4 De steen van Justitia
Justitia, van herberg naar dorpshuis
2006: zeventig jaar na de fusie met Beverwijk
- De burgers van Wijk aan Zee en hun gemeentebestuur
- De bestuurscultuur van Beverwijk
- Het dorp en de Wijker wijken
De gemeente Wijk aan Zee en Duin (1817-1936)
- De nabloei van Wijk aan Zee en Duin
- De burgemeesters Rothe en De Zwan
- Het grondgebied, voor 1876 en na 1876
- De gemeentewet van 1851 en de grondwet van 1848
- De gemeente Wijk aan Zee en Duin in de 19de eeuw
- De overgangstijd van 1813-1815
De ‘Municipaliteyt’ van Wijk aan Zee (1795-1813)
- Het bestuurlijke regiem in het Franse Keizerrijk
- De Bataafsche Republiek en het Koninkrijk Holland
- De overgangstijd van 1795-1798
Het baljuwschap Wijc op See in de Republiek (1579-1795)
- De Republiek zonder grondwet
De ‘banne’ Wijc op See in de Middeleeuwen (1050-1579)
- Het Habsburgse vorstenhuis en de Opstand
- Het Henegouwse en Beierse gravenhuis
- Het Fries-Hollandse gravenhuis
- Het ambacht onder de heren van Banjaert
- De oorsprong van het schoutsambt
- De samenhang van de ambachten in Midden-Kennemerland
4 De steen van Justitia
4.1 Justitia, van herberg naar dorpshuis
Enkele jaren geleden, in maart 1998 kwam een groep oud-bestuursleden, zittende bestuursleden en belangstellenden bijeen in de hal van het dorpshuis de Moriaan in Wijk aan Zee. Zij woonden de onthulling bij van de ‘Steen van Justitia’ die kort tevoren daar in de muur was ingemetseld. In deze onthulling ging een zekere symboliek schuil. De onthulling gaf aan, dat ook het dorp voortaan zorgvuldiger met zijn geschiedenis om wilde gaan dan lange tijd het geval was geweest. De nieuwe plaats van de steen was al niet minder met betekenis geladen. Ooit had de steen een plek in de herberg De Moriaen, waarnaar het dorpshuis in 1972 was vernoemd. Gelijk de oude herberg De Moriaen diende nu het dorpshuis De Moriaan als plaats van ontmoeting voor het dorp Wijk aan Zee.
Tientallen jaren achtereen was de steen te zien geweest in de muur van de snackbar Onder de Toren, die grensde aan het kerkhof aan het Julianaplein in het hart van het dorp. In historisch opzicht had deze plaats geen enkele betekenis, maar het droeg wel bij tot het behoud van deze bijzondere steen. Al was het maar, omdat hij zo in het zicht bleef van de mensen in het dorp en andere voorbijgangers. Weinigen van hen zullen bij de steen hebben stilgestaan. Nog minder mensen zullen gezien hebben, dat het zachte zandsteen nogal verweerde en vervuilde. Het was ,oeilijk te zien of Justitia ooit een blinddoek had gedragen of dat deze door de verwering was aangevreten. De steen sierde de muur van de snackbar, zonder een duidelijke herkomst en ook zonder een omlijnde toekomst. Zeker geen toekomst, die aan zijn eerbiedwaardige ouderdom en verleden ook maar enig ‘recht’ zou doen. Het kwam anders uit. Een vooraanstaande inwoner van het dorp, Evert Gerritse, kwam op de gedachte om de steen te verplaatsen van de snackbar naar de hal van het dorpshuis en zo geschiedde het. Bij die gelegenheid kwam onder de aanwezigen ter sprake, dat de steen, voordat hij de snackbar ‘sierde’ ooit gevonden was in de kelder van het Badhotel, op de hoek van De Zwaanstraat en de Gasthuisstraat. Dat lag, bij nader inzien in de lijn der verwachtingen. In De Zwaanstraat had ooit de herberg de Moriaen gestaan en die herberg had inderdaad voor lange tijd gediend als rechthuis en als gemeenschapshuis. Zeker vanaf de tweede helft van de 17de eeuw. Mogelijk had een tapperij, die eerder op die plaats had gestaan, dezelfde plaats ingenomen binnen het dorp. Het is in dit verband van zijdelings belang te vermelden, dat in zijn oorsprong een herberg, het gebouw is geweest waar de landsheer zijn intrek nam en waar hij optrad als ‘richter’, als de beslechter van geschillen. Die betekenis is, lang nadat de graaf was opgehouden op deze wijze zijn ambt te vervullen, overgegaan op het gebouw waar de reizende richter zijn onderdak koos. Ook is het woord herberg nog lang in gebruik geweest als aanduiding van de grafelijke huishouding. Wat daarvan zij, in de herberg De Moriaen wees de plaatselijke rechtbank, het gerecht van schout en schepenen, vonnis in burgerlijke zaken. Dat waren toen, als nu, geschillen van allerlei aard tussen mensen over roerende en onroerende zaken, over vermogensrechten en over de naleving en uitleg van overeenkomsten. Verder nam de schepenbank kennis van strafzaken, waarop lage boetes stonden. Lijfstraffen en hoge geldboetes vielen onder de hoge vierschaar van de baljuw. Die rechtspraak was diep geworteld in de geschiedenis van het dorp en ging nog terug op zeer oude ‘privilegiën’, die hun bestaan op hun beurt weer ontleenden aan rechtsgebruiken uit de Oudfriese tijd.
De plaats van de herberg De Moriaen als gemeenschapshuis in Wijk aan Zee werd onder meer bepaald door de verplichting voor Rooms-katholieke inwoners van het dorp om in het huwelijk te treden ten overstaan van twee schepenen. Vanaf 1579 had slechts het kerkelijke huwelijk van de protestanten rechtskracht in de samenleving. Het kerkelijke huwelijk van andere gezindten gold zonder tussenkomst van de ‘magistraat’ niet als wettig. In Wijc op See trof die bepaling vooral het Rooms-katholieke volksdeel, minstens 90% van de bevolking. Verder vonden er in de Moriaen veilingen en verkopingen plaats, onder andere vanwege de gerechtsdeurwaarder.
De herberg De Moriaen heeft zijn plaats als rechthuis in 1798 verloren. Toen werd in de staatsregeling voor het Bataafse Volk een scheiding gemaakt tussen bestuur en rechtspraak in eerste aanleg. De rechtspraak werd voorgoed in handen gelegd van rechtbanken. De plaats van De Moriaen als gemeenschapshuis duurde nog even voort. Daar kwam eerst een eind aan, toen in 1811 de gemeente Wijk aan Zee met Wijk aan Duin werd opgenomen in de nieuwe gemeente Beverwijk en het gemeentebestuur met zijn dienaren op de ‘maîrie’ aan de Breestraat een plaats kreeg. De nieuwe gemeente voerde een behoorlijke administratie van de Burgerlijke Stand en schreef huwelijken, geboorten en gevallen van overlijden bij in de registers. Naar de wetgeving die Napoleon had opgelegd. Ook het vertrek en de aankomst van degenen, die zich in de gemeente of juist daarbuiten vestigden, werden in registers op het gemeentehuis vastgelegd. De herberg De Moriaen had als rechthuis en als huis van de gemeenschap afgedaan. Volgde de bouw van een gemeentehuis voor Wijk aan Zee en Duin in 1867 aan de Zeeweg ter hoogte van de binnenduinrand. In 1908 werd ook dat gebouw afgedankt en zetelde het gemeentebestuur op het Westerhoutplein tot aan de opheffing van de gemeente Wijk aan Zee en Duin op 1 mei 1936.
4.2 2006: zeventig jaar na de fusie met Beverwijk
- De burgers van Wijk aan Zee en hun gemeentebestuur
Tot 2002 moesten de wethouders van een gemeente altijd lid zijn van de gemeenteraad. Dit beginsel was ooit vastgelegd in de Gemeentewet van Thorbecke, welke wet in 1851 in het Staatsblad was verschenen. Deze wet is vele malen aangepast en veranderd, maar raakte toch niet snel versleten. Zelfs de invoering van deelgemeenteraden in de grote steden plooide zich gemakkelijk naar de geest en letter van de wet. In 2002 is het dan toch nog tot een ingrijpende verandering gekomen. De wethouders waren niet langer lid van de gemeenteraad, het stelsel ging over van monistisch naar dualistisch. Het dagelijkse bestuur van de gemeente zou meer gediend zijn met een grotere bestuursvaardigheid van de wethouders. Die behoefte aan bestuursvaardigheid paste in een ontwikkeling, die in het midden van de 19de eeuw nog volslagen ondenkbaar was. In de loop van de 20ste eeuw heeft de rijkswetgever aan de gemeenten steeds meer de uitvoering van wetten opgedragen. Dat is zo vaak gebeurd, dat de kerntaak van de gemeente geleidelijk op de achtergrond is geraakt. De gemeente is overwegend onderuitvoerder van rijkswetten geworden, in ‘medebewind’ zoals dat is gaan heten. Vooral op het gebied van inkomen (bijstand), ruimtelijke ordening, woningbouw en huisvesting milieu, brandbeveiliging, maatschappelijke zorg, onderwijs en cultuur ging de gemeente in opdracht van het rijk werken. Een dergelijk pakket van werkzaamheden vroeg meer om bestuurlijk ondernemerschap dan om de politieke vaardigheden van de oude garde. De gemeente moest de ruimte krijgen om bestuurlijk talent aan te trekken uit andere plaatsen en uit andere maatschappelijke kringen. Vooral in het bedrijfsleven zag de wetgever veel onbenut talent, onderwijs en ambtenarij waren te sterk aanwezig. De gemeenteraad moest zich, volgens diezelfde opvatting, meer dan in het verleden bezighouden met de grote lijnen van beleid en toezien op de naleving daarvan. De gemeenteraad moest zeker niet langer over de schouder van de zittende wethouders ‘meebesturen’. Dat zou het Rijk wel doen in zijn rol van toezichthouder, maar dat werd er niet bij gezegd.
In de gemeente Beverwijk ligt het dagelijkse bestuur, het college van burgemeester en wethouders als het ware achter twee dijken. De eerste dijk, de ‘wakerdijk’ dat zijn de publiekgerichte eenheden voor Bouwen, Bijstand, Beheer en Bevolkingszaken. De tweede dijk, de ’slaperdijk’, dat zijn de afdelingen voor het Geld, het Personeel, de Projecten en de Communicatie. Op het eerste gezicht is dit een zeer open bestel, waarbinnen dienstverlening aan de burger voorop staat. Waar de buitenafdeling de burger niet tegemoet kan komen, zou dit misschien nog wel kunnen in overleg met een binnenafdeling. Komen ‘binnen en buiten’ er samen niet uit, dan zou het dagelijkse bestuur het verlossende woord kunnen spreken. De werkelijkheid is duidelijk anders. Zo het bestuur al niet met handen en voeten gebonden is aan rijksregels, staat het programma van het college (coalitiehandvest) een vrije wisselwerking tussen burger en bestuur al vrij snel in de weg. En dan is er nog altijd het overwicht van de binnenafdelingen ten opzichte van de buitenafdelingen. Was het sinds lang al zo, dat de buitenafdelingen het vooral te stellen hadden met de afdeling Financiën, nu moeten zij binnenwaarts ook nog de afdelingen voor Personeel en Projecten tevreden stellen. Een moeilijke opgave, mogelijk zelfs té moeilijk. In ieder geval zo moeilijk, dat het werken bij een buitenafdeling lastig is en kennelijk als weinig bevredigend wordt ervaren. Dat komt dan weer tot uiting in de vele veranderingen in het personeelsbestand. Eens in de zoveel maanden moeten personen, groepen en organisaties uit de bevolking zich instellen op weer een andere ambtenaar. Die medewerker neemt dan opnieuw van voren af aan hun zaken door. Voor korte tijd is hij het dan, die van hun nieuwe wensen kennisneemt en ze ‘behartigt’.
Veel lijkt tegen de burgerij samen te spannen in het gemeentelijk bestel van Beverwijk. En wel op zodanige wijze, dat het bestuur ‘beschermd’ ligt achter twee stevige dijken tegen de vloed wensen, verzoeken en meningen van de eigen burgers. De vooruitzichten zijn er niet beter op geworden, sinds een deel van de ambtenaren buiten de gemeente elders woont. Voor de wethouders geldt deze eis om binnen de gemeente te wonen vanaf 2002 ook niet meer. Het gevolg laat zich redelijk voorspellen. Het bestuur met zijn dienaren zal zich, bij toenemend gebrek aan plaatselijke kennis en inzicht in lokale verhoudingen, steeds meer vastklampen aan de papieren werkelijkheden van de dossiers. Of anders wel aan de regels van eigen maaksel, en niet te vergeten: de regels van Haags fabrikaat.
- De bestuurscultuur van Beverwijk
In augustus 1936 organiseerden het bestuur en de notabelen Beverwijk een uitbundig feest om de samenvoeging te vieren met Wijk aan Zee en Duin. Nogal bruusk en kleingeestig, met weinig gevoel voor verhoudingen en gering besef van gevoeligheden sprak men steevast en opgetogen over Groot Beverwijk. In het feestcomité en de werkgroepen zaten dan ook uitsluitend burgers uit Beverwijk en uit Wijk aan Duin. De nieuwe burgers uit Wijk aan Zee waren nadrukkelijk afwezig. De persverslagen uit die tijd maakten al evenmin melding van feestelijkheden in het dorp Wijk aan Zee. Een nieuwe tijd, waarnaar halsreikend was uitgezien in Beverwijk, die zou eindelijk aanbreken. En wat voor een tijd. Een tekst van burgemeester H.J.J. Scholtens sprak in dat opzicht boekdelen: ‘De eerste dertig jaren van onze eeuw zijn fataal geweest voor een ordelijke en stedenbouwkundige verantwoorde uitbreiding. (..) De ontwikkeling van de stad was niet beheerst, maar geheel overgelaten aan het toeval en aan de grillen van een vaak slechte en smakeloze eigenbouwerij, bekrompen, onsamenhangend, individualistisch en kortzichtig’[1].
Groot-Beverwijk zou het allemaal anders en beter gaan doen. In de vier jaren, die nog restten tot aan het uitbreken van de oorlog op 10 mei 1940 is het er niet van gekomen. Afgezien van een ingrijpende verbetering van het rioolstelsel, een project dat in het kader van de werkverschaffing viel. Ook na 1945 gebeurde er aanvankelijk nog weinig. De Zeestraat werd tot aan Wijk aan Zee geasfalteerd en de bouw van de Oranjebuurt, op een deel van de Munnikenweide werd voorbereid. Burgemeester Scholtens schreef in 1948: ‘De huidige ontwikkeling van Beverwijk geschiedt ordelijk en op gezonde grondslagen en ook in harmonie met wat het streekplan en het gewestelijke plan in het raam van het nationale plan vorderen’. Met dat laatst bedoelde Scholtens de groei van Hoogovens als nationale doelstelling. De Marshallhulp uit de Verenigde Staten bracht vanaf 1948 schot in de ontwikkeling van de IJmond en Beverwijk. Het Hoogovenbedrijf bouwde de Breedbandwalserij ten zuiden van het Rooswijkerlaantje. Al spoedig was de arbeidsmarkt in de IJmond en omgeving uitgeput en men moest arbeidskrachten werven in de Kop van Noord-Holland, alsook in Friesland, Groningen en Drenthe. Tussen 1950 en 1975 werden de Oranjebuurt, de buurten rondom het Kuenenplein en de wijken Oosterwijk, Meerestein en Zwaansmeer uit de grond gestampt.
Beverwijk rekende zich in de jaren ’60 rijk en groot en zocht Heemskerk en Velsen-Noord in te lijven. Dat stuitte, voorspelbaar, op fel verzet. Maar dat hield Beverwijk er niet vanaf het nieuwe bestuurscentrum op voorhand naar het midden van de gedroomde ‘Staalstad’ te verplaatsen. Groot-Beverwijk liet zich- als in 1936- weer eens zien van de bruuske kant. De stemming binnen en buiten het Stadskantoor sloeg echter onmiddellijk om toen gewerkt werd aan een wetsontwerp tot samenvoeging van Heemskerk, Beverwijk en Velsen. Toen was het, even zo voorspelbaar kleingeestig: ‘Drie in een, néén!’. De opzet slaagde, maar Beverwijk ging nog lang gebukt onder de gevolgen van het gevoerde beleid. Met het oog op de verwachte fusie met Heemskerk waren de ambtenaren opgeschaald. De Breestraat, het oude centrum was net even te lang verwaarloosd, omdat veel geld en inzet was besteed aan het nieuwe stadshart, dat rondom het Stadskantoor had moeten verrijzen.
Toch bleef Beverwijk nog lang in de roes van de groei gevangen. De installaties van Hoogovens schoven steeds meer op naar het noorden, ze reikten ten slotte tot ver voorbij de Zeestraat en uiteindelijk tot op het grondgebied van Heemskerk. De gemeente Beverwijk werkte daar welwillend aan mee. Openlijk verzet tegen de volledige insluiting van Wijk aan Zee aan de landzijde door de industrie bleef uit. Men nam genoegen met een groenstrook, uitgespaard in het fabrieksterrein, waardoorheen zich de Zeestraat slingerde als enige verbinding naar Wijk aan Zee. Deze groenstrook moest met kunstduinen en beplanting de toestand enigermate aan het oog onttrekken. Toch bleef het een misslag van de eerste orde op het gebied van ruimtelijke ordening en milieu. Het kon niet uitblijven, dat het dorp Wijk aan Zee onder druk van deze uitbreidingen in verval raakte. Plannen om de staalproductie nog verder uit te breiden, met alle overlast van geluid en stof van dien, verhoogden de aantrekkelijkheid van het dorp allerminst. Het was het dorp in die jaren duidelijk aan te zien. De onderhoudstoestand van vele huizen was bedenkelijk. De ommekeer kwam toch nog vanuit het dorp zelf. De Dorpsraad, opgericht met hulp van de Beverwijkse Sociaal Culturele Raad in 1972, zette zich in voor het dorp. Na verloop van tijd had dat zichtbare gevolgen. Het Gaasterduin werd opgehoogd om het dorp nog enigszins van de fabrieksinstallaties af te schermen. De mensen van Wijk aan Zee leerden uit ondervinding, dat actievoeren de moeite loonde. Voortaan lieten zij niet meer over zich lopen.
Maar wat er ook veranderde, de bestuurscultuur van de gemeente Beverwijk niet. Men bleef streven naar groter, alle ervaringen in het verleden ten spijt. Zo werd de gedachte gevoed, dat het in Wijk aan Zee duidelijk ontbrak aan een boulevard. Dat daarmee vorm en geleding van het dorp volledig verstoord zouden raken, daar wilde men op het Beverwijkse stadskantoor zelfs niet van horen. Zo kon het gebeuren, dat een in nauwe samenwerking met het dorp ontwikkelde toekomstvisie op slag zijn innerlijke waarde verloor. Het college had namelijk eigenhandig een boulevardplan, een kuuroord inbegrepen, in de visie opgenomen. Met deze ingreep was het prille vertrouwen gebroken, dat eindelijk tussen het dorp en zijn gemeentebestuur leek te zijn ontstaan.
Blijft de vraag, waar de bruuske en soms zo kleingeestige bestuurscultuur toch zijn oorsprong mag hebben. Het ziet er naar uit dat ‘kleindenkers’ het gemeentebestuur in gijzeling hebben genomen. Omstreeks de vorige eeuwwisseling moet dat al gebeurd zijn. Niet alleen rechtstreeks met hulp van de traditionele partijen van het midden en rechts daarvan. Maar ook zijdelings, door middel van de coöperatieve banken[2], de toenmalige standsorganisaties en de serviceclubs. De partijen met een meer sociale en democratische inslag hebben tegen dit bolwerk van lokale macht nooit voldoende tegenwicht kunnen bieden[3] ook al omdat zij voor een deel zelf de neiging vertonen in eenmansfracties uiteen te vallen. In het Beverwijkse beleid gaat daarom nog steeds, te vaak: het deel voor het geheel en telt het heden zwaarder dan morgen. Niemand heeft dat scherper onder woorden gebracht dan wethouder Hazeveld in het voorjaar van 2005. Hij werd toen gewezen op het feit, dat de bouw van te veel woningen ineens in Wijk aan Zee veel ouderen van buiten zou aantrekken en dat zulk een beleid op de lange duur de vergrijzing na verloop van een tiental jaren zou versnellen. Zijn antwoord: ‘Zó vér kijk ík niet hoor!’
- Het dorp en de Wijker wijken
Met de nieuwe organisatie viel binnen het Beverwijkse gemeentebestuur het besluit, dat er meer wijkgericht moest worden gewerkt. Om voeling te houden met ‘wat er leeft’ in de wijken werden wijkraden opgezet onder voorzitterschap van gemeentelijke coördinatoren. In het dorp Wijk aan Zee is deze gedachte nooit overgenomen. De Dorpsraad had zich sinds de jaren ’70 al een plaats verworven. Bovendien was de Dorpsraad nooit op ambtelijke ‘uitnodiging’ samengesteld, maar naar vast gebruik via rechtstreekse verkiezing van kandidaten. De wijkcoördinator had geen andere keus dan als gemeentelijk ‘contactambtenaar’ bij de Dorpsraad aan te schuiven. Na enige jaren bleek, dat de wijkcoördinator in dat contact toch net even vaker en nadrukkelijker gemeentelijke aankondigingen kwam overbrengen, dan dat hij dorpse boodschappen meenam naar het stadskantoor.
De Dorpsraad wilde zich enkele jaren geleden, naar de mening van de gemeente, iets te nadrukkelijk bemoeien met de uitvoering van afgesproken beleid. Dat stond de gemeente niet aan en in een bezwaarprocedure werd de Dorpsraad niet ontvankelijk verklaard. De zaak waar het om ging zou niet passen op de algemene doelstelling van de Dorpsraad. De raad kon zich maar beter, bij voorkeur op aanvraag van de gemeente, bezig houden met de inspraak op het voorgenomen beleid, zo werd te verstaan gegeven. Dat gebeurde niet formeel in een voor beroep vatbare beslissing, maar terloops in een ambtelijke notitie, die tussen de stukken was geschoven. Voor de goede verstaander: de uitvoering van beleid en de uitleg van beleidsregels, dat was een zaak van de gemeente en de rechtstreeks belanghebbende, de Dorpsraad moest zich daar buiten houden. De Dorpsraad legde zich daar niet bij neer en heeft inmiddels de statuten aangescherpt.
De Dorpsraad werd met regelmaat als een wijkraad bejegend. Verder bleek uit vele gemeentelijke geschriften, dat het dorp Wijk aan Zee op een lijn werd gesteld met andere wijken in Beverwijk. In het dorp werd deze ‘gelijkschakeling’ bepaald niet op prijs gesteld. Anders dan de ‘Wijker’ wijken heeft Wijk aan Zee een bijna duizendjarige geschiedenis achter de rug. Het stratenplan, de bebouwing en de bevolking hebben zich betrekkelijk geleidelijk ontwikkeld. Oudere bewoners en nieuwkomers voelen zich in gelijke mate gehecht aan de vele netwerken, die het dorp rijk is. De ‘Wijker‘ wijken zijn, in tegenstelling tot het dorp, elk gebouwd in het bestek van enkele jaren. Sindsdien is de samenstelling van de bevolking in deze wijken sterk veranderd in betrekkelijk korte tijd. Nadat de eerste bewoners, Friezen, Groningers en Drenthen wegtrokken naar nog betere huisvesting elders, vestigden zich in deze wijken grote aantallen Spanjaarden en Italianen en nadat ook die waren weggetrokken, gingen Turken en Marokkanen het straatbeeld sterker beheersen. In Beverwijk zijn de Warandebuurt, het Vondelkwartier en het zuidelijke deel van de Bomenbuurt uitzonderingen op deze regel. Tegen deze achtergrond is het niet onbegrijpelijk dat het dorp Wijk aan Zee en meer in het bijzonder de Dorpsraad bezwaar maakte tegen de gelijkschakeling met een wijk, zeker met een ‘Wijker’ wijk. Maar ook hier wist het bruuske bestuur van Beverwijk nog steeds niet van inbinden, Wijk aan Zee blijft in het ambtelijk-bestuurlijke spraakgebruik hardnekkig een ‘wijk’.
4.3 De gemeente Wijk aan Zee en Duin (1817-1936)
- De nabloei van Wijk aan Zee en Duin
Sinds 1880 trok Wijk aan Zee steeds meer belangstelling als badplaats. De groeiende middenstand van de stad Amsterdam kon zich een verblijf aan de kust veroorloven en niet alleen steeds vaker, maar ook steeds langer. Heinrich Tappenbeck droeg het zijne er toe bij. Hij bouwde het Badhotel op de hoek van de Gasthuisstraat en de Brink. En hij wist te bereiken, dat de straat tot aan het strand verlengd werd, zodat de omweg naar het strand langs de Voorstraat en de Relweg niet meer nodig was.
Meer landinwaarts groeide het buurtschap Wijk aan Duin zienderogen. In de steden in de omgeving, maar vooral in Amsterdam, nam de vraag naar tuinbouwproducten sterk toe om in de groeiende behoefte van de stadsbevolking te voorzien. Al spoedig woonden er in Wijk aan Duin meer mensen dan in het oude hoofddorp Wijk aan Zee. Die verhouding in inwonertallen kwam nog schever te hangen, toen niet alleen gepensioneerden uit Nederlands-Indië, maar ook beambten en voorlieden van het nieuwe Hoogovenbedrijf zich in Wijk aan Duin gingen vestigen. Zij kochten vanaf het begin van de jaren ’20 van de tuinders de ‘koppen’ van de tuinderijen en bouwden zich daar een middenstandswoning. Zo ontstond van lieverlee een kenmerkende lintbebouwing langs de doorgaande wegen van Wijk aan Duin. De ontwikkelingen in de gemeente Beverwijk toonden eenzelfde beeld. Lintbebouwing langs de doorgaande wegen.
De gemeente Wijk aan Zee en Duin raakte vergroeid met de gemeente Beverwijk. Op de Galgenweg, de Boeweg, de Korte Boeweg, de Romerkerkweg, de Groenelaan, de Zeestraat en de Scheybeecklaan liep de gemeentegrens over het midden van de weg. Dat maakte het wegbeheer er niet eenvoudiger op. Beverwijk zag zichzelf als een stad, die in deze jaren van groei steeds meer verkeer aantrok. Niet alleen meer paarden en wagens, maar ook automobielen en motoren. Dat stelde eisen aan de wegverharding en daarom drong de gemeente Beverwijk er bij de buurgemeente Wijk aan Zee en Duin op aan het wegenstelsel mede te verbeteren. Het antwoord van de gemeente Wijk aan Zee en Duin op dit aannemelijke verzoek tot samenwerking was duidelijk, maar ook koud en afstandelijk. Het wegenstelsel voldeed zeer wel aan de behoeften van de tuinbouwbedrijven, aldus de gemeente Wijk aan Zee en Duin. Dit verschil van mening tussen de twee gemeenten stond niet op zichzelf. Al veel langer sleepte een kwestie over de riolering, althans over de verrekening van de kosten. Kort na de eeuwwisseling had men in Beverwijk en in Wijk aan Duin een begin gemaakt met verwijderen van de beerputten. In plaats daarvan kwam een riolering in de dichter bebouwde gedeelten. Het rioolwater werd afgevoerd naar de haven van Beverwijk, de Pijp. Uit kostenbesparing loosde Wijk aan Duin tegen een afgesproken vergoeding het afvalwater op de riolering van Beverwijk. Die vergoeding was men overeengekomen in 1904 bij de aanleg van het rioolstelsel. Omstreeks 1920 stond de vergoeding van de gemeente Wijk aan Zee en Duin in geen verhouding meer tot de hoeveelheid rioolwater, die werd geloosd. Te meer niet, omdat in de tussentijd de groei van Wijk aan Duin onverminderd was doorgegaan en ook de gebieden tussen de doorgaande wegen bebouwd waren geraakt. Het grillige verloop van de gemeentegrens, het verschil van mening over de wegverhardingen en het voortslepen van de ‘rioolkwestie’ maakten zonneklaar, dat de twee gemeenten niet veel langer afzonderlijk konden voortbestaan. Tenzij men tot een vergelijk kon komen en daar zag het bepaald niet maar uit.
In 1927 drongen niet minder dan 750 inwoners van Wijk aan Duin bij hun gemeentebestuur aan op samenvoeging met de gemeente Beverwijk. Dat verzoek was de toenmalige burgemeester, Hendrik Rothe, niet welgevallig. Het verzoek werd hooghartig voor kennisgeving aangenomen. Korte tijd later, in 1928 dienden 750 inwoners van de gemeente Beverwijk een gelijkluidend verzoek in bij hun gemeentebestuur. Ook daar werd betrekkelijk lauw op gereageerd, omdat het bestuur van Beverwijk de samenvoeging weinig kans gaf. Het verzoek van de 750 burgers uit Wijk aan Duin bracht wel aan het licht, dat de gemeente Wijk aan Zee en Duin een in zichzelf ‘verdeeld huis’ was geworden. Het voormalige buurtschap Wijk aan Duin bleek met driekwart voor de samenvoeging. Het dorp Wijk aan Zee was in meerderheid tegen, en aan dat verzet waren een zekere felheid en verbetenheid niet vreemd.
Naarmate de druk der omstandigheden groter werd en de wil tot samenwerking nog leek te verminderen, nam de noodzaak tot samenvoeging van de gemeente Beverwijk met de gemeente Wijk aan Zee en Duin snel toe. In 1929 gingen Prof. mr.dr. G. van Grinten en mr. Th. G. Donner aan de slag. De heren adviseerden een fusie, maar zagen ook voor samenwerking nog mogelijkheden. In 1934 begon Beverwijk te aarzelen, want het gerucht ging, dat Wijk aan Zee en Duin slecht bij kas zou zitten. Twee jaar later kwam er schot in de zaak. Na enkele maanden van voorbereiding, verscheen de noodzakelijke wet in het Staatsblad en op 1 mei 1936 was de versmelting van de oude gemeenten in de nieuwe gemeente Beverwijk een feit. Mr H.J.J. Scholtens, werd burgemeester van de nieuwe gemeente. Burgemeester Rothe trad af na zijn gemeente 16 jaar in dit ambt te hebben gediend.
- De burgemeesters Rothe en De Zwaan
In het jaar 1900 trad Hendrik Rothe aan als secretaris van Wijk aan Zee en Duin. In 1920 werd hij tevens benoemd tot burgemeester. Toen de samenvoeging met Beverwijk niet meer leek af te wenden, zocht hij een bestemming voor de kapitaalmiddelen, waarover Wijk aan Zee en Duin nog kon beschikken. De kerk aan het Juliananplein was dringend aan een restauratie toe, de toren van de kerk verkeerde in een buitengewoon slechte staat. Er gingen zelfs stemmen op om de toren maar af te breken. Voortvarend werd een restauratieplan opgezet naar een ontwerp van architect Friedhoff. Op dat plan verleende de gemeenteraad in januari 1936 een krediet. Ook al had burgemeester Rothe te maken met een raad, waarin leden die afkomstig waren uit Wijk aan Duin de meerderheid vormden. Het heeft de scheidende burgemeester kennelijk niet ontbroken aan overwicht en overtuigingskracht. En daarbij zal de deerlijke staat waarin het kerkgebouw en de toren verkeerden hem tot hulp zijn geweest.
Burgemeester J.P. de Zwaan was de eerste burgemeester, die uitsluitend in Wijk aan Zee en Duin in het ambt stond. Hij nam in 1881 ontslag als burgemeester van Beverwijk, maar hij bleef aan als burgemeester van Wijk aan Zee en Duin. Hij heeft het ambt in deze gemeente vervuld van 1880 tot 1896. In zijn ambtsperiode veranderden zowel het buurtschap Wijk aan Duin als het dorp Wijk aan Zee aanzienlijk. Hoewel die veranderingen geheel verschillend waren, was de drijvende kracht erachter de snelle opkomst van Amsterdam als havenstad en als centrum voor handel, industrie en kunst. De badplaats Wijk aan Zee kwam in zwang bij de stedelingen, zoals dat meer naar het zuiden gebeurde met Zandvoort, Noordwijk en Scheveningen. De aanleg van de spoorlijn van Haarlem naar Alkmaar in 1867 met als tussenstation Beverwijk maakte de badplaats gemakkelijk te bereiken. Tot 1882 zorgde een paardentram voor het navervoer tot aan Wijk aan Zee, daarna reed een stoomtrein over het traject tot 1924.
Het heeft er veel van weg, dat burgemeester De Zwaan en de Amsterdamse ondernemer Heinrich Tappenbeck goed konden samenwerken. In enkele jaren tijd werd eerst de herberg De Moriaen, die een licentie had als badinrichting, verbouwd. Dat gebeurde in 1880 en het doel was, dat De Moriaen naar aanzicht meer een geheel zou vormen met de panden ter weerszijden. De opzet voldeed niet of Tappenbeck vond de zakelijke opbrengst niet voldoende. Want nog in hetzelfde jaar kwam het tot de sloop van enkele panden aan de toenmalige Brink en in de Gasthuisstraat. Op de hoek verrezen het Noorderbadhuis en het Oosterbadhuis in 1882 met 72 kamers. Op een oude foto, genomen vanaf het duin de Tuinberg, is nog te zien, dat de herberg De Moriaen overeind staat, maar wel ingeklemd tussen het Oosterbadhuis rechts en nieuwbouw aan de linkerkant, de hoge zijde van de Brink. In 1881, werd het duin doorgegraven en kon men gemakkelijk het strand bereiken vanaf de Brink. Heinrich Tappenbeck, ook actief in Noordwijk, raakte in moeilijkheden en hij ging bankroet.
De inspanningen van burgemeester De Zwaan werden blijkbaar gewaardeerd in het dorp. Niettegenstaande het feit, dat onder zijn bewind een gebouw als het Badhotel tot stand kwam, dat naar stijl en omvang in geen verhouding stond tot de omringende gebouwen en dat de historische zuidwand van de Brink daarvoor werd opgeofferd. Bij gelegenheid van de samenvoeging met Beverwijk werd de Brink naar de nijvere burgemeester vernoemd.
- Het grondgebied, voor 1876 en na 1876
Kort voor de komst van burgemeester De Zwaan, was het aanzien van Midden-Kennemerland sterk veranderd. Het Noordzeekanaal was aangelegd en deze waterweg verbond sinds 1876 de Amsterdamse havens met de Noordzee. Holland op z’n Smalst was met dat doel doorgraven. Het vroegere IJ en het Wijkermeer waren ingepolderd en drooggelegd. Verbaasde buitenlanders konden zeeschepen voortaan meters boven het IJpolderpeil zien varen. De drooglegging bracht voor Wijk aan Zee en Duin een uitbreiding van het grondgebied mee. Was eeuwenlang de Wijkerbroekpolder het meest oostelijke deel van de gemeente geweest, nu kwam daar het deel van de Wijkermeerpolder bij, dat ten noorden van het kanaal lag. Sindsdien waren Wijk aan Zee en Duin en de gemeente Assendelft over land opnieuw verenigd na minstens acht eeuwen.
Niet lang na de drooglegging begon het ministerie van Oorlog met de aanleg van de Stelling van Amsterdam. De forten Velsen en Wijkermeer kwamen te liggen op het grondgebied van Beverwijk, de forten Aagtendijk en Veldhuis lagen binnen de gemeente Wijk aan Zee en Duin. De stelling was zo ruim aangelegd, dat er voldoende ruimte zou zijn voor de teelt van gewassen en het weiden van vee om de stad Amsterdam enkele maanden te voeden. Aan de buitenzijde van de vestinggordel konden grote gebieden onder water gezet worden. Tot ver na de eeuwwisseling is er gebouwd aan de Stelling van Amsterdam, maar tijdens de Eerste Wereldoorlog bleek het stelsel achterhaald. Het vliegtuig had een snelle ontwikkeling doorgemaakt en het kondigde een geheel andere wijze van oorlogvoering aan. Binnen dat raamwerk paste de Stelling van Amsterdam niet meer. Toch bleven de forten tijdens de Mobilisatie van 1914-1918 geruime tijd op oorlogssterkte bemand.
Aan het begin van de jaren ’20 waren Beverwijk en Wijk aan Zee en Duin uitgegroeid tot eigentijdse gemeenten, waar de politiek na de invoering van het algemene kiesrecht in 1917 en 1922 tot redelijke bloei kwam. Zo waren bij de opheffing van Wijk aan Zee en Duin naast de R.K. Staatspartij en de lijstverbinding van de Christelijk Historische Unie en de Anti Revolutionaire Partij, ook de Sociaal Democratische Arbeiderspartij en de Vrijzinnig Democratische Bond vertegenwoordigd in de gemeenteraad. Het dagelijks bestuur van de gemeente telde naast burgemeester Rothe op 29 april 1936 twee wethouders: N. Passchier, namens de CHU-ARP en N. Tervoort, namens de RKSP.
- De gemeentewet van 1851 en de grondwet van 1848
De gemeentewet ging er oorspronkelijk van uit, dat diepgaande kennis van de plaatselijke omstandigheden en verhoudingen de betere waarborgen bood voor een redelijk en verantwoord bestuur. Daarom moesten de wethouders lid van de gemeenteraad zijn en door de raad uit zijn midden gekozen worden. Op de achtergrond zal zeker hebben meegespeeld, dat in het overgrote deel van de toen 1200 gemeenten, het wethoudersambt in deeltijd zou worden vervuld. Bovendien moest bij de keus van de raadsleden en nog veel meer bij de keus van de wethouders gelet worden op een vooraanstaande plaats in de samenleving. Een dergelijke plaats kon voortkomen uit de beoefening van een vrij beroep, of anders wel uit het leiden van een eigen bedrijf. Aan personen in dienstbetrekking dacht men nog niet en zeker niet aan arbeiders en dagloners. Zij waren trouwens van deelname aan verkiezingen uitgesloten en daarmee ook van verkiezing, omdat zij te weinig belasting betaalden. Een maatstaf, die was vastgelegd in de Kieswet. In de loop van de 19de eeuw werden de eisen om te mogen kiezen en gekozen te worden stapsgewijs verlicht. Maar het moest tot 1917 duren voordat mannen en tot 1922 voordat vrouwen, ongeacht hun maatschappelijke stand tot het kiesrecht werden toegelaten.
De gemeentewet maakte deel uit van een grootser geheel. Een stelsel van drie bestuurslagen: gemeente, provincie en rijksoverheid. Dat beginsel kreeg een vooraanstaande plaats in de Grondwet, die in 1848 tot stand kwam. Er zijn sindsdien nog veel bestuurlijke veranderingen voorgesteld en een enkele maal ook ingevoerd. Maar het drieslagstelsel in het openbare bestuur bleef meer dan 150 jaar overeind[4].
- De gemeente Wijk aan Zee en Duin in de 19de eeuw
De eerste staatsordening na de Franse Tijd werd beheerst door een middenkoers. Herstel van oude instellingen en gezagsverhoudingen stond voorop, maar de eenheid van de staat moest behouden blijven. Naar de confederatie van provincies, zoals die voor 1795 had bestaan, wilde vrijwel niemand meer terug. De Grondwet van de Verenigde Nederlanden kwam vier maanden na de terugkeer van de Erfprins uiteindelijk in maart 1814 tot stand. Met zijn Schets van de Grondwet had G.K. van Hogendorp al belangrijk voorwerk gedaan op zijn hofstede Adrichem, sinds eeuwen gelegen aan de voet van de Sint Aagtendijk in Wijk aan Duin. Daar had hij met onderbrekingen sinds 1799 aan zijn schets van een grondwet gewerkt. Enkele jaren na het vertrek Van Hogendorp in 1813, raakte het goed in verval en werd het na verkoop gesloopt.
De Prins van Oranje werd tot staatshoofd bevorderd en droeg de titel Soeverein Vorst. Zijn regeermacht was vrijwel onbeperkt. De Raad van State diende de Soeverein van advies, de ministers waren aan de Soeverein rechtstreeks ondergeschikt als hoofden van de uitvoerende diensten. De Soeverein moest zich nog wel de goedkeuring van de rijksbegroting laten welgevallen door de Volksvertegenwoordiging. Maar veel zeggenschap had dat staatsorgaan ook niet, want het kon de begroting slechts goedkeuren of verwerpen. Deze grondwet was diep geworteld in de geschiedenis der Nederlanden. Hij verenigde de beginselen van de Unie van Utrecht (provinciaal zelfbewind) met de meer centrale doelen van de Bourgondische vorsten, want er zou eenheid van staatsbewind, van recht en van bestuur zijn. Deze grondwet hield geen jaar stand.
Men zag zich in 1815 namelijk voor de opgave geplaatst om de gewesten in de driehoek tussen Groningen, Aarlen bij Luxemburg en De Panne in West-Vlaanderen te verenigen tot het Koninkrijk der Nederlanden. Het Wener Congres wilde in 1815 benoorden de Franse grens een krachtige staat. Oostenrijk deed afstand van zijn zeggenschap over Vlaanderen en Wallonië, zodat die landstreken samen konden gaan met de voormalige Zeven Verenigde Nederlanden. De betrokken landsdelen voelden zich er weinig wel bij. In het zuiden heerste een sterk liberale gezindheid. Die ging gepaard met een grotere lust tot ondernemen. De textielproductie was in opkomst en die opkomst werd gesteund door een krachtige ontwikkeling van de metaalindustrie en de kolenwinning. Het noorden had een meer behoudende instelling en moest het vooral hebben van landbouw en veeteelt. De eens zo bloeiende handel was vervallen tot een schaduw van zichzelf. Aan de toch al gespannen verhouding tussen de landsdelen deed het eigengereide optreden van koning Willem I bepaald geen goed. In 1830 brak de Belgische Opstand uit.
Dit alles ging grotendeels voorbij aan de gemeente Wijk aan Zee en Duin, die in het leven was geroepen in 1817. In tegenstelling tot vroegere tijden, had de nieuwgevormde gemeente niet een, maar twee kernen: Wijk aan Zee en Wijk aan Duin. Zo lang de belangen van die kernen niet al te ver uiteen liepen, zou de nieuwe gemeente een redelijke evenwichtige ontwikkeling kunnen doormaken. Wijk aan Zee viste naar schelpen en mocht steeds meer badgasten welkom heten, Wijk aan Duin teelde steeds meer groenten voor de mensen in de groeiende stad.
In 1817 trad Jan Karshoff aan als schout en secretaris van de nieuwe gemeente. Hij werd in zijn bestuurlijke taak bijgestaan door twee bijzitters of ‘assessoren’. Drie raadsleden hielden toezicht op de dagelijkse gang van zaken. Zij werden benoemd door de gedeputeerden van Holland en dat gebeurde op voordracht van de ambachtsheer, want die was in zijn voorrechten hersteld. De ambachtsheer in 1817 stamde af van het geslacht Deutz van Assendelft en bezat de rechten door vererving, huwelijk en ook verkoop van Frans van Harencarspel, die in 1730 behalve het ambacht Beverwijk, de ambachten Wijk aan Zee en Wijk aan Duin had gekocht van de Staten van Holland.
Het schoutenambt werd opgeheven in 1825 en Jan Karshoff werd bevestigd in het ambt van burgmeester. In 1828 volgde Cornelis Karshoff hem op. Vervolgens kwam er een reeks burgemeesters, die hun ambt niet alleen in Wijk aan Zee en Duin, maar ook in Beverwijk uitoefenden. Het zijn achtereenvolgens C. Stumphius (1853-62), J.J. Debruëll (1862-67) en A.Magnin (1867-80). Burgemeester J.P. de Zwaan verenigde de twee ambten slechts voor een jaar vanaf 1880. In 1881 treedt hij af als burgemeester van Beverwijk en blijft hij aan als burgemeester van Wijk aan Zee en Duin tot 1896. In dat jaar volgde burgemeester Jhr G.S. Boreel hem op. Dan volgde in 1898 Jhr J.W.C. Strick van Linschoten, die zowel in Wijk aan Zee en Duin als in Beverwijk burgemeester werd. Zijn gezondheid stond hem niet toe beide functies lang waar te nemen en reeds in 1899 trad hij af in Wijk aan Zee en Duin. Hij werd opgevolgd door Jhr Del Court van Krimpen in 1901 die tot 1920 in functie bleef. Na hem kwam tot de opheffing van de gemeente Hendrik Rothe.
Halverwege de 19de eeuw gingen het noorderkwartier en het zuiderkwartier van de provincie Holland uiteen. In 1840 ontstonden de provincies Noord-Holland en Zuid-Holland. Aan het grensverloop in de duinstreek is de oude zuidgrens van het kerngebied Kennemerland nog altijd te herkennen. Evenzogoed als de oostgrens van Kennemerland in het zuiden nog steeds herkenbaar samenviel met de meest oostelijke strandwal. Die was ooit 2000 jaar voor het begin van onze jaartelling op de lijn Akersloot- Limmen ontstaan. De noordoostgrens van het aloude Kennemerland werd gemarkeerd door de Westfriese ringdijk en in 1840 verder naar het noorden door het waddengebied tussen de ringdijk en het eiland Wieringen.
- De overgangstijd van 1813-1815
In het belang van de rechtsorde en van de openbare orde veranderde er weinig na het terugtrekken van de Fransen uit de voormalige Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Beverwijk, Wijk aan Duin en Wijk aan Zee bleven de Commune van Beverwijk vormen. En de maîre, Jan Stelt, bleef de werkzaamheden voortzetten, net als zijn plaatsvervanger en de leden van de municipale raad. Op hoger bestuurlijk vlak hernamen de Staten van Holland hun werkzaamheden en werd de bestuurlijke indeling onder het keizerlijke regiem ongedaan gemaakt. Het gewest Holland strekte zich opnieuw uit van Den Helder tot aan de eilanden Voorne en Putten, bezuiden de Maas.
De rust in Europa en op het slagveld duurde niet lang. Napoleon wist te ontsnappen van het eiland Elba voor de Italiaanse kust, waar hij gevangen werd gehouden. Hij trok van Nice naar Parijs, hernam de keizerlijke waardigheid en bracht een leger op de been. Met de inzet van Britse, Pruisische en Hollandse troepen werd Napoleon op 18 juni 1815 in de slag bij Waterloo verslagen. Hij trad opnieuw af en werd vervolgens naar Sint Helena verbannen waar hij overleed in 1821.
4.4 De ‘Municipaliteyt’ van Wijk aan Zee (1795-1813)
- Het bestuurlijke regiem in het Franse Keizerrijk
Tot schrik en verbijstering van de bestuurders in de Nederlanden werd het bestuur krachtig op poten gezet na de inlijving in 1810. Amsterdam werd de derde stad van het keizerrijk. Van bovenaf tot onderaan werd het bestuur strak georganiseerd en gereglementeerd. Het gebied werd verdeeld in departementen, die op hun beurt weer bestonden uit arrondissementen en die waren opgebouwd uit communes, dat waren de vroegere steden en ambachten. Achter het bestuurswerk werd flink vaart gezet. Het was gedaan met de kenmerkende Hollandse traagheid en gezapigheid. Een ordelijk systeem voor de Burgerlijke Stand werd voortvarend ingevoerd op gemeentelijk vlak. Op landelijk vlak werd het Kadaster ingevoerd en de conscriptie, de militaire dienstplicht.
De drie maîres van Beverwijk, Wijk aan Duin en Wijk aan Zee kregen eind 1810 de opdracht om de vorming van een gemeente voor te bereiden. Na een jaar waren de zaken geregeld. Per 1 januari 1812 werden de drie ´Municipaliteyten´ samengevoegd en stonden zij voortaan onder leiding van maîre Pieter Stelt. Lang is de jonge gemeente niet overeind gebleven. Na de restauratie van het Oranjebewind maakt de ambachtsheer aanspraak op zijn rechten en werden Wijk aan Duin en ook Wijk aan Zee losgemaakt van Beverwijk bij een daartoe strekkend Koninklijk Besluit uitgevaardigd op 13 december 1815 door Koning Willem I. Men zag spoedig in, dat de beide ambachtsheerlijkheden niet afzonderlijk konden voortbestaan en zij werden vervolgens op 1 mei 1817 samengevoegd tot de gemeente Wijk aan Zee en Duin met Jan Karshof aan het hoofd.
- De Bataafsche Republiek en het Koninkrijk Holland
De grondwet voor het volk der Bataven was tot stand gekomen na een hevig touwtrekken van drie partijen in de Grondwetgevende Vergadering, dat begon in 1795. Aan de ene kant stond de partij van de Federalisten, zij wilden zoveel mogelijk bevoegdheden laten bij de provincies, de landstreken en de steden. Lijnrecht daartegenover stonden de Unitarissen, zij wilden alles regelen vanuit een landelijk bestuurscentrum. Tussen beide partijen in stond de groep van de Moderaten. Zij wilden bij de decentralisatie van het bestuur een middenkoers varen. De uitkomst van drie jaar Haagse partijstrijd was een lijvig boek met een zeer leerstellige inhoud. De burgers van de Bataafsche Republiek verwierpen het ontwerp van de grondwet met grote meerderheid van stemmen. Men zette zich in de Grondwetgevende Vergadering opnieuw aan de arbeid. Dat werk is nooit afgerond. In 1799 greep generaal Daendels in, hij drong de vergadering binnen en zijn manschappen arresteerden een deel van de Federalisten. Nadat zij waren vervangen door Unitarissen kreeg het Bataafse Volk een grondwet voorgezet, die sterk centralistisch was uitgevallen (1801).
Het landsbestuur worstelde zich vervolgens zo goed en zo kwaad als het ging door de politieke en economische verwikkelingen op het Europese vasteland. Ondertussen was men in een papieren strijd gewikkeld met Frankrijk, die in 1798 was begonnen en nimmer leek te eindigen. Frankrijk eiste geld van de Bataafse Republiek en men wilde maar niet geloven, dat het land sterk zo verarmd was, dat het zijn verplichtingen, opgelegd bij verdrag, niet kon nakomen. Napoleon Bonaparte, inmiddels opgeklommen tot keizer in 1804, verloor zijn geduld met de Bataven en benoemde Rutger Jan Schimmelpennick tot raadspensionaris in 1805: feitelijk de president en het staatshoofd van de Republiek. Napoleon had de verwachting, dat de geldstroom van Holland naar Frankrijk eindelijk op gang zou komen. Het gebeurde niet. Ook de afzetting van Schimmelpenninck in 1806 en het instellen van het Koninkrijk Holland onder de Lodewijk Napoleon, een broer van de keizer, hielp niets. Toen Lodewijk Napoleon in de 4 jaar van zijn regering een onwillige handlanger bleek van de keizerlijke despoot in Parijs, viel het besluit Holland in te lijven bij Frankrijk en dat decreet trad op 9 juli 1810 in werking.
Voor de rechtstoestand in het koninkrijk, de provincies en de gemeenten had de wetgeving van het Koninkrijk Holland belangrijke gevolgen. In 1809 werd in het gehele land een en dezelfde wet van kracht, het Wetboek Napoleon, ‘ingerigt’ voor het Koninkrijk Holland. In alle delen van het koninkrijk gold voortaan dezelfde wet inzake personen en zakelijke rechten. Het Wetboek bepaalde: (dat) ‘zullen zijn afgeschaft het Roomse regt, mitsgaders alle wetten en ordonantiën, tot het burgerlijk regt betrekking hebbende en welke tot nu toe in het Koninkrijk, of eenig gedeelte van hetzelve in vigueur zijn geweest’. Daarmee kwam een einde aan een rechtspleging in het dorp, die zeker terugging tot aan de 12de eeuw. In tegenstelling tot de ver doorgedreven vernieuwingen tijdens het bewind van de Jacobijnen onder Robespierre in Frankrijk was de wetgeving van het Franse Keizerrijk en die van het Koninkrijk Holland bepaald gematigd en behoudend. Zo werden in het Koninkrijk Holland de bestuurders van nederzettingen nog steeds aangeduid als schouten en de bestuurders van landstreken als baljuws.
- De overgangstijd van 1795-1798
Na de geslaagde inval van de Franse troepen in de strenge winter van 1795 voltrok de Bataafse Omwenteling zich snel. Overal werden de zittende bestuurders vervangen door een Voorlopig of Provisioneel Bewind. De ambachtsheren werden van hun rechten vervallen verklaard. De godsdiensten werden aan elkaar gelijk gesteld.
Er kwam een Provisioneel Bestuur in Wijk aan Zee. De president was Klaas Koper en als leden traden op Barend Jan Guiking en Jacob van Aardt. Er kwam zo een feitelijke scheiding tussen bestuur en rechtspraak en die scheiding werd drie jaar later vastgelegd in de Staatsregeling van 1798. Tegelijk drong zich Cornelis Coster naar voren. Een voormalig lid van het Gereformeerde kerkbestuur, dat uit de kerkelijke dienst was gezet wegens dronkenschap en wanbeheer. De man bekeerde zich tot de Rooms-katholieke kerk en wierp zich met succes op als schout en secretaris van Wijk aan Zee. Hij ging met willekeur te werk en zette de vuurboetmeesters met drogredenen uit hun ambt, omdat hij hen van Oranjegezindheid verdacht. Hij werd na onderzoek gedwongen de maatregel ongedaan te maken. In 1804 had men eindelijk genoeg van hem en werd hij zelf ontslagen.
Het bestuur van het dorp telde niet alleen een schout en vijf schepenen, maar ook nog een secretaris, twee opzieners van het Gasthuis, een schoolmeester tevens voorzanger in de kerk, een gerechtsbode en een visafslager. Tot aan 1811 bleef dat zo voortbestaan. Bij de machtswisseling van 1795 ging het er vooral om, dat aanhangers van de Oranjepartij plaats maakten voor de vernieuwers. Om die reden moesten de nieuwe ambtsdragers een eed afleggen, waarin zij hun trouw zwoeren aan het Bataafse Volk en hun afkeer van het verdreven Oranjebewind.
4.5 Het baljuwschap Wijc op See in de Republiek (1579-1795)
- De Republiek zonder grondwet
De Unie van Utrecht van 1579 was een verdrag tussen de ‘geunieerde provincien’. Men zou samen en in vereniging zich te weer stellen tegen vreemde overheersers. En men zou zich niet verbinden met vreemde mogendheden anders dan met toestemming van de overige ondertekenaars van het verdrag. Een bepaling verbond allen: vrijheid van geweten. Eenieder mocht geloven wat hij wilde. Vrijheid van godsdienstuitoefening werd alleen toegestaan aan de Gereformeerde kerken. In later tijd genoten andere kerkgemeenschappen een beperkte vrijheid, al dan niet na betaling van steekpenningen aan de plaatselijke grootheden, vooral baljuws.
Het geheel van de zeven provincies begon men aan te duiden als de ‘Generaliteit’. Het Unieverdrag kende twee organen: de Staten-Generaal en de Raad van State. De Staten-Generaal ontwikkelenden zich tot het overlegorgaan van de gewestelijke staten en de vertegenwoordigers waren doorlopend in zitting bijeen. Voor onvoorziene zaken moesten de afgevaardigden terug naar hun gewest om ‘ruggespraak’ te houden, om vervolgens met een aangepaste opdracht naar ’s-Gravenhage terug te keren. De Raad van State droeg de mogelijkheid in zich om uit te groeien tot een regeringsorgaan van de Generaliteit maar dat is er nooit van gekomen. De voornaamste reden is, dat de belastingheffing voor de betaling van de oorlogslasten niet via de Generaliteit, maar via de gewesten verliep. Tegen de oorspronkelijke bedoeling in. Met het beheer van de vloot ging het al niet anders, maar liefst vijf Admiraliteiten beheerden een eigen zeemacht. De zorg voor de buitenlandse zaken kwam niet terecht bij de Raad van State, maar bij een speciale commissie van de Staten-Generaal die het Geheim Besogne werd genoemd. Secretaris van deze commissie waren de opeenvolgende secetarissen (raadspensionarissen) van de Staten van Holland. Zo konden Johan van Oldebarnevelt ( † 1619) en Johan de Wit († 1672) tegenover machthebbers in den vreemde optreden alsof zij minister van buitenlandse zaken waren.
De toch al losse Unie van Utrecht van 1579 miste voor een groot deel zelfs het verband dat nog in het verdrag was vastgelegd. Omdat de zeer eigengereide gewesten daar geen uitvoering aan wensten te gegeven. Hoe vreemd het geheel samenhing, mag blijken uit het feit, dat het gewest Friesland bij gelegenheid zijn bijdrage aan de Staatse troepen weigerde te betalen. Omdat de Kapitein-Generaal van de Staatse troepen, prins Maurits, ten strijde trok tegen het zuiden en niet tegen Spaanse vestingen in de Achterhoek zoals Friesland dat gewenst had. Dat het systeem, weliswaar kreunend en steunend tot 1795 overeind is gebleven, is daarom te meer opvallend. Tot aan dat jaar lagen buiten het gebied van de Unie nog het land Drenthe en de zogenaamde Generaliteitslanden. Het ‘landschap’ Drenthe was ooit een afsplitsing geweest van het Overstichtse deel (Overijssel) van het middeleeuwse bisdom Utrecht (‘Sticht). Men vond het land te onaanzienlijk om het tot provincie te verheffen en zo werd het ook nooit deel van de Unie. De Generaliteitslanden, dat waren de gebieden, die op het zuiden veroverd waren tijdens de veldtochten van de legeraanvoerders Maurits en Frederik Hendrik. Te weten: Zeeuws-Vlaanderen, delen van het noorden van Brabant en delen van Limburg. Zij werden vanwege de overwegend Rooms-katholieke bevolking beschouwd als onbetrouwbaar en buiten de Unie gehouden. Wel zagen de Staten-Generaal de vele mogelijkheden van deze gebieden als wingewesten.
Al spoedig werd duidelijk, dat enkele voorzieningen noodzakelijk waren voor een verantwoord bestuur. Daarom vaardigen op 1 april 1580 de Staten van Holland de Politijcke Ordonnantie uit. Een samenvatting van bepalingen die betrekking hebben op het personenrecht, het huwelijksrecht en het erfrecht. Zij, die tot een ander genootschap behoren dan de Gereformeerde kerk, moesten hun huwelijk voor de magistraat sluiten. Wat er in Wijc op See op neerkomt, dat twee schepenen zitting hielden in het rechthuis van de dorpsgemeenschap, de herberg De Moriaen. In de ordonnantie duiken nog eenmaal twee oude rechtsbegrippen op, het wijsdomsrecht en het aasdomsrecht. Begrippen, die waren afgeleid van het wijzen van doemen (vonnissen) door de rechtbank van schepenen en het ‘vinden’ van doemen[5] door de middeleeuwse azygen en de Oudfriese asegga’s. In de rechtspraktijk van de 16de eeuw waren deze begrippen verbonden geraakt met het erfrecht. In de Politijcke Ordonnantie verklaarden de Staten van Holland het wijsdomsrecht voor geldend erfrecht in het gehele Noorderkwartier van Holland (Kennemerland, het Kennemer Gevolg, Waterland en Westfriesland) . Dat schoot de betrokken steden en ambachten in het verkeerde keelgat en de Staten van Holland moesten reeds na enkele maanden de nieuwe bepaling in de Ordonnantie aanpassen bij de Acte van Moderatie van 6 augustus 1580. Eerst 19 jaar later kondigden de Staten van Holland een aangepaste uitwerking van het aasdomsrecht af en dat ging gelden voor het gebied benoorden de lijn Den Haag-Gouda. Tot 1809 bleef het dan ongewijzigd.
De rechtsgeleerde Hugo de Groot vermelde deze verandering en de aanpassing die daarop volgde in zijn boek ‘Inleidinge tot de Hollandsche Rechts-Geleerdheid’. In vele opzichten een magistraal werk. De Groot schreef het als leerboek omstreeks 1620 voor zijn zoons terwijl hij voor levenslang gevangen[6] zat op het slot Loevestein. Hij gebruikt een methode van indeling, die hij ontleende aan rechtsgeleerden uit de Romeinse tijd, Gaius in zijn leerboek (1ste eeuw) en het Corpus Iuris van de Byzantijnse keizer Justinianus (6de eeuw). Deze indeling is later toegepast op het Burgerlijk Wetboek. Niet alleen zoals wij dat kennen, maar al sinds 1838. De tweede stap van De Groot is wel heel bijzonder, zeker voor zijn tijd. Hij maakte het recht los van God de Schepper en daarmee van de christelijke zedenleer. Hij wees op uitspraken van geleerde schrijvers uit de Oudheid, de Middeleeuwen en zijn eigen tijd. Hij verbond daaraan de slotsom, dat als zoveel mensen uit zoveel verschillende tijdperken en culturen hetzelfde beweren, dat hun rechtsbesef dan wel moet voortkomen uit hun menszijn, uit hun natuurlijke staat. Als politicus, als advocaat en als gezant was Hugo de Groot een mislukking, in zijn vele geschriften was hij echter een groot talent en in zijn studies van het Zeerecht, het Oorlogsrecht en het Hollandse Recht was hij een genie. Aan zijn belang voor het internationale echt en het volkerenrecht is het wellicht niet vreemd, dat Den Haag nu zoveel internationale gerechtshoven telt. Vondel schreef over Hugo de Groot deze dichtregels:
‘Hoe zou de duisternis dit Hollands licht gedogen
Dat al te hemels scheen in aller blinde ogen
Het ging een wijle schuil om klaarder op te gaan
Wij haten ’t grote Licht, een ander bidt het aan
Waarmee Vondel maar zeggen wilde, dat het buitenland De Groot het beter op zijn verdiensten voor het recht wist te waarderen dan zijn geboorteland Holland.
In 1581 voelden de Unielanden zich sterk genoeg om hun band met de landsheer door te snijden. Philips II was niet langer graaf van Holland en Zeeland, heer van Friesland, hertog van Gelre en welke andere titel hij ook maar mocht dragen binnen de grenzen van het Uniegebied. In de Akte van Verlatinghe stond (met zoveel woorden) dat het bewind van de vorst zijn onderdanen tot heil moest strekken, dat hij hun rechten voor onaantastbaar moest houden en ze moest eerbiedigen. Zo niet, dan was hij verworden tot een tiran, aan wie men geen dienst of eerbetoon was verschuldigd en aan wie de ooit afgelegde eed van trouw niet langer bond. Naar zijn strekking was deze stelling een herhaling van het beginsel dat Philips van Leyden schreef in 1357. Nog enkele jaren hebben de Unielanden gezocht naar een nieuwe soeverein als plaatsvervanger van Phlips II.
Op het bestuur van steden en landstreken in de Nederlanden, meer in het bijzonder in het gewest Holland, hadden al deze staatkundige ingrepen geen enkel gevolg. Het lag in de aard en bestaansreden van de Unie besloten, dat alles onveranderd bleef omdat het nu eenmaal gegrondvest was op de stadsrechten en handvesten, die men in de Late Middeleeuwen aan de graaf had weten te ontwringen. Rechten, die men zo goed en zo kwaad als dat ging ook tegenover Filips en Karel van Bourgondië en ook tegenover Maximiliaan en Karel van Habsburg had weten staande te houden. Waar men hard voor had gestreden tegen de veldheren van Philips II.
Of men het nu wilde of niet, toch moest er iets veranderen. Zodra men zich van de landsheer van Philips II, als graaf van Holland had afgewend, was er geen persoon die deze waardigheid op zich kon nemen. Na de mislukte proefnemingen met Anjou en Leicester kwam Willem van Oranje steeds meer in beeld. Hij zou dan niet langer de plaatsbekleder, de stedehouder van de graaf van Holland zijn, maar zelf tot de grafelijke waardigheid verheven worden. Zijn dood in 1584 verhinderde dat. De Staten van Holland, als hoogste bestuurscollege van het gewest, trokken de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de grafelijke waardigheid voorgoed aan zich en tot aan 1795 veranderde dat niet meer. In 1648 bij de Vrede van Munster werden de zeven Unielanden erkend als een republikeinse eenheid van bestuur. Naar het international protocol in gelijke rang met de Republiek Venetië en verre de mindere van de koninkrijken en vorstendommen.
Zo bleven de baljuws van de landen van Blois naar de vorm leenman en zij waren ondergeschikt aan de Staten van Holland, hun ‘leenheer’. Om hun ambt te mogen uitoefenen, moesten zij een pachtsom betalen aan de Staten. Dat geld konden zij dan weer terugwinnen uit de boetes en andere gerechtelijke inkomsten in hun ambtsgebied. Soms liep dat niet goed af. Bleef een baljuw slechts korte tijd in het ambt en moest hij het wegens knoeierijen of ziekte voortijdig opgeven, dan ontstond een schuld voor hem of bij voortijdig overlijden een schuld voor zijn erfgenamen. In dat geval werd een ander vermogend heer aangezocht om het ambt te bekleden en hij betaalde dan zowel de pachtsom als de openstaande rekeningen van zijn voorganger.
In de jaren ‘20 van de 18de eeuw besloten de Staten van Holland over te gaan tot verkoop van enkele schoutsambachten en heerlijkheden. In Midden-Kennemerland verzette Beverwijk zich daar heftig tegen. Het leidde tot uitstel, maar niet tot afstel. In 1730 kocht Frans van Harencarspel, een rijke stadsbestuurder uit Amsterdam, de drie schouts-ambachten met de naam Wijc: te weten Bever-Wijc, Wijc in ’t Duyn en Wijk op See. Hij werd baljuw van de drie ambachten en tevens schout van Bever-Wijc. De ambachtsheer vestigde zich op de buitenplaats De Schans, die aan het noordelijke uitiende van de Breestraat lag. Hij overleed in 1757; een praalgraf in de Grote Kerk van Beverwijk herinnert nog aan zijn bestaan. Tot zeker 1825 hebben zijn nazaten het bestuur over het gezamenlijk gebied van de schoutsambachten in handen gehad, zij het met uitzondering van de Franse Overheersing (1795 – 1813). Met deze verkoop in 1730 zagen de Staten van Holland af van de telkens weerkerende pachtsom en zij verzilverden hun grafelijke rechten eenmalig.
Tussen de Baljuw van de Landen van Blois en die van de Wijc bleef eenzelfde verhouding bestaan als in de eeuwen daarvoor. Reeds lang was het niet meer zo dat niet de allerhoogste heren van het graafschap de schoutenfunctie bekleedden. Voortaan benoemden Van Harencarspel en zijn erfopvolgers een schout in Wijc, Wijc aan ’t Duyn en in Wijc op See. Hoe zeer het ambt aan betekenis had ingeboet, dat bleek wel uit de nevenwerkzaamheden van de schouten in Wijc op See. Gijsbert van Bergen, die het ambt niet minder dan 37 jaren heeft bekleed van 1731 tot 1768, was in het dorp ook werkzaam als winkelier, biersteker en bakker, verder vervulde hij de openbare taken van gerechtsbode, belastinggaarder en visafslager.
4.6 De ‘banne’ Wijc op See in de Middeleeuwen (1050-1579)
- Het Habsburgse vorstenhuis en de Opstand
Ruim genomen, zagen tussen 1520 en 1570 de opeenvolgende baljuwen van de Landen van Blois en de schouten van het ambacht Wijc op See zich geplaatst voor een geheel nieuw vraagstuk. Tal van gelovigen voelden zich aangetrokken tot de nieuwe protestantse leer en keerden zich af van de aloude kerk van Rome. De keizer van het Heilige Roomse Rijk, Karel V, vorst in de Lage Landen kreeg er als eerste mee te maken. Na de Rijksdag in Worms in 1521, waar Luther voor hem verscheen, wierp Karel zich op als beschermer en verdediger van het Roomse geloof. Als gelovig Rooms-katholiek kon hij moeilijk anders. De paus had als hoofd van zijn kerk, de nieuwe leer en zijn volgelingen in de ban gedaan; de zwaardmacht van het wereldse gezag had de kerk in deze maar te volgen. In strenge plakkaten verspreidde Karel dan ook zijn verbod van het nieuwe geloof en hij spoorde de gezagsdragers in de Nederlanden aan om de vervolging van de ‘ketters’ met kracht ter hand te nemen. Nu wilde het geval, dat in het graafschap Holland de stadhouder, de baljuwen en de schouten de geloofsijver van hun vorstelijke opperheer bepaald niet deelden. Zij gingen in de meeste gevallen alleen tot vervolging over als de ketterij de openbare orde dreigde te verstoren. Dat kon zijn, omdat de bekeerlingen tot het Protestantisme in hun geloofsijver wat al te fel en te dikwijls van leer trokken tegen de kerk, haar eigendommen en haar dienaren. Dat kon ook zijn als de bekeerlingen zich richtten tegen de overheid zelf. Dan was de maat gauw vol. Zo staat de gestrenge aanpak van de opstandige Wederdopers in scherp contrast tot de bejegening van de Doopsgezinden of Mennonieten. Ook de volgelingen van Luther liet men als regel ongemoeid. Eerst tegen het midden van de 16de eeuw drong de invloed van Calvijn in de Nederlanden door, de Calvinisten waren kort na de Hervorming nog geen groep van betekenis.
Het baljuwschap van de Landen van Blois en het schoutsambacht van Wijc op See waren in deze gematigde aanpak zeker geen uitzonderingen. Voor zover uit de zittingsverslagen van de schout en baljuw valt op te maken is in de Landen van Blois en in Wijc op See niemand om het geloof vervolgd en berecht.
Toch werd de vervolging van ketters verder op de spits gedreven, toen Karel V in 1555 afstand deed ten gunste van zijn zoon Filips II. Die zag het als een levensopgave en een goddelijke roeping om het Protestantisme van het aardoppervlak weg te vagen. Ging de gerichte opsporing van ketters onder het bewind van Karel V de gezagsdragers in de Lage Landen al te ver, de gewelddadige ingrepen van Filips II in 1568 gingen hen veel te ver. Vooral omdat zij de aanpak van de geloofskwestie in de eerste plaats zagen als een verfoeilijke inmenging in eigen aangelegenheden. Bovendien waren de openbare orde en het algemeen belang beslist niet gediend met een jacht op hardwerkende en getrouwe burgers. Recht en rede moesten het, zoals zo vaak in zaken van geloof, uiteindelijk toch afleggen tegen onderdrukking en wapengeweld. Voor de opstand werd de kiem gelegd in 1568. De Unie van Utrecht kwam tot stand in 1579. Zeker geen bondstaat, nauwelijks een statenbond, weinig minder dan een bondgenootschap, veel meer een verdragsorganisatie met een beperkte doelstelling. Namelijk de verdediging van grondgebied en van het wettelijk erfgoed. In het bijzonder dat laatste, de ooit verworven rechten.
Als voornaamste reden voor de opstand is niettemin de scherpe vervolging van de Protestanten tijdenlang naar voren gebracht. Meer dan een 19de eeuwse overdrijving van ‘Protestantse heldhaftigheid’ is dat echter nooit geweest. De ‘kettervervolging’ was hooguit de onmiddellijke aanleiding tot de opstand. De oorzaken wortelden dieper en lagen ook verder terug in de tijd. Reeds in de 13de en 14de eeuw hadden de handelsteden en welvarende heerlijkheden in deze streken zich verzekerd van vele voorrechten, ‘costumen’ of ‘privileges’, zoals die toen heetten. Van oorsprong kwamen die privileges toe aan de graven, hertogen, heren en andere gebieders in de Lage Landen. Maar die hoogheden waren voortdurend gewikkeld in een onderlinge strijd. Voor leeftocht, wapentuig en manschappen moesten zij steeds vaker een beroep doen op krachtige geldschieters. Dat waren de steden en de rijke landstreken in hun gebied. Die gemeenschappen waren bereid tot steun, mits het strookte met hun belangen. De grafelijke bede werd dan ook dikwijls verhoord, maar altijd in ruil voor een gunst of gebaar. Vrijdom van tolgelden, stadsrechten, muntrecht, uitbreiding van stadsrechten, de reeks is nagenoeg onuitputtelijk en onoverzienbaar. Zo nam in Holland de macht van de lagere leenmannen af en steeg de graaf in aanzien en invloed. Die stijging ging lang gelijk op met de macht van de steden, hun handel en hun ommelanden. Zo groeide het graafschap Holland tussen 1150 en 1450 steeds meer uit tot een verzameling rechtskringen van ongekende verscheidenheid. Een getrouwe afspiegeling van de geldnood-zonder-eind van de graaf.
Bij het aantreden van de hertog van Bourgondië, Philips de Goede, als landsheer in de Lage Landen in 1433, kwam de omslag. De hertog, maar nog meer zijn zoon Karel de Stoute streefden naar een betere afstemming en een grotere eenheid van bestuur in hun gebieden. Er kwam een Grote Raad in 1445. De Staten-Generaal vormden sinds 1464 het overkoepelend overlegorgaan van de gewestelijke of Provinciale Staten. Het oude verbond van de opperste landsheer met de machthebbers in stad en ommeland dreigde uiteen te vallen. De hertog trok het muntrecht, het geldbeheer en de belastingheffing naar zich toe. De vroegere bondgenoten kwamen steeds meer tegenover elkaar te staan. Aanstonds was de strijd niet beslist; zeker niet. Karel de Stoute sneuvelde in 1477, zijn dochter Maria van Bourgondië moest alle ‘geschonden’ privileges in rechte herstellen en verleende daartoe op 2 februari 1477 het Groot-Privilege. Haar echtgenoot Maximiliaan van Oostenrijk en haar kleinzoon Karel V poogden meestal met beleid en geduld, soms met geweld, de schade te herstellen. Maar de Lage Landen bleven op hun middeleeuwse voorrechten bedacht. En de opkomst van het Protestantisme zette de twist over de bevoegdheden van het centrale gezag en die van de gewesten, op het scherpst van de snede.
De ‘banne’ Wijc op See paste naadloos in dit grotere geheel. Mensen van verschillend geloof stonden elkaar niet naar het leven, men trachtte de oude gebruiken in bestuur en rechtspraak te bewaren. De schout en schepenen van het dorp zochten in hun bestuur tegelijk voortvarend en wijs te handelen. De pastoor van het dorp toonde zich gematigd en lijdzaam, hij bleef de Moederkerk trouw en Wijc op See volgde hem daarin. De beeldenstorm van 1566 was aan Wijc op See geheel voorbijgegaan, de ‘beroerten’ van 1568 hadden het dorp nog ongemoeid gelaten. Maar de veldtocht van 1572 en 1573 van Alva tegen Haarlem en Alkmaar bracht grote schade mee, vooral aan de Sint Odulphuskerk op het dorpsplein. Het duurde nog tot 1577 voordat de Spaanse bezettingstroepen wegtrokken uit Kennemerland. De strategische landengte tussen de Noordzee en het Wijkermeer ter hoogte van Wijc op See gaven zij daarmee prijs aan de Opstand. Wijc op See was neergeslagen en gebogen, maar zeker niet gebroken.
- Het Henegouwse en Beierse gravenhuis
De lotgevallen van het schoutenambacht Wijc op See en het baljuwschap van Blois zijn nogal bewogen geweest onder het bewind van de Beierse graven. Wellicht is dat de reden, waarom de opeenvolgende graven sinds 1397 geen van hun getrouwen nog tot baljuw aanstelden. Zij behielden het ambt aan ’s-graven boezem’ geklemd. Een ‘clerc’ van de grafelijke kanselarij nam sindsdien de functie waar. Mogelijk waren de graven van het Beierse Huis te druk doende met het versterken van de eigen macht of stelden zij in niemand voldoende vertrouwen om dit ambt, deze sleutelpositie, in leen uit te geven. Want opnieuw speelde de landengte van Kennemerland een rol van strategische betekenis in het krijgsbedrijf. Herhaaldelijk kwam het tot belegering van kastelen, waaronder die van ‘Heemskerk’, ‘Adrichem’ en ‘Haerlem’ als de meest bekende. De graaf voer wel bij al deze schermutselingen, mits hij de Kabeljauwen (de stedelijke partij) maar steunde. Zo was in een opvolgingsgeschil uiteindelijk graaf Willem V met steun van de steden aan de macht gekomen in 1357. Hij was het dan ook, die de geleerde Philips van Leyden het tractaat De Cura Reipublica et Sorte Principantes, liet schrijven over de zorg voor de publieke zaak als vorstelijke taak. Het kwam er op neer, dat de landsheer weliswaar regeerde bij de gratie Gods, maar dat hij toch in de eerste plaats het volk had te dienen. Zo niet, dan moesten ‘onse (ge)goede steden’ hem uit het ambt kunnen zetten[7]. Na een reis naar Engeland, keerde Willem krankzinnig terug; als gevolg van een beroerte.
Heel anders verging het sinds 1417 Jacoba van Beieren in haar strijd om de macht. Zij verbond zich met de Hoekse partij (van de hoge adel) en zij moest na vele verwikkelingen en even zovele gelegenheidshuwelijken zich uiteindelijk in 1433 gewonnen geven. Maar niet voordat op de landengte van Kennemerland nogmaals enkele kastelen van partij waren gewisseld na belegering en inname. Zoals ‘Cronenburg’ bij Castricum en ’Huis ter Wijc’ benoorden Beverwijk.
De heren van het Henegouwse Huis, de voorgangers van de Beierse graven, volgden een andere aanpak. Jan II trad in 1299 aan in een baaierd van geweld en wanorde. De graaf van Vlaanderen, de Rooms-Koning Albrecht en de Zeeuwen zaten hem op de huid en keer op keer was zijn positie zo bedreigd, dat zijn gezag wankelde. Kort na de eeuwwisseling trad toch enige rust in en beleende hij in 1303 zijn broer, Jan van Blois, met het baljuwschap op de landstrook tussen de Noordzee en het Wijckermeer. In deze omgeving omvatte het baljuwschap niet alleen het schoutsambacht Wijc op See, maar ook het ambacht Wijc in ’t Duyn en verder enkele hoogheidsrechten in Krommenie, Krommeniedijk, Westzaan en Assendelft. Na de dood van Jan II vond zijn opvolger graaf Willem III de tijd gekomen en wel in 1313 om aan het baljuwschap van Blois hoge jurisdictie toe te kennen. En dat was de laatste, dunne draad, die het baljuwschap van Blois nog verbond met het baljuwschap van Kennemerland; het stond sindsdien in rechte geheel op zichzelf. Voortaan had de baljuw van Blois het recht de plegers van zware misdrijven te vervolgen, voor het gerecht te brengen en na de berechting de lijfstraffen aan hen te voltrekken. In zulke gevallen spande de baljuw, samen met zeven leenmannen de hoge vierschaar. Ter zitting kwamen eerst de bekentenissen van de verdachten aan de orde, daarop stelde de baljuw de eisen. Na beraad van de rechtbank las de baljuw het vonnis voor aan de schuldigen. Daarna werd de veroordeelden enige tijd gegund om van het vreselijke oordeel te bekomen en bijstand te ontvangen van een geestelijke, voordat zij naar de galg werden geleid of naar het schavot om te worden ‘ontlijfd’ door radbraken, verwurging of dodelijke verminking. Kwam het niet tot de doodstraf dan werden zij in het openbaar gegeseld of gebrandmerkt voor zij werden gevangen gezet of verbannen.
De baljuwen van Blois hebben macht binnen het graafschap van Holland niet misbruikt, althans niet openlijk. Maar het kan ook toen aan niemand ontgaan zijn, dat het baljuwschap van Blois bijna een staat in de staat vormde. Want behalve leenrechten in Midden-Kennemerland vielen onder de Landen van Blois ook nog eens het schoutsambacht van Noordwijk en een reeks van rechten en gebieden rondom de Maasmonding. Dit merkwaardig geheel van gebieden, was ooit vergaard door Wolfert van Borssele in nauwelijks drie jaren tussen 1296 en 1299
- Het Fries-Hollandse gravenhuis
Wolfert van Borssele was aangesteld in 1296 tot voogd over Jan I, toen 12 jaar oud. De vader, graaf Floris V, werd in dat jaar bij het Muiderslot vermoord. Wolfert heeft zijn macht als voogd gebruikt, zo niet misbruikt, om beleend te worden met vele gebieden en rechten in de graafschappen Holland en Zeeland. Een deel van deze gebieden was gelegen op de landengte van Kennemerland en ten oosten daarvan: Westzaan, Assendelft met name. Hij had als baljuw in ieder geval de schoutsambachten van Wijc op See, Wijc in ’t Duyn en Wijc onder zich. Hij wist de graaf zo te bewerken, dat deze in 1296 stadsrechten verleende aan het ambacht Wijc. Hij legde het er op aan, dat vele inkomsten niet zoals gebruikelijk aan de graaf, maar aan hem als baljuw van Wijc toekwamen. In Rotterdam speelde hij bij de toekenning van de stadsrechten aldaar in 1299 eenzelfde bedenkelijke rol. Het mocht hem niet lang baten, want bij zijn poging om de jonge graaf te ontrekken aan invloeden van het hof en de kanselarij in ’s-Gravenhage overspeelde hij zijn hand. De ontvoering werd onderschept en in het gevecht dat daarop te Delft volgde, vond Wolfert van Borssele de dood.
Het bewind van de laatste graaf uit het Hollands-Friese Huis stond geheel in het teken van de kuiperijen van Wolfert van Borssele. De graaf stierf in 1299, te jong om zelf zijn stempel nog te drukken op de geschiedenis van Holland. Ook al hadden de vooruitzichten nog zo gunstig geleken. Zijn vader Floris V regelde reeds bij zijn geboorte een huwelijk met Elisabeth, een dochter van de Engelse koning, Edward I, dat in 1297 werd voltrokken. Dat huwelijk bezegelde niet alleen de hoge dynastieke positie van de graven van Holland. Het bekrachtigde ook nog eens, dat Holland en het Britse Koninkrijk bondgenoten waren in hun strijd tegen de Franse koning. De oudste en grootste handelstad van het graafschap, de stad Dordrecht, werd in plaats van Brugge tijdelijk dé stapelplaats voor Engelse wol, die wachtte op doorvoer naar het achterland. In omgekeerde richting dreven houtvlotten de Rijn af naar Dordrecht om vandaar naar Engeland verscheept te worden. Belangrijker was nog, dat er in Dordrecht een wisselkantoor kwam om de handel en het geldverkeer beter op elkaar af te stemmen. Het werkkapitaal van het wisselkantoor was een deel van de Engelse schatkist, dat daarvoor van London naar Dordrecht was overgebracht. Met deze steun in de rug stond Floris V omstreeks 1290 op het toppunt van zijn macht. Maar toen hij zes jaar later vriendschap sloot met de koning van Frankrijk, wilden enkele edellieden hem ontvoeren en uitleveren aan de Engelse koning. Zij hadden nog oude rekeningen met hem te vereffenen, zoals zijn ‘bondgenootschappen’ met de bestuurders in de steden en de huyslieden op het platteland; bondgenootschappen die de macht van de adel sterk hadden beperkt.
Na een strijd, die al in de 10de eeuw was begonnen, was Floris V er eindelijk in geslaagd de West-Friezen te onderwerpen in 1289. Ditmaal kwam de Hollandse hoofdmacht niet over land, maar over de Zuydersee. Zonder steun van het snel opkomende Amsterdam, zou zo’n aanval ondenkbaar zijn geweest. Het belang van Amsterdam bij het welslagen van deze ‘heertocht’ was groot; eindelijk zou de doorvaart tussen Stavoren en Medemblik gevrijwaard zijn van Westfriese kapers. In deze samenhang paste de bouw van de dwangburcht Radboud in Medemblik. Vanuit die versterking kon men de Westfriezen onder de duim te houden. In het zuiden had graaf Willem II al de burchten Middelburg en Torenburg opgericht nabij Alkmaar om de Westfriezen de doortocht naar het zuiden te beletten. Verder verzekerde hij zich van de trouw van de Alkmaarders door hen in 1254 stadsrechten te verlenen. Ook hier: steun en geld in ruil voor stedelijke rechten, inzonderheid vrijheid van handel en handelen.
In het gevecht met de Westfriezen, was de steun van Amsterdam aan graaf Floris doorslaggevend, maar niet wezenlijk. Om de grafelijke macht voor hemzelf en zijn opvolgers voorgoed te vestigen, moest hij ook nog eens de steun verwerven van het Kennemer volk. Van die steun kon hij niet zeker zijn. Al eerder, in 1268, in 1272 en 1274 waren de Kennemers in opstand gekomen, omdat zij zich als vrije mannen ernstig benadeeld voelden door de leenmannen van de graaf. In 1291 vaardigde Floris V een Handvest uit, waarin hij de rechten van de ‘huyslieden’ meer nauwkeurig vastlegde.
Het Handvest had een rechtstreeks gevolg voor het bestuur en de rechtspleging in de ambachten, waaronder Wijc op See. De oude rechtbank van buren werd opgeheven. In de plaats daarvan kwam er een rechtbank van schout en schepenen, de schepenbank. De veranderingen, die het Handvest van graaf Floris aanbracht, lieten het oude recht ongemoeid. De schepenen moesten rechtspreken als waren zij ‘azygen’, een Middelnederlandse verbastering van het Oudfriese woord asegga’s. Het ging vooral om een aanpassing van het procesrecht. Men ging over van het aasdomsrecht naar het wijsdomsrecht. Gerechtelijke oordelen waren niet langer vondsten (vonnissen) maar zij werden gewezen, mogelijk aan de hand van vindplaatsen in de keuren (regelingen), die de schepenbank voortaan mocht afkondigen.
Voordat de schepenen hun ambt mochten uitoefenen, moesten zij echter wel eerst aangewezen zijn door de zittende schepenen, aangevuld met twee kiesmannen. Dat gebeurde op de Grote Vastenavond voor Pasen. Zij moesten de goedkeuring hebben van de baljuw en de eed van trouw aan de graaf hebben afgelegd. Hun zittingsduur bleef beperkt tot drie jaren. Zo zocht de graaf een eind te maken aan de grieven van de Kennemers, die zich beklaagden over de rechtsongelijkheid ten opzichte van de landadel. Voortaan was de rechtsgang tot in de kleinste rechtskringen, de ‘bannen’ of schoutsambachten van Kennemerland met meer vormelijke waarborgen omkleed. De schout moest optreden als voorzitter, als eisende partij en rechtsvoltrekker, maar hij had zich te voegen naar het rechtsoordeel van de schepenen. Op de zitting kwamen zij tot hun uitspraak buiten aanwezigheid van de schout en in onderling beraad. Wie het met de uitspraak niet eens was, kon daartegen in beroep komen bij de ‘baljuw en zijn mannen’, maar de schout was van dat recht op beroep uitgesloten. Maar, hij die in hoger beroep opnieuw in het ongelijk werd gesteld, die verbeurde wel een som van niet minder dan tien ponden.
Het griefde de huislieden het meest, dat de welgeborenen wel en zij niet waren vrijgesteld van grondbelasting, het schot. Het was te duidelijk, dat de zittende adel hun familieleden die buiten de erfopvolging vielen (welgeborenen), de hand boven het hoofd hield, zonder zich daarbij in te houden[8].
Bij de oude rechtspleging lag de gang van zaken ter zitting minder overzichtelijk. In alle Friese nederzettingen gold sinds onheugelijke tijden, de ‘ewa’ (Latijn: aevum). Dat was het oerrecht van de Friezen. In de van oorsprong Friese nederzetting Wijc op See gold dat oude, ongeschreven recht ook. Afgezien van een poging van Karel de Grote in de 8ste eeuw, was van dat recht namelijk nooit iets vastgelegd. Het werd van geslacht op geslacht mondeling overgeleverd en gaandeweg aangepast aan de omstandigheden en behoeften van de voortschrijdende tijd. Met name om die reden kon dit recht zich op zoveel verschillende plaatsen en zich zo lang achtereen handhaven. Het veranderde immers al naar gelang de noodzaak zich daartoe aandiende. Gerechtelijke uitspraken dienden als richtlijn voor de toekomst. Beleid kende men als zodanig niet. Binnen de Friese gemeenschappen oordeelden de ‘asegga’s’, waarin het woord ‘zeggen’ nog net herkenbaar is. Zij zegden het recht in de ‘buurgerechten’, zoals zij dachten dat het paste bij de gewoonten en gebruiken én ook bij de voorliggende zaak. Tot de invoering van het schoutenambt zullen de ‘asegga’s recht hebben gesproken onder leiding van de meest vooraanstaande ‘buur’.
De opkomst van het schoutenambt (scultetis ville[9])in het begin van de 12de eeuw zette de zaken onder druk. Alleen al omdat de schout een grafelijk ambtenaar was en niet tot de kring van ‘buren’ behoorde, werd hij niet gemakkelijk aanvaard in zaken van bestuur en rechtspraak. Daarbij kwam nog, dat de schouten in de ambachten op de landengte van Kennemerland tot de zeer hoge adel van het graafschap behoorden en geen van hen uitgezonderd, vertrouwelingen van de graaf waren. Dat bracht het strategisch belang van de landengte in de strijd tegen de Westfriezen nu eenmaal met zich mee, maar van deze hoge schouten viel bepaald niet te verwachten, dat zij begaan waren met de rechten van de vrije hoevenaars, de ‘huyslieden’. Integendeel.
Floris V nam daarom zijn maatregelen, hij vaardigde het Handvest uit, en werd in adellijke kringen sindsdien nog meer gehaat.
Als in andere nederzettingen in Kennemerland deed de schepenbank in Wijc op See in 1291 zijn intrede. Een verandering in bestuur en rechtspraak, die niet alleen lange tijd heeft voortbestaan, maar ook nog telkens opnieuw door volgende graven van Holland bij hun aantreden werd bekrachtigd. Dergelijke ‘confirmatiën’ zijn bekend en bewaard gebleven van hertog Albrecht in 1361 toen hij aantrad als ‘ruwaard’(regent) voor de krankzinnig geworden Willem V. Hertog Jan van Brabant, bevestigde in 1418 de costumen van Kennemerland ook nog eens nadat hij met Jacoba van Beieren in het huwelijk was getreden. Een bijzonderheid voor deze streken was, dat de schout en schepenen in het schoutsambacht Wijc op See tevens konden optreden als dijkgraaf en heemraden. Het ambacht Wijc op See moest een deel van het onderhoud op zich nemen van de Sint Aagtendijk, gelegen tussen de Hoflanderweg en de dam in de Crommenie. Ook daar bleef in een nieuw ambt een overoude bestuurstaak naar Fries recht voortbestaan. Want een bepaling overgeleverd uit de 8ste eeuw luidde: dat een Fries zijn stamland niet alleen had te verdedigen met het zwaard en het schild, maar ook met vork en spade. Het wetboek Lex Frisionem van Karel de Grote uit 802 maakte ook al melding van strafbepalingen voor degenen die hun verplichting niet nakwamen bij het onderhoud van dijken en andere waterkeringen.
Floris V was, onder voogdij, zijn vader opgevolgd, als 2-jarige. Graaf Willem II sneuvelde in 1256 bij Hoogwoud in een te drieste poging de Westfriese vrijscharen te onderwerpen. Met paard en wapenrusting zakte hij door het ijs en werd ter plekke doodgeslagen. Willem II had de onderwerping van de Westfriezen als wapenfeit nog aan zijn curriculum vitae willen toevoegen, voordat hij naar Rome zou afreizen. Daar zou paus Alexander IV hem kronen tot keizer van het Heilige Roomse Rijk. Voor de paus daartoe bereid was, had Willem echter wel eerst de stad Aken moeten innemen om tot Rooms-Koning gekroond te worden in 1247. Voorts had hij de stad Spiers veroverd om de tekenen van de keizerlijke waardigheid in handen te krijgen; het zwaard, de kroon, de scepter en de rijksappel.
Voor Midden-Kennemerland is vooral van belang geweest, dat Willem II de schouts-ambachten van Velsen, Wijc, Wijc aan ’t Duyn en Wijc op See heeft ondergebracht in het baljuwschap Kennemerland in 1244. De baljuw stond tevens aan het hoofd van het Hoogheemraadschap samen met enkele edellieden als hoogheemraden. De toenemende wateroverlast, maakte maatregelen noodzakelijk die de waterstaatsbelangen van de afzonderlijke schoutsambachten ruimschoots overstegen.
Met de aanstelling van de baljuwen riep graaf Willem II een geheel nieuw bestuursambt in het leven. De eerste baljuw was Simon van Haerlem en hij zetelde op het slot van Heemskerk, dat later Oud-Haerlem is gaan heten. Als baljuw waren Simon en zijn opvolgers belast met de benoeming van de schouten in het baljuwschap. Onder de eerste baljuw van Kennemerland stond Albert van Velsen. Hij was schout van de drie Wijcer ambachten en van Velsen. Hij wordt genoemd in akten uit 1261 en 1263 . Deze Albert was de vader van Gerard van Velsen, die hem in deze ambachten opvolgde en tot de kring van vertrouwelingen behoorde van Floris V. Gerard van Velsen staat genoemd in enkele akten uit die tijd. De eerste akte is van 1275 waar hij onder meer aangesteld wordt als schout van Wijc op See. Zijn naam wordt opnieuw genoemd in een akte van 1276 wanneer de plaats Wijc marktrechten verkrijgt. De ambachten van Gerard van Velsen zijn in 1296 na zijn moord op Floris V overgegaan naar het baljuwschap, dat Wolfert van Borssele voor zichzelf opbouwde tussen 1296 en 1299.
- Het ambacht onder de heren van Banjaert
Gerard van Velsen en zijn vader Albert van Velsen waren niet de eerste schouten in de ‘banne’ van Wijc op See. Zij werden voorgegaan in het ambt door de heren van Banjaert. Ook zij behoorden tot de hoge adel van het graafschap en stonden in nauwe betrekking tot de graaf zelf . In 1162 werd ene Albert Banjaert als zodanig genoemd. Dat herhaalde zich in 1167 en 1174. Albert was telkens getuige bij verdragen, die graaf Floris III van Holland sloot met de abt van Egmond, de graaf van Vlaanderen en de bisschop van Utrecht. De zoon en opvolger van Albert, Bearn Banjaert, kwam slechts eenmaal voor in de oorkonden van die tijd en wel op 3 november 1200. Maar reeds op het eind van 1200 kwam zijn zoon Albert Banjaert II in beeld als getuige bij een overeenkomst van graaf Dirk VII. Na het overlijden van deze graaf ontbrandde de Loonse oorlog. In 1204 gaat het huis van Albert Banjaert II ten onder en werd er sindsdien geen spoor van teruggevonden. Albert Banjaert II leidde tot aan zijn dood in 1223 een teruggetrokken bestaan, want er is slechts sprake van een tussentijdse vermelding, in 1215. Het huis Banjaert, dat bedachten geschiedschrijvers in de 17de en 19de eeuw, zou gelegen zijn tussen Beverwijk en Wijk aan Zee in de duinen, richting Breesaap of daaromtrent. Een meer nauwkeurig onderzoek heeft echter aanwijzingen opgeleverd, dat het slot Banjaert mogelijk lag op het Hofland nabij Beverwijk, toentertijd Sint Agathenkirke geheten. Het is bekend, dat op dit stuk land een versterkte hoeve heeft gestaan. Deze hoeve met landerijen (‘hoflant’) is ooit in het bezit geweest van de Oost-frankische keizers als onderdeel van hun kroondomein. De bezitslijn daarvan gaat terug tot de domeinen van Karel de Grote en zelfs zijn Merovingische voorgangers, zoals Karel Martel († 741) en Pepijn de Korte († 640). In een akte van ±730 staat, dat Karel Martel (een deel van) de vroonhoeve Adrichem, gelegen ten noorden van de rivier de Felsena (Oer-Ye?) heeft geschonken aan de kerk van Velsen.
- De oorsprong van het schoutsambt
Het grondbezit van de heren van Banjaert maakte kennelijk eerder deel uit van een zogenaamde curtis of hofland, een keizerlijk domein, dat zich uitstrekte van het buurtschap Velsen in het zuiden tot aan Heemskerk in het noorden. Hun deel van deze curtis (‘court’) moet een afsplitsing zijn geweest van de curtis Adrichem, die binnen het kroondomein van de opeenvolgende keizers was achtergebleven. De graven van Holland maakten zich meester van dit domein in Kennemerland toen de zeggenschap van de keizer aan het eind van de 11de eeuw en het begin van de 12de eeuw nauwelijks nog iets voorstelde. Met deze naasting[10] van keizerlijk bezit traden de graven van Kennemerland in de plaats van de vroegere eigenaars. En zo gingen de keizerlijke rechten of ‘regalia’ op hen over. Een van die rechten was het optreden als rechter. In het begin over de horigen van de curtis. Tegen het einde van de 12de eeuw en bij het aanbreken van de 13de eeuw verdween echter de horigheid geheel, toch al niet wijd verbreid in deze streken, voornamelijk door vrijkoop. De oorspronkelijke of allodiale grondbezitters en zij die zich hadden vrijgekocht, waren in een buurtschap ingedeeld. Daar kwam, naar oud gebruik de rechtspraak in handen van een burengerecht.
De graaf kon deze taken niet in persoon waarnemen. Om die reden stelde de graaf een meier (maior domus) aan om het goed te beheren. Deze dienaar was geen grondbezitter in het buurtschap. Hij ontleende zijn hoge waardigheid uitsluitend aan zijn heer, aan de graaf. Als vertegenwoordiger van de grootste landeigenaar in het buurtschap mocht hij daarom nog wel de zitting van het ‘burengerecht’ bijeenroepen en deze ook wel voorzitten. Tot het beraad over het te vellen oordeel werd hij echter onder geen beding toegelaten. In de ogen van de vrije boeren was hij niets meer dan een dienstman, een grafelijke knecht. Al waren zij dan kleine heren, zij rekenden een grote knecht zeker niet tot hun gelijke. Zij wilden naar de Oud-friese ‘ewa’ als vrije mannen tot hun recht komen.
Toen de heren van Banjaert tegen het einde van de 12de en het begin van de 13de eeuw hun ambt aanvaardden, werden zij al geen meiers meer genoemd. Zij droegen de titel: schout. Ook stonden zij tot de graaf, hun leenheer, niet meer als dienstmannen of ministerialen, maar als leenmannen. In die tijd kende men op de landengte van Kennemerland drie schoutsambachten of wijken, afgeleid van het Latijnse ‘vicus’. Het waren het buurtschap Wijc aan het meer, dan verder naar het westen Wijc in ’t Duyn en aan de kust Wijc op See. De heren van Banjaert waren in elk van de deze ambachten aangesteld als schout. Zij bewoonden, vermoedelijk, een versterkt huis in Beverwijk in de onmiddellijke nabijheid van de toenmalige Sint Agathakerk, nu de Grote Kerk. Hun woonplaats en ambtszetel ‘Wijc’ is nog al eens van naam veranderd. In de 12de eeuw heette de plaats Agathakircha. Dan kwam nog eenmaal Sinte Agathendorpe voor in 1251. Die namen verdwenen in 1267 en maakten dan in akten uit volgende jaren plaats voor Wijc of Wijk en ook wel Wike. Uiteindelijk kwam vanaf 1296 de naam Beuerwijc in gebruik en daar is het sinds de 14de eeuw bij gebleven. Het voorvoegsel Bever heeft men in later tijd in verband willen brengen met bevers, die in de streek zouden voorkomen. Men heeft er ook wel eens een afkorting in gezien van ‘beêvaart. In de Middeleeuwen was de Wijc namelijk een bekend bedevaartsoord. Echter, de Vroegmiddeleeuwse naam voor de plaats is ‘Beverhem’ geweest. Die naam komt voor in een kerkelijke lijst van eigendommen. In die tijd bestond er tussen het Angelsaksisch en het Oud-fries nog een zeer nauwe taalverwantschap. Waar de oude naam Kinheim in beide talen de betekenis had van ‘het land der vaderen’ (letterlijk: vaderhuis), zo kan Beverhem of Bewerhem in die tijd betekend hebben: ‘versterkt huis’[11]. En dat zou dan, naar redelijk vermoeden, verwijzen naar het versterkte huis van de heren van Banjaert, en bepaald ook naar de veste van hun rechtsvoorgangers. Een verwijzing die noodzakelijk was en zinvol ter onderscheiding van een tweede Wijc, dat in het duin lag en het derde Wijc, dat bij de zee lag.
- De samenhang van de ambachten in Midden-Kennemerland
Wat overblijft is de vraag, waarom de ambachten van deze heren en hun opvolgers zich naar het oosten uitstrekten tot en met Assendelft en Westzaan en naar het noorden toe tot en met Uitgeest en Krommenie. In deze opbouw van het gebied is- wie er ook leenman zou worden- vrijwel nooit een wezenlijke verandering aangebracht. Toch lag deze spreiding bepaald niet voor de hand; deze ambachten vormden nauwelijks een aansluitend geheel, zo rondom het Wijckermeer. Tenzij dat meer ooit kleiner is geweest en voor die veronderstelling bestaan enkele redenen.
In de 10de eeuw kwamen alom in Holland, Utrecht en Brabant de ontginningen op gang. Zo zijn kolonisten ook aan het werk gegaan op de veenlaag tussen de duinen van Midden-Kennemerland en de Zaan. Een tijdperk van droogte, dat al tientallen jaren aanhield, kwam de ontginners te hulp. De grond was niet meer zo zompig als in vroeger tijden. Voor zover bekend, werkte men vanaf de duinenrij naar het oosten. De ontginningen hadden wel tot gevolg, dat de veengrond begon in te klinken; een forse bodemdaling zette dan ook in. Dat keerde zich nog geen eeuw later tegen de ontginners, die inmiddels als boeren en vissers op de nieuwe gronden een bestaan hadden opgebouwd. Het grondwaterpeil steeg zienderogen, zeker toen in het midden van de 11de eeuw aan de langdurige droogte een einde kwam en de zeespiegel ging stijgen.
De rampspoed kende nog geen einde. Het weer werd onstuimiger onder invloed van de klimaatverandering. Het stormde vaker en harder. Het Oer-IJ sloeg vanuit het zuidwesten en het westen grote stukken van dit veenland weg. De boeren, die het trof, moesten een goed heenkomen zoeken. Enkelen van hen mochten zich per gratie vestigen in het hart van het grafelijk domein op de plek, die Wijc op See is gaan heten. Met medeneming van have en goed én van hun rechtspositie. Als ontginners hadden zij namelijk de stand van vrije mannen, die van ‘huyslieden’ verworven. Dat gebeurde in de 11de eeuw wel vaker als de graaf een deel van zijn ‘wildernisse’ uitgaf voor ontginning. Toch was het een opmerkelijke verworvenheid in de toenmalige standenmaatschappij, die de stichters van Wijc op See meenamen naar hun nieuwe nederzetting. Want anders dan de voormalige horigen uit het schoutsambacht Wijc, hadden zij in ruil voor hun vrijheid, in het moeras nieuw land tot ontginning gebracht. Ook aan de Seecroft viel machtig veel ontginwerk te verzetten. De zandduinen moesten in hun loop worden gestuit, de vochtige duinvallei Seecroft moest van bomen en struiken worden geschoond en de Rel diende men op zijn weg naar zee te beschoeien en te beteugelen. Die arbeid leverde wat bouwmateriaal op voor hun hoeven en een schraal hooiland voor hun vee. De nieuwkomers zagen hun inspanningen echter vooral beloond met de gemakkelijke toegang tot de rijke visgronden voor de kust. De beloning die alles oversteeg, dat zij in zaken van recht en bestuur als vrije mannen hun belangen naar eigen inzicht en bevinden konden behartigen in de nieuwe nederzetting Wijc op See. Zij deden dat naar de beginselen van het Oud-Friese recht, dat in 1291 een weinig veranderde, in 1579 al wat meer veranderde en in 1809 heel veel meer veranderde, voordat het in 1838 bij de komst van Burgerlijk Wetboek zijn geldigheid geheel verloor.
Ruim een eeuw later, op 1 mei 1936 was het ook gedaan met de bestuurlijke zelfstandigheid. De ‘vrihede’ van Wijk aan Zee had voorgoed opgehouden te bestaan.
[1] Elke gelijkenis met het huidige bouw- en welstandsbeleid in Wijk aan Zee is ‘beslist toevallig’
[2] De Raiffeisenbank en de Boerenleenbank, vergelijkbaar: de voormalige Spaarbank van Beverwijk.
[3] Toch worden de democratische gezindheid van een samenleving en het democratische gehalte van een maatschappij nog altijd afgemeten aan de zorgvuldigheid waarmee de meerderheid aan de minderheid de ruimte laat.
[4] Om de bestuurskracht te verbeteren zijn veel gemeenten samengevoegd en kunnen de overgebleven 600 gemeenten samenwerken binnen gemeenschappelijke regelingen. De provincies bestaan nog steeds, voorheen 11, thans 12 (Flevoland). Maar hun taak en plaats stond met regelmaat ter discussie. Zo is er gedacht aan niet minder dan 28 provincies, dan weer aan 4 landsdelen en toen dat allemaal niet haalbaar bleek, werkte men aan de instelling van stadsprovincies rondom de grote steden. Ook dat plan heeft het niet gehaald.
[5] Doem betekent hier: rechterlijk oordeel
[6] Hij ontsnapte in 1621 in een boekenkist en trad in dienst van Zweden als gezant in Parijs, waar hij tegen de geslepen kardinaal Richelieu en diens opvolger Mazarin in het geheel in niet opgewassen bleek.
[7] Dit beginsel beheerst de Akte van Verlatinghe van 1581 waarin de Zeven Verenigde Provinciën breken met hun landsheer Filips II, koning van Spanje. Het uitgangspunt komt nog eens sterk naar voren in de Onafhankelijkheidsverklaring van 4 juli 1776, waarin de Verenigde Staten van Noord-Amerika de Engelse koning, Geoorde III, aan de kant zetten. In de Akte van 1581 en de Verklaring van 1776 hebben de ‘goede steden’ plaats gemaakt voor ‘ondersaten’, onderscheidenlijk, onderdanen.
[8] Nog in 1423 werd daarover een geding aangespannen voor de schepenbank van Wijc op See. De bewoner van het Huis Adrichem, Pieter van Foreest, zag zijn ‘welboren’ staat betwist, omdat men hem op zijn land in het dorp handenarbeid had zien verrichtten.
[9] Ville slaat hier niet op een stad, maar op een Romeinse villa, in de Middeleeuwen een vroonhoeve. Het is in deze betekenis sterker verwant aan het begrip dorp, zoals village (Fr en Eng) en aan villagio (It).
[10] Mogelijk is geen sprake geweest van een wederrechtelijke toeëigening of naasting, maar heeft graaf Gerulf de curtis in 889 ten geschenke gekregen van Arnulf van Karinthië, de toenmalige Oost-Frankische keizer.
[11] In het Angelaksisch is een be-werian een versterking. Be-weren betekende versterken, denk ook aan weermacht, landweer, brandweer in het hedendaagse Nederlands.
![]() | ||||||
![]() | ||||||
![]() | ||||||
Rondleidingen met gids