Erfgoed 3: de Relmonding
U bent nu hier: Wijk aan Zee >> Geschiedenis >> Erfgoed 3: de Relmonding

 

 

3      De Relmonding

 

 

3.1            De kustplaats Wijk aan Zee (2000-2030)

 

  • Het huis Relmonde
  • De Villa Belinfante
  • Het woongebouw Boothuisplein
  • De bouwlocaties van 2005

 

3.2            De woonplaats Wijk aan Zee (1965 – 2000)

 

  • De uitbreidingen
  • De bouwstijlen

 

3.3            De badplaats Wijk aan Zee (1839 – 1965)

 

  • De uitbreidingen   
  • De bouwstijlen

 

3.4            Het grondplan van de nederzetting Wijc op See

 

  • De hoofdlijnen van de nederzetting
  • De wijze van bouwen

 

 

3.1     De kustplaats Wijk aan Zee (2000- 2030)

 

_______________________________________________________________________________

 

·         Het Huis Relmonde

·         De Villa Belinfante

·         Het woongebouw ‘Boothuisplein’

·         De bouwlocaties van 2005

 

_______________________________________________________________________________

 

1 Het huis Relmonde

 

In de zomer van 2005 werd de grondslag gelegd voor het huis Relmonde. Dit woongebouw komt te staan op de hoek van de Relweg en de Dorpsduinen. Het zal een bijzonder woongebouw worden; dat valt al af te lezen aan de sterk verschillende groepen van deelnemers aan het project. Op de begane grond komen cliënten van het revalidatiecentrum Heliomare te wonen. Zij krijgen tijdelijk een woning toegewezen, voorafgaand aan hun huisvesting elders. Deze woontraining is de laatste stap op hun weg naar een zo groot mogelijke zelfstandigheid in de maatschappij.

 

Op de hogere verdiepingen komen inwoners van Wijk aan Zee. Deze groep bestaat uit inwoners van het dorp die op zoek zijn naar hun eerste woning, de starters die een huishouding willen stichten. Verder omvat de groep voornamelijk ouderen die als alleenstaande of als ouder echtpaar een kleinere woning zoeken, die past bij de derde fase in hun leven. In de aanloop naar het project speelde in het bijzonder de wens om in het dorp een opschuiving tot stand te brengen, zodat een meer passende huisvesting binnen het bereik zou komen van zowel jongeren als ouderen. Vaak lag de prijs van de woningen die ter beschikking komen voor jongeren te hoog. Dat maakte de kans, dat de huizen in handen zouden komen van kapitaalkrachtige buitenstaanders niet alleen groter, het maakte de huizen ook nog eens te meer onbereikbaar voor inwoners van Wijk aan Zee. Bovendien was een doorlopende bewoning, wegens gebruik als tweede woning of als vakantiewoning, van de huizen op deze manier niet gewaarborgd. De achtergrond van dit alles is geweest, dat de voorschrijdende vergrijzing van de dorpsbewoners tot staan gebracht moest worden. In dat verband was het eerste en vooral noodzakelijk de jongere generaties én hun kinderen voor het dorp te behouden. Alleen zo kon een draagvlak van voldoende sterkte tot in lengte van jaren voor de sociaal-culturele voorzieningen en de winkelstand in het dorp in stand blijven.

 

Afgezien van de bijzondere samenstelling van de deelnemersgroepen is er sprake van nog een buitengewone omstandigheid. De toekomstige bewoners hebben rechtstreeks invloed gehad op de indeling van de woningen en daarmee in zekere mate ook op de vormgeving en de uitvoering van het woongebouw. Zij kregen bij de bouwkundige vraagstukken de ondersteuning van een architect. In de fase van voorbereiding kregen de bewoners de steun van de woningcorporatie Pré Wonen. In de bouwfase zal deze corporatie optreden als opdrachtgever en als technisch begeleider van het project.

 

De naam van het gebouw, Relmonde, legt een verband met de uitmonding van de vroegere Relbeek, die vanaf de dorpsweide langs de Relweg zijn weg zocht naar de zee. In dit verband is het van belang te vermelden, dat het woord rel zowel in het Oudfries als in het Angelsaksisch de naam is van een kleine waterloop. In zoverre verwijst de naam van het gebouw nog naar het gegeven, dat Wijk aan Zee in zijn oorsprong een Friese nederzetting is geweest.

 

Het project is in 2005 omstreden geweest. De voornaamste reden was, dat de omwonenden een gebouw van zes verdiepingen te hoog vonden. Naar hun mening paste deze hoogte slecht in Wijk aan Zee, waar als regel de woningen niet hoger zijn dan twee verdiepingen gedekt door een pannendak. Na lang en indringend overleg zullen in 2006 de omwonenden en het dorp als geheel uiteindelijk instemmen met een gewijzigd ontwerp. Zo wordt voorkomen, dat de bouw van het project vertraging zal oplopen door voortslepende rechtsgedingen. Zo wordt tevens aangetoond, dat een vlotte afwikkeling van bouwprojecten in het dorp slechts mogelijk is met medewerking van alle betrokkenen, waarbij de vaste wil om tot overeenstemming te komen bij allen  voorop staat. Deze overeenstemming vooraf was een van de doelstellingen van de initiatiefgroep Proef Lokaal de Toekomst, die de eerste aanzet tot het project heeft gegeven. Deze initiatiegroep streeft er uitdrukkelijk naar, dat woonprojecten volledig passen bij de behoeften van de bewoners van dorp. In een wijder verband beoogt de groep Proef Lokaal, dat plannen vanuit het dorp sterker het beleid van de gemeente gaan bepalen. Mits deze plannen van werkelijkheidszin getuigen, mits zij voorzien in een dringende behoefte en mits zij aan de leefbaarheid van Wijk aan Zee bijdragen. Het uitgangspunt van de groep Proef Lokaal is het Handvest van de dorpen, dat in 1999 is ondertekend door de burgemeesters van alle gemeenten, die in dat jaar deelnamen aan de manifestatie Cultureel Dorp van Europa. Het Handvest bevat een paragraaf, die een omslag wil in de verhouding tussen het lokale bestuur en dorpsbewoners.

 

 

2        De Villa Belinfante

 

Het uiteindelijke ontwerp van ‘Villa Belinfante’ hebben de omwonenden afgedwongen van de projectontwikkelaar. Wellicht zonder het zelf te weten, heeft de projectontwikkelaar, Eureka, daarmee een mijlpaal in de bouwgeschiedenis van Wijk aan Zee gezet. Vanzelf is het allemaal niet gegaan, de omwonenden hebben zich er voluit voor in moeten zetten.

 

Het begon er mee, dat Eureka behalve het vroegere postkantoor ook de grond en opstallen van een aangrenzende slagerij in handen kreeg. Men besloot tot een appartementengebouw. Het eerste ontwerp dat naar buiten kwam, dat paste maar moeilijk aan de oostzijde van het Julianaplein. De lijnvoering en het materiaalgebruik leverden een grof en in zichzelf gekeerd woongebouw op. De gemeente Beverwijk beschikte niet over de wettelijke middelen om het gebouw tegen te houden en moest een bouwvergunning afgeven. Daarbij kwam nog, dat men het kennelijk belangrijker vond dát er gebouwd werd dan dat men zich wilde afvragen wát er gebouwd werd. De omwonenden kwamen tegen het plan in verweer en dienden eerst bezwaarschriften in bij de gemeente en later beroepschriften bij de bestuursrechter. De tegenpartij wist terreinwinst te maken in juridisch opzicht. De rechter verweet de gemeente, dat het ontbrak aan een stedenbouwkundige visie op het dorp. Bepaald noodzakelijk, gegeven de bouwlocatie aan het centrale plein van het dorp. De gemeente vormde een projectorganisatie Wijk aan Zee. Ambtenaren, bestuurders en burgers zouden samen een visie op het dorp en zijn vormgeving gaan ontwikkelen, maar dat zou nog enige tijd in beslag nemen. Projectontwikkelaar Eureka wilde of kon zo lang niet wachten en gooide het roer om. Men veegde het eerste ontwerp van tafel en de architect werd de laan uitgestuurd. De nieuwe aanpak was gericht op een zo nauw mogelijke aansluiting bij de maat, de schaal en de bouwstijl van het dorp, meer in het bijzonder de stijlen rondom het Julianaplein. Men ging daarin tamelijk ver. Want afgezien van verscheidene raamstijlen van rondom het plein, die in het ontwerp zijn terug te vinden, heeft men zelfs de zuidgevel van het in 1982 gesloopte Zeevanck, eertijds het Badhotel, meegenomen in de tekening. Het was het witte middendeel van de voorgevel, waarop de naam van het woongebouw is aangebracht.

 

Omwonenden konden instemmen met het nieuwe ontwerp en staakten hun verzet. De bouw kon beginnen, zo leek het. Maar toen ging de architect van het eerste ontwerp dwarsliggen. Hij meende recht te hebben op een appartement in het gebouw van zijn hand en eiste genoegdoening. Ook al was de grondslag van het geschil nog zo zakelijk dan nog kon deze rechtstrijd het vermoeden van weerspannige tegenwerking niet meer wegnemen. Ten lange leste werd de zaak geregeld en kon de bouw van ‘Villa Belinfante’ eindelijk beginnen. Het bouwwerk werd in de zomer van 2004 opgeleverd.

 

De naam van het gebouw verwijst naar een familie, die geruime tijd in Wijk aan Zee heeft gewoond. De heer Belinfante en na hem zijn zoon voerden de directie over de maatschappij ‘E Pluribus Unum’ , de EPU. Die maatschappij was voortgekomen uit de failliete boedel van Heinrich Tappenbeck.  De organisatie exploiteerde onder meer het Badhotel. Mevrouw Emmy Belinfante was journaliste en schrijfster van meisjesboeken. Zij beschreef met een lichte toets, voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog, het winterse dorpsvermaak en ook haar lotgevallen als lid van de toneelvereniging. De familie Belinfante is kort na aankomst in het vernietigingskamp Auswitz in augustus 1944 omgebracht. De naam ‘Villa Belinfante’ is naar voren gekomen na een wedstrijd uitgeschreven in het dorp om een passende naam voor het gebouw te bedenken. Dat de naam Belinfante is komen te staan op een geveldeel, dat verwijst naar het Badhotel, mag op zijn minst een opmerkelijke samenloop van omstandigheden heten.

 

3   Het woongebouw Boothuisplein

 

Naar omvang en ontwerp is het woongebouw Boothuisplein een ernstige verstoring van het bouwkundig beeld van het dorp. Protesten en bezwaren van omwonenden hebben weinig uitgehaald, een beroep op de gemeente om het Beeldkwaliteitplan van de Dorpsraad in aanmerking te nemen, leidde ook al tot niets. De opvattingen van de gemeente over welstand en stedenbouwkundig beeld lagen hopeloos ver uit elkaar. Of dat nog zo is, dat moet nog blijken bij andere projecten, maar bij dit gebouw was dat duidelijk het geval.

 

4   De bouwlocaties van 2005

 

In de zomer van 2005 heeft het gemeentebestuur een kaart met mogelijke bouwlocaties vastgesteld op basis van een nader onderzoek. Dat onderzoek was afgedwongen door de gemeenteraad, toen het er op aankwam de toekomstvisie op de ontwikkeling van Wijk aan Zee formeel vast te stellen. De raad wilde meer nauwkeurig weten, wat de woonbehoefte was van de inwoners van Wijk aan Zee dan burgemeester en wethouders in januari 2004 konden of wilden aangeven. Bovendien wilde raad weten bij welke omvang van de bebouwing een demografisch draagvlak zou ontstaan voor de meest noodzakelijke voorzieningen in het dorp (school, bibliotheek, dorpshuis, buurtsupermarkt e.d). Uiteindelijk hebben burgemeester en wethouders tien bouwlocaties aangewezen. In de jaren tussen 2006 en 2030 zal daar woningbouw tot stand komen moeten komen. Na een toelichting in de vergadering van de Dorpsraad in september 2005 heeft deze raad ingestemd met de voornemens van het gemeentebestuur.

 

Of het daadwerkelijk tot bouwen komt op alle aangewezen plaatsen is nog maar de vraag. De geluidsbronnen van het staalbedrijf Corus zijn zo duidelijk te horen, dat het dorp voor het grootste deel binnen een gebied van 55 dB valt. En daarbinnen mag volgens de wet geen nieuwbouw van woningen tot stand komen. Alleen het noordwestelijk deel van het dorp valt buiten dat gebied. Ruwweg loopt de lijn van de strandopgang aan de kop van De Zwaanstraat tot aan de ingang van het duingebied aan de kop van de Meeuwenweg. Deze toestand bergt twee gevaren in zich. Het eerste gevaar is, dat een deel van de bouwlocaties bestemd wordt voor de bouw van woningen die quasi-permanent bewoond worden, de zogenaamde recreatiewoningen. Het tweede gevaar is, dat de betekenis en het belang van de bouwlocatie aan het Zeepad, die eerder voor 10 jaar is achtergesteld, aanzienlijk gaan stijgen. Dan dreigt alsnog de situatie, dat er zeer tegen de zin van de dorpsbewoners in, woongebouwen verrijzen aan een deel van de zeereep.

 

De woningbouwcomplexen zijn in het algemeen klein van opzet en gericht op het vullen van ‘kale’ plekken in het dorp. Slechts twee bouwplaatsen zijn wat groter van omvang, te weten de bouw op het bestaande parkeerterrein aan de Dorpsduinen en het terrein ten oosten van Heliomare, dat beschikbaar komt zodra de daar gevestigde school een plaats krijgt aan het Stationsplein in Beverwijk. 

 

Voor deze twee bouwplaatsen geldt in het bijzonder, wat voor de andere plangebieden meer in het algemeen geldt, dat waakzaamheid is geboden. Zeker zolang nog vaststaat, dat het dorp Wijk aan Zee en de gemeente Beverwijk op het punt van welstand en stedenbouwkundig beeld ernstig van mening verschillen.

 

 

    3.2     De woonplaats Wijk aan Zee (1965 – 2005)

_______________________________________________________________________________

 

·         De uitbreidingen

·         De stijl van bouwen

·         De naamgevers van de straten

 

_______________________________________________________________________________

 

1 De uitbreidingen

 

Tegen het einde van de jaren zestig trad een betrekkelijke rust in, na de bouwactiviteiten van de voorafgaande tien jaar. De woningnood knelde nog onverminderd, maar de economie was over zijn hoogtepunt heen, de bestedingsbeperking deed zijn intree en twee opeenvolgende oliecrises deden er ook al geen goed aan. Bovendien verschoof de voorkeur van de huizenkopers van de standaard ‘doorzonwoning’ naar een meer speelse en vooral meer gesloten bouwvorm.

 

De aantrekkelijkheid van Wijk aan Zee als woonplaats ging er bepaald niet op vooruit tijdens een reeks van verontrustende plannen. Hoogovens wilde zijn opslag van kolen en erts naar het zuidwesten uitbreiden in het raam van een groots plan. Dat zou veel meer stofoverlast tot gevolg hebben. De inzakkende staalmarkt verijdelde het plan. Toen volgde het voornemen van Rijkswaterstaat om het strand ten zuiden van Wijk aan Zee in te polderen en het bekken vol te storten met vervuild havenslib. Het verhoogde milieubewustzijn bij burger en overheid gedoogde niet langer dat het slib in de Noordzee werd gestort. Te zijner tijd zouden na het inklinken van het havenslib in de kustpolder vier energiecentrales een plaats kunnen krijgen. Bij dit alles kwam nog dat Wijk aan Zee aan de landzijde geheel ingesloten was geraakt door de fabrieken en walserijen van Hoogovens.

 

Het duurde tot het eind van de jaren zeventig eer het tot nieuwe initiatieven kwam. De Burgemeester Rothestraat werd doorgetrokken van de Oldenborghweg tot aan de Meeuwenweg en langs deze nieuwe straat kregen de kopers van de kavels een grotere vrijheid. Op die manier ontstond een levendig straatbeeld met voldoende afwisseling van gevelmateriaal en vormgeving. Omstreeks dezelfde tijd verwierf een woningcorporatie de grond en opstallen van de zorginstelling Zeevanck. Het oude Badhotel, dat zijn laatste dagen sleet als verpleegtehuis ging tegen de vlakte en er verrees een complex huurwoningen in de driehoek tussen De Zwaanstraat, de Van Ogtropweg en de Gasthuisstraat. Deze compacte uitstulping van de bestaande bebouwing kreeg een vervolg in een project van soortgelijke opzet: de koopwoningen op de locatie van het hotel Paasdal. De jaren tachtig liepen al redelijk naar hun eind toen op het terrein van de Heilig Hartschool de Neeltje Snijdershof werd gebouwd.

 

Kort voor en na het jaar 2000 is in het dorp een heftige discussie ontbrand. Het ging over het plan een deel van de zeereep te bebouwen. In een visie op de toekomst van het dorp, die de gemeente Beverwijk en inwoners van Wijk aan Zee gemeenschappelijk hadden ontwikkeld, voerde het gemeentebestuur dat element eenzijdig in. Voor zover er sprake was van een voorzichtig opgebouwd vertrouwen ging dat vertrouwen tussen dorp en gemeentebestuur op slag verloren. Uiteindelijk bleek het verzet zo fel en kreeg het een zo breed draagvlak, dat de gemeente wel moest inbinden. Het bouwplan werd uitgesteld tot 2010, in de plaats daarvan kwam het plan om het parkeerterrein aan de Dorpsduinen als bouwlocatie te gebruiken.

 

2 De bouwstijlen

 

In de jaren ’70 groeide een nieuw maatschappelijk bewustzijn. De nadruk kwam te liggen op de wensen en de ontplooiing van de enkeling, men liet het collectieve tijdperk in kerk en samenleving grotendeels achter zich. Dat gevoelen kreeg zijn uitdrukking in een andere bouwstijl. Een stijl overigens, die ook werd ingegeven door noodzaak zuinig om te gaan met energie. Een derde gegeven in dit geheel heeft meer rechtstreeks te maken met het dorp Wijk aan Zee, in het bijzonder het landschap. Het dorp had geen ruimte meer voor een verkaveling in stroken langs bestaande wegen. Het werd noodzakelijk te bouwen in de duinvalleien en dat dwong zonder meer al tot een compacte opzet. De wooncomplexen van Paasdal II, Zeevanck en de Neeltje Snijdershof zijn van die aanpak sprekende voorbeelden.

 

Opnieuw keerden bouwondernemers, architecten en bewoners zich af van het moderne bouwen. De traditie kwam weer in zwang. In het Paasdalcomplex zijn de woningen gestapeld rondom een binnenplein, dat men met enige goede wil kan aanzien voor een piazza in een Italiaans bergdorp. Die indruk wordt nog eens versterkt omdat de betrekkelijk hoog gestapelde woningen toch zijn afgedekt met een traditioneel lessenaardak. Wel bleef nog de belijning van de gevels en dan met name van de raamopeningen een modern trekje houden.

 

Het complex Zeevanck, in 1982 gebouwd op de plaats van het Badhotel, geeft een nog nauwere aansluiting bij het bouwkundig erfgoed te zien. Op de hoeken van het complex vormen de trappenhuizen cilindrische bastions, die sterk aan hoektorens doen denken. Aan de gevels hangen de balkons, die tientallen jaren in Wijk aan Zee het straatbeeld bepaald hadden. Men heeft er bewust van afgezien om de huizen wit te schilderen. Het daaruit voortkomende onderhoud zou te zwaar drukken op de exploitatie van deze sociale woningbouw.

 

Bij de koopwoningen aan de Neeltje Snijdershof speelde het onderhoud minder sterk. Voor die huizen heeft men een witte gevelsteen gebruikt en is ook de betimmering op de bovenverdieping wit, maar dan van een duurzaam materiaal. In hun verschijning hebben de huizen enige gelijkenis met huizen in andere kustplaatsen, vooral in Noord-Europa.

 

In de periode 1965-2000 zijn de kenmerkende gebouwen aan de rand van de duinen, zoals de Woeste Hoogte, de Tuinberg, Welgelegen, Westerduin en Rijckaertsz verloren gegaan door verwaarlozing, brand en verandering van bestemming. Daarvoor in de plaats zijn bouwwerken gekomen, die eerder nuttig zijn als woongebouwen dan dat ze stijlvol zijn. Zij missen de helderheid van opzet en de klaarheid van lijn waarvoor de architecten van de Moderne School ooit zo sterk gepleit hebben. 

 

 

3.3    De badplaats Wijk aan Zee (1839-1965)

_______________________________________________________________________________

 

·         De uitbreidingen

·         De stijl van bouwen

·         De naamgevers van de straten

 

_______________________________________________________________________________

 

 

De regenten van de machtige stad Amsterdam hadden reeds in de 17de en 18de eeuw de geneugten van de ‘buitenplaats’ ontdekt en zij hadden aan de binnenduinrand van Midden-Kennemerland fraaie landgoederen aangelegd. Maar in de ‘wildernisse’ zoals het duingebied toen werd genoemd, daar waagden zij zich niet. Waarom ook, daar heersten de zandverstuivingen nog oppermachtig. Maar toch, in de eerste helft van de 19de eeuw groeide de belangstelling van de burgerij voor het buitenleven. Voor een deel werd dat ingegeven door de hang naar  romantiek, die in de kunst, de filosofie en de wetenschap naar voren kwam. Men begon sterk te hechten aan het eigene, het nationale en men keerde zich af van de internationale toestanden. Daarbij kwam nog, dat men een ongekende belangstelling had voor eigen gemoedsbewegingen en belevingen, eigen ervaringen en niet in het minst, lichamelijke gewaarwordingen. Praktisch kwam het er op neer, dat men het verblijf in de buitenlucht en aan de kust heel wat aangenamer vond dan het verblijf in de stad. Daar verspreidden de grachten in de zomer een verschrikkelijke stank omdat zij als open riolen dienden. Cholera en malaria teisterden de stadsbevolking.

 

Binnen deze samenhang kon het niet lang uitblijven, dat burgers uit de steden in de omtrek, vooral Amsterdam en Haarlem, aan de kust genoten van de frisse wind en de zonneschijn. De schrijvers Hildebrandt (Nicolaas Beets), Jacob van Lennep en de dichter Potgieter gingen hen voor. Van een bad in zeewater had men zo zijn gezonde verwachtingen. Reeds in 1839 werd in de herberg De Moriaan, toentertijd gevestigd in De Zwaanstraat, een badinrichting in exploitatie genomen. Ruim veertig jaar later verrees op die plek het Badhotel, dat afgezien van de kerk op het Julianaplein elk ander gebouw in het dorp volledig in zijn schaduw stelde. En met de opening van het Badhotel is de geschiedenis van Wijk aan Zee als badplaats dan wel niet begonnen, maar er ging wel een krachtige aanzet tot groen van uit. Die aanzet weerspiegelt zich duidelijk in de bouwgeschiedenis van het dorp in de afgelopen 125 jaar.

   

De eerste uitbreiding van de badplaats Wijk aan Zee vormde een boog, die begon bovenaan de Rijckert Aertszweg en die eindigde bij de kruising van de Van Ogtropweg en de Hogeweg, bij het huidige hotel De Klughte. Al deze statige huizen werden gebouwd in opdracht van vermogende Amsterdamse families in de laatste twintig jaar van de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw. Het was een typische strookverkaveling met nadruk op afzonderlijke percelen en panden. Later, in de jaren tot aan 1914 werden vooral vakantievilla’s gebouwd langs de Julianaweg. Daarbij hield men meestal de zuidzijde aan, de huizen aan de noordzijde waren van een aanzienlijk bescheidener opzet.

 

Het groeiende strandtoerisme en daarmee de zomerse uitbreiding van het inwonertal speelde de middenstand van Wijk aan Zee in de kaart. Er kwamen rondom het Julianaplein en langs De Zwaanstraat en de Voorstraat steeds meer winkelneringen. Toen het toerisme naar de kust werkelijk voet aan de grond kreeg in Wijk aan Zee bouwde men langs de Voorstraat en de Verlengde Voorstraat een reeks van pensions en hotels voor de zomergasten met een gemiddelde beurs.

 

De huizen aan de oostzijde van de Van Oldenborghweg zijn omstreeks 1920 gebouwd en zij dienden voornamelijk als huisvesting voor werkmansgezinnen. In de schrale jaren die volgden op de beurscrisis van eind 1929 liepen de bouwactiviteiten in het dorp aanzienlijk terug. Aan de Voorstraat kwamen nog wat huizen te staan in de stijl van de jaren ’30 en ook verspreid in het dorp, maar daar bleef het dan bij.

 

Na de sombere jaren van de Twee Wereldoorlog leefde Wijk aan Zee op. In het dorp had de bezetter betrekkelijk weinig structurele schade aangericht en de luchtaanvallen van de Geallieerden waren vooral gericht geweest op militaire installaties. Op foto’s uit de zomer van 1945 is goed te zien hoe de bedieningscabines van de radarinstallaties zijn doorzeefd met kogelinslagen. Het jaarlijkse strandtoerisme herstelde zich in de jaren na de oorlog. Veel inwoners van Wijk aan Zee zochten niet langer seizoenwerk in de tuinderijen en  op het strand. Zij ging aan de slag bij het Hoogovenbedrijf dat zich in die jaren snel uitbreidde. De welvaart in het dorp groeide, steeds meer mensen konden zich de koop van een huis veroorloven. Maar huizen waren in die tijd bijzonder schaars, vooral omdat de nationale geldmiddelen en de bouwmaterialen werden gebruikt voor het herstel van de schade in de voormalige oorlogsgebieden en gebombardeerde steden. En dan komt toch nog, in 1952 in Wijk aan Zee de eerste bouwstroom op gang. Tussen de Voorstraat en de Dorpswei werd het eerste deel van de Zeecroft gebouwd in opdracht van de Bouwkas van de Nederlandse Gemeenten, later bekend geworden als het Bouwfonds. Deze samenwerking van gemeenten in Nederland streefde naar de bouw van goede koopwoningen voor een redelijke prijs. Een tweede woningcomplex kwam tot stand in de strook tussen de Dorpsduinen en de Relweg. Een derde voorbeeld van deze langszij- of parallelverkaveling is de rij woningen tussen de Julianaweg en de Dorpswei. Die rij is in het plaatselijke spraakgebruik beter bekend als de nieuwe Zeecroft.

 

Op deze kleinschalige strookbebouwing volgde langs reeds bestaande straten een nieuwe, meer ingrijpende aanpak. Een brede strook duingebied achter de Verlengde Voorstraat werd tussen de Relweg en de weg langs het toenmalige boothuis van de KNZHRM bouwrijp gemaakt. Op die bouwde men huizen ter weerzijden van de Tappenbeckstraat en aan de zuidzijde van de Stetweg. Een ingreep van nog grotere omvang volgde toen tussen de Oldenborghweg en het oostelijke uiteinde van het dorp de Burgemeester Rothestraat werd aangelegd en bebouwd. Haaks op de Verlengde Voorstraat kwam de bebouwing van het Boothuisplein en de Meeuwenweg tot stand. De twee rijstroken en het plantsoen in het midden gaven deze straten de allure van een boulevard, maar dan wel van een bijzonder korte boulevard, die uitmondde op een duinpad.

 

Omstreeks 1965 kwam een bijzonder complex in het westelijk deel van het Paasdal tot stand. Het terrein werd voor het eerst niet in stroken, maar in een cluster verkaveld. De woningen waren bedoeld voor seizoenhuisvesting en niet voor vaste bewoning. Bovendien waren ze geheel gelijkvloers. Na verloop van tijd is de tijdelijke bewoning komen te vervallen en de huizen zijn een bijzonder deel van de bebouwing van Wijk aan Zee gaan vormen. Weinig jaren daarna kwam het eerste gedeelte van de Burgemeester Rothestraat tot stand. Het werd opnieuw een verkaveling in stroken, waarbij men de loop van de Van Oldeborghweg volgde aan de westzijde en die van de Zeestraat aan de zuidzijde. Het duurde niet lang voordat aan de noordzijde van de Burgemeester Rothestraat de eerste woningen werden gebouwd. De verkaveling volgde nauwkeurig de loop van de straat en vormde daarmee het spiegelbeeld van het eerder gebouwde complex. Tegen het einde van de jaren zeventig sloot de laatste gevelrij de Burgemeester Rothestraat af aan de noordoostzijde. Hier viel de keus op een clusterverkaveling. Alle huizen van dit laatste complex stonden rondom een hofje geschikt. 

 

 

2 De bouwstijlen

 

Bijna honderd jaar, van 1880 tot 1982 torende het Badhotel van Heinrich Tappenbeck boven Wijk aan Zee uit. De bouwstijl was geheel naar de geest van die tijd. Bouwheren en bouwmeesters gingen graag te rade bij bouwstijlen uit het verleden en ook het Badhotel droeg daar de sporen van. Het gebouw als geheel leek nog het meest op een hoge kerk met een afgeplat dak. In plaats van middeleeuwse waterspuwers stonden bij dit gebouw op de dakrand torenbouwsels. De ramen op de hoogste verdieping en op de middenverdieping vormden een hoogopgaande raampartij, wat het gebouw van de straat af gezien nog hoger deed lijken dan het al was. De ramen zelf waren ontleend aan de Classistische gebouwen van de 18de eeuw, keurig met een roedeverdeling. Op de tussenverdieping had de vierdeling van roeden zelfs de klassieke verhouding van 5 : 3.

 

Op de begane grond  was niet zozeer sprake van een bepaalde leenstijl in de vormgeving. De ramen waren zo hoog als de caféruimten en de eetzalen dat nodig maakten. Langs de Gasthuisstraat waren ze afgedekt met schermen tegen de ochtendzon. Op zijn Italiaans, want de neerhangende schermen pasten in de raamopeningen. De hoofdingang op de hoek van het Julianaplein was tegen zon en regen afgeschermd met een afdak. Het afdak liep links en rechts van de ingang door langs de gevels en het steunde op dunne pilaren van gietijzer. Onder het afdak stonden de tafels en stoelen van het terras.

 

De vakantievilla’s van de gegoede burgerij van Amsterdam waren gebouwd naar de wensen van de opdrachtgevers. In zoverre waren zij sterk verschillend naar omvang en naar vormgeving. Merkaardig genoeg, waren ondanks die verschillen in vormgeving, de overeenkomsten in bouwstijl toch aanzienlijk. In al deze gebouwen overheerste sterk de opgaande lijn, het verticale element. Dat is nog steeds goed te zien bij Mare Sanat en de Klughte en het was in het verteden heel goed te zien bij hotel De Wijck, bij de gesloopte uitspanning De Tuinberg en bij de villa De Woeste Hoogte, eveneens gesloopt. Ook het woonhuis Santiago heeft een sterke verticale lijnvoering. Datzelfde beeld is ook te vinden bij de woningen op de hoek van de Hogeweg en de Julianaweg. Nog steeds is te zien dat deze hoogopgaande stijl verderop in de Julianaweg zijn voortzetting kreeg. De voormalige dubbelvilla Adelaide was als het ware het fiere sluitstuk van de reeks. Naarmate de tijd verstreek vertoonden de opdrachtgevers in de jaren tussen de twee Wereldoorlogen een voorkeur voor een brede, horizontale lijnvoering in hun bouwwerk. Het voormalige Lutherse verzorgingshuis Egbertduin was daar een overduidelijk voorbeeld van. Ook Huize Henriette en de villa het Zonnetje, vrijwel aan het eind van de Julianaweg pasten in datzelfde beeld. 

 

Zeer kenmerkend voor de gelegenheden, hotels en pensions in De Zwaanstraat, de Voorstraat en de Verlengde Voorstraat was het aanbouwen van balkons op de verdiepingen en gaanderijen op de begane grond. Op de hoek van  De Zwaanstraat en de Rijckert Aertszweg stond het gebouw Welgelegen en op de hoek van De Zwaanstraat en het Julianaplein stond het gebouw Rijckaertsz. Beide rijkelijk voorzien van torenbouwsels, balkons en gaanderijen  Bij de panden van de weduwe Bol is nog steeds een gaanderij te vinden, maar tot in de 40er jaren van de vorige eeuw zette de reeks zich voort op de hoek van de Voorstraat en de Neeltje Snijdershof, bij het pension Irene. En zo vervolgens tot aan het cafe De Zon uit 1912, zij het met enkele onderbrekingen. Ook het pand van Gertenbach (nu Efes) en de kapsalon Variant laten op oude foto’s balkons zien of minstens een gaanderij. Het pension dat ooit stond op de hoek van de Verlengde Voorstraat en de Relweg vertoont een gelijk beeld; net als het oorspronkelijke hotel Kennemerduin. Verderop langs de Verlengde Voorstraat ging het bij de burgermanshuizen zo door en dat is hier en daar ook nog te zien. Een groep huizen met een gaanderij is daar nog overgebleven, of als zodanig herbouwd danwel gerenoveerd.

 

Het ruime gebruik van serres aan de villa’s en  balkons en gaanderijen aan de pensions en burgermanshuizen had alles te maken met behoefte aan beschutting tegen de zon en de wind. Het dorp was in het algemeen open en boomloos. Want ook al stonden er vrij veel bomen en struiken op beschutte plaatsen in het dorp in de eerste helft van de 20ste eeuw, toch ontleende het dorp zijn karakter vooral aan het open landschap met de dorpsweide als het meest kenmerkende element. 

 

De architectuur in de badplaats Wijk aan Zee is nooit vooruitstrevend of baanbrekend geweest. De behoudende inslag van gegoede en minder welgestelde bouwheren, bracht wel met zich mee in het tijdvak 1880-1940, dat de bouwwerken tamelijk nauwgezet de mode van die tijd volgden. Maar steeds bescheiden en met mate. Het enige woonhuis, dat in zekere zin als radicaal modern viel aan te wijzen, dat stond voor de Tweede Wereldoorlog even ten westen van Westerduin. Het huis had een rechthoekige vorm, een plat dak en gesloten gevels. Het huis was opgetrokken uit een donkere baksteen, voor zover dat uit oude foto’s nog valt op te maken. Voor het overige streefde men, zeker bij de oudere vakantievilla’s, naar een wat statige landhuisstijl. Bij de hotels en de pensions werd de bouwstijl geheel dienstbaar aan het gebruiksdoel en daar stonden de bouwkundige eisen meer op de voorgrond dan de stijloverwegingen van de architectuur.

 

Het eerste complex dat na de Tweede Wereldoorlog in Wijk aan Zee is gebouwd, kwam aan de Zeecroft te staan. De woningen hebben een bijzondere bouwstijl. Deze huizen met hun witte muren en dakkapellen en hun zwarte daken zijn duidelijk ontwerpen uit de Delftse School in de architectuur. Deze stroming in de bouwkunde had kort voor de oorlog veel invloed in ons land. Architecten uit de Delftse School zochten aansluiting bij vertrouwde bouwvormen. Zo verschenen in de jaren ’30 van de vorige eeuw steeds meer openbare gebouwen, zoals scholen, gemeentehuizen en kantoren in traditionele stijl. Ook de stijl van kerken en villa’s werd een stuk meer behoudend. Die hang naar traditie ging zelfs zo ver, dat op het nieuwe land van de Wieringermeerpolder boerderijen en woonhuizen verrezen naar ouderwets model. Na de oorlog viel er veel te herstellen in ons land en de Delftse School beleefde gloriedagen.

 

De verdienste van de architect van het complex aan de Zeecroft is dat hij het aanzicht van het dorp sterk verbeterd heeft. Niet langer had de bezoeker uitzicht op de achtererven en de schuren van de Voorstraat vanaf de dorpsweide. Deze architect was trouwens geen rechtlijnig navolger van de Delftse School, want vooral bij de alleenstaande woningen is de belijning van de vensters geheel in de geest van de jaren ’50.

 

Op de kenmerkende bouw aan de Zeecroft volgden de uitbreidingen tot 1965. De doorzonwoning is daar zeer bepalend voor het beeld. Dat is goed te zien van de kop van de Tappenbeckstraat in het westen tot aan het einde van de Burgemeester Rothestraat in het oosten van het dorp;  vrijwel in een doorgaande lijn. De doorzonwoning voldeed geheel aan de eisen van destijds. Het uiterlijk was licht klassiek, want twee verdiepingen en een pannendak. De woningen waren betrekkelijk snel en goedkoop te bouwen, omdat zij geen verspringende muren kenden en geen ornamenten. Ramen en muren waren rechttoe, rechtaan. De doorzonwoning  voldeed aan de sterke behoefte aan openheid, heldere lijnvoering en ruime toetreding van zon en licht. Hier had de Moderne School in de architectuur eindelijk de bouwondernemers en de huizenkopers achter zich gekregen. De dwingende strakheid van de doorzonwoning had niettemin een betrekkelijk kort leven, ook in Wijk aan Zee. De nieuwe leefstijl van gezinnen vereiste centrale verwarming in alle vertrekken van het huis. Maar dat ging nu eenmaal moeilijk samen met grote vensters van enkel glas, zeker toen energie schaars en duur werd en milieueisen zwaarder gingen wegen.  

 

3.4    Het grondplan van de nederzetting Wijc op See

_______________________________________________________________________________

 

·         De nederzetting in hoofdlijnen

·         De wijze van bouwen

·         De naamgevers van de straten

 

_______________________________________________________________________________

 

1 De nederzetting in hoofdlijnen

   

De reiziger, die nu het dorp binnenkomt, ziet een dorp dat de dorpswei omarmt en dat zelf lijkt te rusten in de omhelzing van de duinen. In vroeger tijden was de grens tussen het dorp en de dorpswei heel wat minder scherp afgetekend dan nu het geval is.

 

Het is redelijk om aan te nemen, dat het grondplan van Wijc op See van stonde af aan bepaald is geweest door een enkele weg, die als een boog liep van het uiteinde van de Kerkstraat (nu De Zwaanstraat) in het zuiden tot aan de monding van de Rel in het noorden, destijds de enige toegang tot het strand. Heden ten dage bestaat diezelfde hoofdas van Wijk aan Zee uit drie delen: De Zwaanstraat, de Voorstraat en de Relweg. Vanaf deze boog vertakten zich eeuwenlang twee wegen naar het achterland. De eerste aftakking begon ter hoogte van de huidige Stetweg en voerde naar Heemskerk. De tweede aftakking begon even voorbij de kerk op het Julianaplein en voerde naar Beverwijk. Een derde weg, nog moeilijker te begaan dan de andere twee, liep tussen het Paasduin en de Tuinberg door en kwam via Rooswijk uiteindelijk uit in Velsen; het Noordzeekanaal bestond nog niet. De kaart die Simon Meeusz afkomstig uit Edam in 1539 van Wijc op See maakte, laat de in een boog verlopende weg tussen de kern van het dorp en strand zien, evenals de twee aftakkingen naar het achterland.

Ook is te zien, dat het overgrote deel van de bebouwing ligt in de driehoek Gasthuisstraat - De Zwaanstraat – Van Ogtropweg.

 

Er is weinig reden om aan te nemen, dat het netwerk van wegen in voorafgaande eeuwen veel anders zal zijn geweest. Wat opvalt aan deze kaart en daarmee aan het oude grondplan van de nederzetting Wijc op See, dat het dorp altijd twee kernen heeft gehad. Een kern om te wonen en een kern om te werken. Deze indeling werd afgedwongen door de geleding van het landschap, dat de stichters aantroffen. In het noorden verenigden zich kleine duinbeken tot de Rel, die langs de Seecroft stroomde en in zee uitmondde. Deze gesteldheid van het landschap maakte de noordwesthoek van de dorpswei kwetsbaar. Bij het samengaan van storm, springtij en zware regenval kon de Rel zijn water niet afvoeren en dan werd de dorpswei drassig of kwam zelfs geheel onder water te staan. Maar buiten de zware regens in het voorjaar en in de herfst, was deze hoek van de Seecroft een weinig aantrekkelijke plek om te wonen. In de duinsleuf die naar zee leidde, waaide het vrijwel altijd en zodra er wind stond was er toen sprake van zandverstuiving. Om die reden was de noordwesthoek van de Seecroft een goede plek om het vistuig en de vis te drogen, vlak bij de aanvoer vanaf het strand. De stichters van de nederzetting Wijc op See hadden goede  redenen om hun huizen tegen de hoge duinen te bouwen. Zo lagen zijn in de luwte, beschut tegen de winterstormen. De zoetwaterbel in de hoge duinen verzekerde hen van een doorlopende toevoer van schoon drinkwater in de putten. Vermoedelijk lag in het prille begin de kern van het dorp even wat hoger dan de Seecroft, zodat men niet onmiddellijk natte voeten kreeg als de waterafvoer langs de Rel weer eens haperde.

 

De oude kronieken maken bijherhaling melding van overstromingen. Zo kon in 1726 en 1739 de dominee niet preken omdat het dorp en de kerk onder water stonden. Minstens eenmaal bracht de wateroverlast de onderhuidse spanningen in de dorpsgemeenschap aan de oppervlakte. In 1739 werd ene Albert van Kleef, een ‘paap’, ervan beschuldigd dat hij een dijkje had doorgestoken met als gevolg wateroverlast voor het dorp. Veel had de beschuldiging kennelijk niet om het lijf, want het kwam niet tot een rechtzaak. Zou dat wel het geval zijn geweest dan had Van Kleef voor zijn leven moeten vrezen, want op het doorsteken van dijken stond toentertijd de doodstraf. Het Hoogheemraadschap had in die tijd de bevoegdheid deze misdaden te vervolgen, de daders te berechten en de eventuele doodstraf ten uitvoer te leggen.

 

Ter afsluiting van deze paragraaf over het grondplan van Wijc op See een aantekening over een bijzondere doorgang. Het Franse Pad werd aangelegd in 1800 gelijk met de bouw van de lunetten van Krayenhoff hoger op het duin. In geval van oorlog zou Wijk aan Zee in het vuur van deze linie komen te liggen. Volgens het krijgsplan, waarop de aanleg van de linie berustte, zou men bij nadering van de vijand het dorp slopen om zo een vrij schootsveld te hebben. Mits daarvoor voldoende tijd zou zijn. Zo niet, dan zou het eigen vuur en dat van de vijand zijn vernietigende werk wel doen. Het tweede deel van het krijgsplan hield in, dat de verdedigers van de linie zich zo lang als maar mogelijk zouden handhaven in het voorterrein. De puinhopen van het dorp vormden alsdan een goed terrein voor het verdedigende gevecht. In deze fase van de strijd zou men behoefte hebben aan een aanvoerweg om de eenheden in het voorterrein te voorzien van voedsel, kruit en kogels. Ook kon men langs deze weg versterkingen laten aanrukken. Daar diende het Franse Pad voor. Zodra de eigen troepen zich moesten terugtrekken uit het voorterrein was er een veilige vluchtweg nodig. Daar diende het Franse Pad dan toe in een latere fase van het gevecht.

 

2 De wijze van bouwen

 

In de tijd dat Wijc op See werd gesticht, gebruikte men nog wat het land te bieden had voor de bouw van huizen. Bij het ontginnen van de Seecroft hakte men bomen en struiken om en rooide men de wortelstronken. De boomstammen werden oplengte gekapt en in twee rijen rechtop in de grond gezet. Ging het om een wat groter onderkomen, dan gebruikte men twee dubbele rijen boomstammen. De stammen steunden de balken van het dak, dat men als regel met riet bedekte. Riet was gemakkelijk te snijden in de natte duinpannen in de onmiddellijke omgeving. Vanwege het brandgevaar hield men de onderlinge afstand tussen de gebouwen vrij groot en daarmee was de omvang van de afzonderlijke percelen min of meer gegeven. Van de twijgen van de bomen en struiken vlocht men matten en die werden tussen de boomstammen geplaatst. Het vlechtwerk werd afgedicht met een mengsel van kalk en aarde. Een gat in het dak diende als afvoer van de rook. Binnen kringelde de rook van een turfvuur omhoog. Turf werd niet alleen gestookt omdat het veel goedkoper was dan hout of kool, het was ook nog eens dichtbij in het achterland te winnen. Maar lange tijd is de voornaamste reden geweest, dat een turfvuur weinig vonken afgeeft ook bij een windvlaag en zo beperkte men het brandgevaar. Om diezelfde reden hield men rekening met de overheersende westenwind. De ingang kreeg steeds een  plaats aan de oostkant van het huis.

 

In de eerste tijd van de nederzetting zullen de mensen, de huisdieren en het vee in dezelfde ruimte overwinterd hebben. Eerst bij de komst van de baksteen zal daarin geleidelijk verandering zijn gekomen. Niet alleen was het daarvoor nodig, dat men leerde grote hoeveelheden stenen uit rivierklei te bakken en dat de scheepvaart met het rivierengebied goed op gang kwam, maar was het ook nodig dat welvaart van  de bewoners van Wijc op See zou toenemen. Zodat zij een huis konden betalen, dat gedeeltelijk uit steen werd opgetrokken. Die tijd brak aan tegen het einde van de 13de eeuw, toen de bevolking van de steden begon te groeien. In de steden leefde men vooral van bier, brood en bonen. Vlees was voor velen te duur en daarom at men bokking (= gerookte haring) en dat was van groot belang voor het vissersdorp Wijc op See. In het midden van die eeuw werd arbeidskracht plotseling schaars en duur, een rechtstreeks gevolg van de eerste grote pestepdemie, die West-Europa teisterde. Het onmiddellijk gevolg was dat de welvaart en de vrijheden van de overlevenden sterk toenamen. De derde trap in de stijging van de welvaart was, dat er eens een eind kwam aan de verwoestende twisten van de hoge adel. Dat gebeurde in 1429 toen Filips, de hertog van Bourgondie, de graaf van Holland werd. Toen brak de bloeitijd van Wijc op See aan en terstond zette men zich aan de bouw van een indrukwekkende kerk. Het schip van de kerk en het koor hadden samen een lengte van vijftig meter. Het metselwerk van de toren reikte dertig meter hoog.

 

Helaas, in 1477 en zeker in 1491 had het geluk van Wijc op See reeds uitgediend. Ook later had het dorp nog veel te lijden van de wisselvalligheden der geschiedenis, maar allengs tekende zich een beeld af. Langs de Kerkstraat stond ter weerszijden een rij huizen met trapgevels, tekeningen uit de 18de eeuw laten dat ook zien. Tot ver in de 19de eeuw stonden vissershuisjes, schuren en een enkele stolpboerderij in de oud driehoek ten zuidwesten van het Kerkplein. Op een van de alleroudste foto’s van Wijk aan Zee, gemaakt in 1870 is dat nog te zien.