreven.
Na 1945 brak een nieuwe tijd van opkomst aan, de badplaats kwam opnieuw tot bloei. En de vrouwen namen als vanouds de huishoudelijke taken op zich in de pensions, de hotels en de restaurants. Voor zover zij al niet zorgden voor de zomergasten in de eigen woningen. Nog steeds had Wijk aan Zee als badplaats de sterke voorkeur van families en gezinnen. Anders dan in Scheveningen, Noordwijk of Zandvoort kwam het zwaartepunt niet te liggen op vermaakcentra voor de strandbezoekers. De dienstverlening bleef beperkt tot verkoop van souvenirs, strandartikelen en een ruim bemeten bestand aan eethuizen en tapperijen. Rond het midden van de jaren ’60 was het snel afgelopen met de groei van Wijk aan Zee als badplaats. Toenemend autobezit bracht de toeristen tot diep in Frankrijk en Duitsland. Goedkope vakantievluchten verleidden de badgasten tot een verblijf aan de Spaanse Costa’s en op de eilanden Mallorca en Ibiza. Goedkoop en zonzeker waren die bestemmingen en dat kon Wijk aan Zee net zo min bieden als de andere badplaatsen aan de Hollandse kust. Zij waren voortaan aangewezen op de dagjesmensen, die op hete zomerdagen verkoeling zochten op de stranden. De Hollandse badplaatsen kwijnden.
De woonplaats
In Wijk aan Zee ging het net even anders. De groei van het staalbedrijf Hoogovens tussen 1965 en 1985 verschafte werk aan tientallen ondernemingen, die waren gespecialiseerd in ovenbouw, staalbouw en de constructie van zware machinerie. De werknemers van die ondernemingen vonden een onderdak in de vele zomerhuizen van Wijk aan Zee. En dat niet voor enkele zomerse weken of maanden, maar voor het overgrote deel van het jaar brachten de zomerhuizen ruime inkomsten op. Bovendien brachten de goede verdiensten van deze ‘monteurs’ en hun levensstijl mee, dat zij nog beter dan de toeristen van weleer de eethuizen en tapperijen op gang hielden. En zo bleef, ondanks het verlopend tij van het toerisme voor de vrouwen van het dorp de werkgelegenheid in de horeca en in de verzorging van zomerhuizen ruimschoots in stand.
Waar het belang van Wijk aan Zee als badplaats en als bestemming voor het strandtoerisme afnam, daar groeide de betekenis van het dorp als plaats van vestiging. Een reeks van straten werd aangelegd en daar verrees in de loop van dertig jaren veel nieuwbouw. De kostwinners van de gezinnen, die zich daar vestigden, hadden meestal een hogere opleiding en vervulden kaderfuncties bij het staalbedrijf Hoogovens of ook wel elders. De prijs van de koophuizen maakte een goed en vast inkomen beslist noodzakelijk. Op het gebied van inspraak en in milieuzaken waren de nieuwe dorpsgenoten bepaald actiever en ook meer kritisch ingesteld dan de ‘dorpers’. Het dorpshuis De Moriaan kwam tot stand, alsook een rechtstreeks gekozen Dorpsraad. De vrouwenteams van de Volleybalvereniging en de Handbalvereniging brachten het ver in de regionale en landelijke competities. Voor het samengaan van de Rooms-Katholieke en de Openbare school ontwikkelden de nieuwelingen mede een baanbrekend concept. En de vrouwen hebben tot op de dag vandaag een belangrijk aandeel in de ‘samenwerkingsschool’ de Vrijheit. Ook in het kerkelijk leven kwam het onder invloed van de meer kritische en open instelling van de nieuwkomers tot nauwere samenwerking. De vrouwen binnen de kerkgenootschappen hebben daar nog altijd een stevig aandeel in. Ondertussen ging de zorg voor zieken en bejaarden, zoals die al eeuwen in het dorp een plaats had gekregen in het leven van vrouwen en dochters, gewoon door.
Na verloop van tijd ontgroeiden de actievoerders van het eerste uur zowel het Dorpshuis als de gevestigde kaders, zoals de Dorpsraad en het verenigingsleven. Men bekende zich meer en meer tot het creatieve actiecentrum Sonnevanck. Van daaruit ontstonden tal van initiatieven en protestacties, en dat alles vond een voorlopig hoogtepunt in 1999. Het jaar waarin Wijk aan Zee zich opwierp als Cultureel Dorp van Europa. Opnieuw was het aandeel van vrouwen in de activiteiten opvallend groot. Zij traden niet alleen op de voorgrond in de straatcomité’s, zij verzetten ook een groot deel van het werk in de landengroepen. Voor de ontvangst van elk van de aangesloten dorpen namen de vrouwen veelal de organisatie en de contacten op zich. Ook de kookploeg, die voor grootste deel uit vrouwen bestond (en nog trouwens) verzette bij vele gelegenheden bergen werk om het de ‘dorpers’ en de buitenlandse gasten naar de zin te maken. Na 1999 is dat alles niet tot stilstand gekomen. Nog altijd is er de jaarlijkse reeks van evenementen, die de Stichting Actief Wijk aan Zee voor zijn rekening neemt en waarbinnen vele vrouwen actief zijn.
De kustplaats
In de komende jaren zal de betekenis van Wijk aan Zee als woonplaats zeker niet afnemen. De kust blijft als plaats van vestiging in trek bij velen. Niet in het minst bij de jongeren, die in het dorp zijn opgegroeid en graag binnen deze gemeenschap willen wonen en een gezin willen stichten. Niet in het minst bij de ouderen, omdat zij zo lang als het maar kan met het dorp verbonden willen blijven. Dat zet een druk op het aanbod van nieuwe woningen en nieuwe woonvormen. Nieuwe plannen brengen nieuwbouw op bescheiden schaal voor een reeks van jaren in het verschiet. De wezenlijke vraag daarbij zal zijn in hoeverre die nieuwbouw ten goede komt aan de eigen aanwas en aan de eigen senioren van het dorp. Het is een van de belangrijkste voorwaarden voor een duurzame verjonging na een lange tijd van toenemende vergrijzing van de dorpsbevolking. Het zal ook een van de belangrijkste voorwaarden zijn voor voortbestaan van het aandeel van vrouwen, zowel oud als jong, aan de dorpsgemeenschap van Wijk aan Zee. Zij staan in een lange en indrukwekkende traditie van weinig minder dan 1000 jaar. (JB)
![]() | ||||||
![]() | ||||||
![]() | ||||||
Rondleidingen met gids