1 De Vuurbaak
1.1 De opkomst en neergang van de visserij
· Een punt van herkenning
· Een kust met rijke visgronden
· Een tijd van grote bloei
· De Enquestre van 1494
· Aanhoudende tegenspoed
· Het einde van de visserij
1.2 De samenloop van zeestromen
· De vloedstromen van de Noordzee
· De plankton eter van de zee
· De paaiplaatsen van de haring
· De schelpenvisserij
1.3 De visserschepen en hun vistuig
· De ‘Zijdsche’ bom
· De haringbuis
· De beug of kolvisserij
· Het verbod van de korvisserij
· De regels van de visafslag
1.4 De reis naar verre oceanen
· De handelsvaart
· De walvisvaart
· Het scheepje in de kerk
1.5 Van badplaats naar woonplaats
· Botaniseren in de Breesaap
· Zeebaden in de Moriaen
· De droom van Tappenbeck
· Nieuwe groepen, nieuwe kansen
· De getijstromen van het toerisme
1. De Vuurbaak
1.1 Opkomst en neergang van de visserij
· Een punt van herkenning
· Een kust met rijke visgronden
· Een tijd van grote bloei
· De Enquestre van 1494
· Aanhoudende tegenspoed
· Het einde van de visserij
1 Een punt van herkenning
De vuurbaak bood de vissers een punt van herkenning, hoog op het duin ten zuidwesten van het dorp Wijc op See. Een tekening met bomschuiten op het strand van Wijc op See laat een bouwsel zien, dat veel op een toren lijkt. Daar werd bij nacht vuur gestookt om de vissers de weg naar huis te wijzen. Het vuur werd brandend gehouden door een vuurboetstoker onder toezicht van twee vuurboetmeesters. Deze mannen bekleedden een openbaar ambt. Zij waren aangesteld door de vroedschap, oftewel de schout en schepenen tezamen. Om in aanmerking te komen voor de aanstelling tot vuurboetmeester moesten de mannen zelf ruime zeemanservaring hebben en zij moesten het lezen en schrijven machtig zijn. Dat gaf oude vissers een nuttige taak aan de wal. In de jaren zestig van de 20ste eeuw heeft men op deze plaats een stenen vlak blootgelegd. Het vierkant meet ongeveer vier bij vier meter en het bleek opgebouwd uit zeer oude, middeleeuwse stenen. Het vlak was niet alleen met zand, maar ook in verschillende lagen, bedekt met de resten van houtvuren. De nachtwaker van Wijc op See, ook door de vroedschap aangesteld, moest op zijn nachtelijke ronden de schepen op het strand bewaken. Waren er nog schepen van ‘Wijc’ ter zee, dan moest hij opletten, dat de vuurbaak voldoende licht verspreidde. Was dat niet het geval, dan moest hij de vuurbaakmeesters waarschuwen.
2 Een kust met rijke visgronden
Ruim voordat Wijc op See in 1275 opduikt in de geschriften hadden zich daar al mensen gevestigd. De vallei in de duinen had de nieuwkomers weinig te bieden. Het land werd geteisterd door scherp stuifzand, de grond was moeilijk te ontginnen en nauwelijks geschikt voor de teelt van gewassen. Zelfs naar de maatstaven van die tijd was het een bar en onherbergzaam oord. Maar, de visgronden dicht onder de kust waren rijk aan kabeljauw, schelvis, schol en vooral aan haring. De korte afstand tussen de visgronden en de kust was in die tijden van levensbelang, want voor de invoering van het ‘kaken’ was de vis zeer bederfelijk. Ter hoogte van de Hollandse kust kon de vis nog dezelfde dag aan land gebracht worden voor afslag, verwerking en vervoer naar het achterland.
De visserij op de onderscheiden vissoorten was gebonden aan bepaalde gedeelten van het jaar. Zo viste men in de winter op schelvis, ongeveer van november tot februari. In het tijdvak dat volgde, viste men tot mei op schol en kabeljauw. In de voorzomer maakte men jacht op de zalm en de wijting. Vanaf juni tot november stond de visserij geheel in het teken van de haringvangst. Die tak van de visserij werd in de loop van de tijd steeds belangrijker. De eerste reden was, dat de bevolking van de Hollandse steden geleidelijk toenam en voor die bevolking bestond het voedsel vooral uit bonen, brood en bokking (gerookte haring). Althans, tot aan de komst van de aardappel. De tweede reden was, dat tegen het einde van de 14de eeuw men reeds ter zee een deel van de ingewanden verwijderde, het zogenoemde ‘kaken’. Dat maakte het mogelijk langer op zee te blijven, grotere ladingen aan land te brengen en vis tot dieper in het achterland te verkopen. In de loop van de tijd maakten de vissers gebruik van ‘haringjagers’.
3 Een tijd van grote bloei
De visserij bracht Wijc op See tot grote bloei en het dorp groeide vanaf 1450 uit tot een van de grootste aan de kust van het Noorderkwartier van Holland. Het dorp telde toen niet minder dan 250 haardsteden en 42 zeegaande schepen, waaronder visserspinken, bomschuiten en haringbuizen. De visserij in het dorp bracht niet alleen werk voor de varensgezellen, maar ook aan visrokers, nettenboeters, touwslagers, timmerlieden, voerlieden en beurtschippers. Niet alle vis, die te Wijc op See werd aangevoerd, werd gevangen door de eigen vloot. De ‘buitenvis’ had een aanmerkelijk aandeel in de omzet van de visafslag van het dorp. Die vis kwam voor een groot deel uit de Oostzee en veel bootsgasten uit die omstreken werden destijds ‘oosterlingen’ genoemd in het dorp.
4 De Enquestre van 1494
De opkomst en neergang van Wijc op See was door de eeuwen heen sterk gebonden aan de visserij. Zodra schepen door kaapvaart ter zee of plundering te land verloren gingen, daalde het aantal haardsteden sterk. Zo telde het dorp, na plunderingen in 1489 en 1491, volgens een ‘Enquestre’ uit 1494 nog maar 14 zeegaande schepen en 160 haardsteden, een verlies van tweederde gedeelte van de schepen. Die gebeurtenissen hebben Wijc op See in zijn groei ernstig geknakt en eeuwen van neergang zijn daarop gevolgd. Verder droeg aan de neergang bij, dat de opkomende havensteden in het achterland, zoals Enkhuizen en Hoorn, de haringvisserij steeds meer in hun macht kregen. Het ‘Placaet ende Ordonnantie’ van keizer Karel V uit 1519 inzake de haringvaart en aanverwante aangelegenheden liet de kustvissers nog enige vrijheid, maar het raakte op de achtergrond. Want zodra het hertogdom Gelre, het bisdom Utrecht, het Oversticht en Friesland in de Habsburgse kring werden opgenomen, werd de Zuiderzee een veilig vaarwater, vrij van kapers en oorlogsschepen. Dat maakte het mogelijk, dat steden als Hoorn en Enkhuizen zich sterk konden toeleggen op de haringvangst op de Noordzee. In 1567 hebben die steden en nog enkele het College voor de Groote Visscherij opgericht. De macht van het College nam zo sterk toe dat het in 1663 kon verordenen, dat de vissers van de ‘Zijde’ (= de kust) hun vis niet langer mochten kaken. In 1676 volgde de bepaling dat de kustvissers niet langer mochten vissen met het schrobnet of de ‘kor’. Dat was een slag voor Wijc op See, men was in dit dorp sterk gericht op de korvisserij. Het verbod leidde tot ongeregeldheden in het dorp en uiteindelijk werd het ingetrokken in 1689. Maar het kwaad was inmiddels geschied. In de oorlogen ter zee van de 16de tot en met de 18de eeuw raakten veel kustvissers hun schepen kwijt aan inbeslagname en kaapvaart. De opkomst van de aardappel in de 18de eeuw heeft het brood en de vis uit het volksvoedsel verdrongen. De vraag naar vis nam bijgevolg sterk af en de rokerijen verdwenen uit Wijc op See en ook elders.
5 Aanhoudende tegenspoed
De eerste helft van de 18de eeuw verliep nog tamelijk rustig, maar in 1751 werd het verbod op het kaken van de vis nogmaals uitgevaardigd. In 1781 kwam de uitvoer van vis naar de Zuidelijke Nederlanden geheel tot staan. In de voorafgaande jaren waren de invoerrechten van lieverlee opgevoerd en de opbrengsten van de vis in Holland bereikten telkens opnieuw een dieptepunt. In diezelfde jaren vormde zich een zandbank voor de kust ter hoogte van Wijc op See en de schippers konden het strand nog maar moeilijk bereiken. Alsof dat nog niet genoeg was, stoof de toegang tot het strand bij de uitmonding van de duinbeek, de Rel in 1798 zo goed als dicht, na langdurige verwaarlozing van de helmaanplant op de duinen van de zeereep. Dat bracht de afvoer van vis en schelpen van het strand ernstig in gevaar. De tegenspoed hield aan, het IJ werd gaandeweg ondieper en men kon nauwelijks nog met de beurtschepen vanaf Beverwijk de vis afvoeren naar het achterland.
6 Het einde van de visserij
De Franse tijd en de steeds weerkerende oorlogen met Engeland legden de visserij in Wijc op See zo goed als stil. Hoe sterk de omvang van het dorp en de vissersvloot nog steeds met elkaar in verband stonden, mag blijken uit het gegeven, dat in 1809 het dorp nog maar 2 zeegaande schepen telde en slechts 60 haardsteden. Dat is vele malen minder dan de aantallen rond 1450. Het Continentaal Stelsel van keizer Napoleon was gericht op een algehele blokkade van Engeland. Het stelsel legde de handelsvaart en de visserij zelfs volledig stil en het hield van 1810 tot 1813 stand. Het betekende de nekslag voor de visserij van Wijc op See, de vissers vervielen tot bittere armoede. Daarna is het nooit meer goed gekomen, want in 1833 hield de laatst overgebleven visser er mee op. De eigenaar van de boot, schoolmeester Vink, hield de bomschuit nog jaren aan. In 1861 kwam ten slotte het schip in de verkoop. De beroepsvisserij van Wijc op See had afgedaan.
1.2 De samenloop van zeestromen
· De vloedstromen van de Noordzee
· De plankton eter van de zee
· De paaiplaatsen van haringen
· De schelpenvisserij
Twee maal daags dringen de vloedstromen van de Atlantische Oceaan de Noordzee binnen. Vanuit het noorden door de brede monding tussen Schotland en Denemarken. Vanuit het zuiden door het Kanaal en het Nauw van Calais. De omwenteling van de aarde duwt deze stroom tegen de kusten van Vlaanderen, Zeeland en Holland. Hij voert de eitjes en larven mee van de vissen die in de monding van het Kanaal hebben gepaaid. Dit dierlijke plankton, zoöplankton genoemd, is overvloedig genoeg om vele soorten vis aan te trekken. Maar dat verklaart de rijkdom van de visgronden slechts voor een deel. De grote rivieren, en dan vooral de Schelde, de Maas en de Rijn, voeren vanuit hun stroomgebied niet alleen zand en slib, maar ook voedingstoffen aan. Dat maakt dat deel van de Noordzee nog eens te meer aantrekkelijk voor plantaardig en dierlijk zeeleven.
Onmiddellijk voor de kust is het zeewater nog troebel van het meegevoerde zand en slib, maar verder op zee is dat materiaal bezonken. Daar kan het licht diep doordringen in het water. Dat licht zet het plantaardig leven, fytoplankton genoemd, aan tot de omzetting van de voedingstoffen in plantencellen. In een zo gunstige omgeving vermenigvuldigt het fytoplankton zich snel en dan is het een rijke voedselbron, niet alleen voor vissen, maar ook voor bodemdieren. De mosselen en andere schelpdieren filteren hun voedsel uit het zeewater. Van tijd tot tijd spuien de bodembewoners sperma en eitjes en een deel daarvan raakt bevrucht. Dat alles bij elkaar is een voedzame soep voor het maritieme leven, zoals vissenlarven. Voor het overige doen de larven van de vissen, die met de vloedstroom mee naar het noorden drijven, zich tegoed aan het plantaardig en dierlijk plankton. Zij dienen op hun beurt de meer volgroeide vissen tot voedsel.
2 De plankton eter van de zee
De zandspiering is de planktoneter van de zee. Hij leeft van plankton en bereikt een lengte van ongeveer 25 centimeter. Op deze vis jagen niet alleen de makreel, de koolvis, de wijting, de schelvis en de kabeljauw, maar ook de bruinvis, de witsnuitdolfijn en de zeehond. Ter overleving zwemmen de zandspieringen dan ook in heel grote scholen door de Noordzee, bovendien zijn zij in staat om zich snel in de zandbodem in te graven om zo aan hun belagers te ontkomen. Het helpt ze te overleven, maar toch sneeft niet minder tweederde in de bek van een viseter. Slechts eenderde krijgt de kans zich voort te planten. Altijd nog zo’n half miljoen ton in de Noordzee. Het rijkste zeeleven blijft beperkt tot een smalle strook voor de kust. Verder de zee op is het water nog steeds helder, maar de invloed van de rivieren vermindert sterk en valt uiteindelijk geheel weg. Dat deel van de zee is armer aan voedingstoffen. Er zwemmen weliswaar prooivissen en roofvissen, maar van een volledige voedselketen is geen sprake meer.
3 De paaiplaatsen van de haring
Er is nog een derde verschijnsel dat sterk bijdraagt aan de rijkdom van de visgronden aan de oostelijke kusten van de Noordzee. Jaarlijks zwemmen de vissen, die in de Waddenzee tot wasdom zijn gekomen, zoals haringen en schollen, terug naar de zuidelijke paaiplaatsen, gelijk duizenden generaties van vissen hen daarin zijn voorgegaan. Die geslachtsrijpe vissen volgen weldoorvoed, de meest vruchtbare strook langs de kust. De visgronden dienen deze vissen tijdens hun trek tot jachtgebied. Zo bereiken zij in de best mogelijke gezondheid hun paaiplaatsen. Van oudsher kent de Noordzee drie ondersoorten in het haringbestand. De Shetlandharing heeft de Schotse kusten tot paaiplaats van augustus tot september, de Doggersbankharing paait van augustus tot oktober boven dit onderzeese heuvelland en de Southern Bight zoekt de paaiplaatsen op aan de monding van het Kanaal van november tot januari. De vaste trek van de ondersoorten van de Noordzeeharingen naar de afzonderlijke paaigebieden heeft zich vele duizenden jaren voltrokken. Vanaf het begin zijn de vissers van Wijc op See nog onder de Hollandse kust gebleven, maar sinds de 18de eeuw waagden zij zich bij de Doggersbank en de Shetland Eilanden.
In de tweede helft van de 20ste eeuw is het leven in de Noordzee ernstig verstoord geraakt door overbevissing. Zo worden enkele soorten, waaronder de kabeljauw, vrijwel met uitsterven bedreigd en vangen de vissers van andere soorten alleen nog maar (te) jonge exemplaren. De scheikundige vervuiling van het zeewater heeft geleid tot een opeenhoping van giftige stoffen. Eerst in het fytoplankton en vervolgens in het zoöplankton, daarna in de prooivissen en de roofvissen en uiteindelijk ook in de zeehond, de bruinvis, de dolfijn en zelfs in de mens. Deze opeenhoping begint een levensbedreigende omvang aan te nemen, vooral vanwege de te verwachten schade aan het genetisch erfgoed.
4 De schelpenvisserij
Naast de visserij, de koopvaardij en de walvisvaart heeft de schelpenwinning altijd een belangrijke plaats ingenomen in het dorp Wijc op See. De schelpen schraapte men van het strand en zij werden op de Stet gestort. Vandaar voerde men de schelpenvracht naar Beverwijk. De weg naar Beverwijk stond lange tijd bekend als de Schulpweg. In de kalkovens aldaar werden de schelpen tot gebrande kalk verwerkt, toentertijd een belangrijk bestanddeel van metselspecie. Tijdens de voorbereiding van de veldtocht van graaf Willem IV van Holland, die in 1345 jammerlijk mislukte, zijn grote hoeveelheden schelpen tot metselkalk gebrand. De schelpenvissers van Wijc op See zullen in deze oorlogsvoorbereidingen zeker hun aandeel in hebben gehad. Tijdens de expeditie tegen Friesland voerde men bijzonder veel bouwmateriaal mee. Het was namelijk de bedoeling om onmiddellijk na het breken van de Friese weerstand dwangburchten te bouwen in het gebied tussen het Vlie en de Middelzee. Het plan vond geen doorgang, een storm sloeg de vloot uiteen. De schepen met het bouwmateriaal en de oorlogsvloot raakten van elkaar verwijderd en tot een geslaagde landing kwam het niet meer. Graaf Willem sneuvelde voor Warns in de omgeving van Stavoren.
1.3 De vissersschepen en hun vistuig
· De ‘Zijdsche’bom
· De haringbuis
· De beug- of kolvisserij
· Het verbod van de korvisserij
· De regels van de visafslag
1 De ‘Zijdsche bom’
Op de tekening van bomschuiten op het strand aan de voet van de vuurbaak is goed te zien hoe deze schepen er uit zagen. Het was een stevig en breed schip met een platte bodem, gemakkelijk op het strand of op een zandplaat te zetten. De plankieren liepen overnaads over de rondspanten. Aan de platte bodem of bom ontleende het schip waarschijnlijk ook zijn naam. De bomschuit was langsscheeps getuigd en had als regel een enkele mast. Behalve een grootzeil kon het schip, zonodig een gaffeltopzeil voeren, een stagfok en een kluiver. Omdat een kiel ontbrak, stak bij het schip aan bakboord of aan stuurboord een lang en smal zwaard in zee, wanneer het onder zeil voer. De schuit staat bekend onder de naam ‘Zijdse bom’ en die naam gaat terug op de aanduiding van de kust van Holland tussen de Maasmonding en Huisduinen als de ‘Zijde’. De bomschuit was een verbetering van de visserspink. En de visserspink zal zich geleidelijk aan hebben ontwikkeld uit de snelle en zeer zeewaardige schepen, die de Friezen nog eerder dan de Vikingen gebruikten om de Noordzeekusten te bevaren. Tot in de 15de eeuw heeft men nog gebruik gemaakt van de ‘slabbert’of slapbuis. Dit was een klein en open vissersvaartuig, vooral geschikt voor de visserij dicht onder de kust.
2 De haringbuis
Uit de slabbert is een verbeterd model voortgekomen, de haringbuis. Ook die schepen maakten deel uit van de vissersvloot van Wijc op See. De haringbuis was een rondspant kielschip met een hoog achterschip. De boorden van de romp waren ingetrokken, dat wil zeggen: naar binnen gebogen. Het schip had als regel een lengte van 20 meter en de bemanning telde 15 koppen. De naam ‘buis’ is waarschijn een verbastering van een oude scheepsnaam, de ‘cnorbuse’. Dat was een scheepje in gebruik bij de kustvaart. Die naam ‘cnorbuse’ komt al voor in de toltarieven van 1163 van het Vlaamse Nieuwpoort en omstreeks 1160 in de havenstukken van Letterwerve, bij Damme. Ondanks de matige vaareigenschappen wist het schip zich tot in de 19de eeuw te handhaven. Bij meer dan een gelegenheid visten de haringbuizen als een ‘span’ met een drijfnet vastgemaakt aan de beide achterstevens. Hollandse vissers voeren sinds het begin van de 18e eeuw met de haringbuis zelfs naar de oostkust van Engeland en naar het visrijke gebied rondom de Shetland eilanden. Dan kende men nog de hoekerbuis. Dit schip had naar verhouding een grote laadcapaciteit en werd vaak ingezet als ‘visjager’. Deze schepen haalden de vangsten bij de visserschepen op volle zee van boord en brachten ze aan de wal. Op de heenreis brachten zij zout mee voor de verwerking van de vis op de schepen. De hoeker werd ook wel rechtstreeks ingezet, voornamelijk bij de beugvisserij.
3 De beug- of kolvisserij
De oudste vorm van visserij, ook op de Noordzee, is de beugvisserij geweest. De beug of ‘kol’ bestond uit een lange lijn en daaraan hingen vislijnen of sneuen met haken, ook wel hoeken genoemd. Telkens als de visser de beug uitwierp moest hij de haken van aas voorzien, opdat de roofvissen zouden bijten. Als aasvissen werden prikken gebruikt. Deze vis lijkt nog het meest op een kleine paling. Aan boord werd deze vis levend gevangen gehouden in een ‘bun’, dat is een bak in het schip die in open verbinding staat met de zee. Op een teken van de schipper greep de scheepsjongen een prik uit de bun. Hij beet de kronkelende vis eerst dood voordat hij hem aan de haak kon spietsen. De buizen, waarmee men ter beugvisserij voer, die werden vanwege gebruik van de haken ook wel hoekerbuizen genoemd. De beugvisserij op de Noordzee kent een lange geschiedenis, maar uiteindelijk is deze visserij verdrongen door een minder bewerkelijke aanpak. Al spoedig, kort na 1400, ging men over op de drijfnetvisserij. Lange rijen netten kwamen bij de vleetvisserij rechtop in de zee te hangen. De maaswijdte was zo gekozen, dat de haringen met hun kieuwen in het net bleven hangen. De vleet hing op 18 meter diepte, omdat de haring op deze diepte zwemt, op jacht naar plankton dat dichter naar de oppervlakte stijgt bij het vallen van de duisternis. Later in het jaar, wanneer de haring zwaar van kuit en hom naar de paaiplaatsen zwom, gooiden de vissers hun vleet uit op een diepte van 14 tot 28 meter.
Gaandeweg kwam echter de haringvisserij in de macht van enkele steden in het achterland en legden de vissers van de ‘zijde’ zich toe op het vissen met de kor, een open sleepnet. Lange tijd ging dat goed, totdat de belangengroep van de haringsteden- zoals reeds vermeld- ook dat vistuig voor de kustvissers verbood van 1676 tot 1689.
Door de eeuwen heen is een zeewaardig visserschip een kostbaar vaartuig geweest, niet alleen om het te bouwen, maar ook om het zeewaardig te houden. Het onderhoud ging de draagkracht van eender welk vissershuishouden in Wijc op See en elders ver te boven. Om die reden namen de vissers van de ‘Zijd’ gewoonlijk een aandeel in het reden van een visserspink, een bomschuit of een haringbuis om zo de goede en de kwade kansen van de visserij met anderen te delen.
5 De regels van de visafslag
Zodra de vis op het strand van Wijc op See aan land kwam, moest de visafslager er aan te pas komen. Hij liet de klok luiden en begaf zich dan naar het strand. Hij zag er op toe, dat bij aanvoer van meer dan driehonderd vissen, de afslagkavels werden verdeeld in ‘kopen’ van vijftig vissen. Die veilde de afslager dan vervolgens onder de aanwezige viskopers. Om het eerlijk en overzichtelijk te houden, moesten de kopers op ten minste zeven voet (ruim 2 mtr) van de vis verwijderd blijven en mochten zij geen vismanden op het hoofd plaatsen of in de hand houden. Op overtreden van deze regels stond een boete van 50 stuivers. Op zondagen en andere christelijke feestdagen moest de visafslag beperkt blijven tot twee kopen van schollen of scharren, roggen of tongen. Deze zondagse visafslagen moesten altijd plaats vinden voor het luiden van de torenklok dat de kerkgemeente opriep tot de predikatie. Op andere dagen waren er geen beperkingen en dan kon het gebeuren, dat op een en dezelfde dag niet minder dan drie veerschepen de vis naar Amsterdam brachten. Gewoonlijk voeren de veerschepen drie maal per week met vis naar de stad.
De visafslager, was een door de vroedschap aangestelde ambtsdrager. Hij betaalde jaarlijks pacht aan het dorpsbestuur om de functie te kunnen uitoefenen. Het was voor die tijd blijkbaar geen bezwaar, dat de belangen nogal door elkaar liepen en dat de schout als regel optrad als visafslager. Wat betekende dat hij mede de hoogte van de pacht bepaalde, die hij als afslager had te betalen en dat hij mee besliste over zijn aanstelling. Om de pachtsom terug te winnen en het liefst nog aanzienlijk meer, vroeg de afslager van de vissers en de viskopers een vergoeding voor zijn tussenkomst. Daar bovenop was de opbrengt van elke honderdste vis, bestemd voor de kerk.
Katholieke vissers waren van de verplichting om bij te dragen in de kosten van het ‘Gereformeerde’ kerkgebouw vrijgesteld. Zij betaalden met elke honderdste vis aan het Gasthuis voor Oude Mannen en Vrouwen en ook aan het onderhoud van de vuurbaak. Een groot deel van de vis, die werd aangevoerd en afgeslagen, voerde men onmiddellijk af naar Amsterdam. Een ander deel werd licht gezouten en verscheept naar steden in het Rijngebied, zoals Keulen en Mainz. Weer een ander deel van de aangevoerde vis werd gedroogd of gerookt. Vooral haringen verwerkte men in de kustdorpen tot ‘bokkingen’ in grote rookschuren. Tot ver in de 18de eeuw leefde de stadsbevolking op bonen, brood en bokking. Met de intrede van de aardappel verloor de bokking zijn vooraanstaande plaats in het volksvoedsel en nam het aantal rookschuren in het dorp sterk af. Zo verging het ook de stokvis en de schuren, waarin de vis werd gedroogd.
1.4 De reis naar verre oceanen
· De handelsvaart
· De walvisvaart
· Het scheepje in de kerk
1 De handelsvaart
Zo lang vissers de Noordzee hebben bevaren, hebben zij de handelsvaart bedreven. Het was een bijverdienste, waaruit de handel op Engeland en op de Duitse Bocht en de Oostzee voortkwam. Bier, boter en kaas werden aan deze kusten afgezet. De oorlogen ter zee maakten visserij en de handelsvaart tot een gevaarlijke onderneming. Om die reden monsterden veel vissers van de ‘Zijde’ en ook die van Wijc op See op de grote handelsvaart. Zij voeren naar Afrika, Oost en West Indië, en naar de Levant, het oostelijk deel van de Middellandse Zee. In dat gebied wemelde het van de zeerovers en het gebeurde dan ook herhaaldelijk, dat zeelieden werden ‘uitgeschud’ en daarna als slaaf verkocht werden op de markten in Noord-Afrika, de Maghreb. Alleen een hoog losgeld kon hen nog bevrijden. Zo moest Wijc op See voor Wouter Gerritse in 1659 het voor die tijd enorme bedrag van fl 800 opbrengen om hem in Tripoli vrij te kopen. Schout en schepenen stelden een bedrag ter beschikking, maar de rest moest het dorp opbrengen.
2 De walvisvaart
In de 17de en 18de eeuw bloeide de walvisvaart op het noordelijk halfrond. Reders in het achterland, vooral in de Zaanstreek verenigden zich onder andere in de Noordse Compagnie. In navolging van de Oost-Indische en de West-Indische Compagnie. Deze Noordse compagnie had het octrooi op de walvisangst in de noordelijke wateren van 1614 tot 1643. In die tijd richtte men op de pooleilanden Jan Mayen en Spitsbergen factorijen in om traan te koken uit het walvisvlees. Toen men de omgeving van deze eilanden zo goed als leeg had gevist, verplaatste de jacht zich naar open zee en kookte men traan aan boord van de schepen. In het begin kochten de Hollandse walvisvaarders de ervaring en de kennis van Basken. Die wisten dan ook hoge vergoedingen bij het aanmonsteren te bedingen. Maar als het er op aan kwam, toonden zij zich weinig bereid hun kennis en ervaring over te dragen. Dat werkte geschillen in de hand en die hebben geleid tot een reeks van processen, waarin de betrokken Basken wanprestatie werd verweten.
Het uitrusten van een walvisvaarder ging de draagkracht van Wijc op See ver te boven en daarom monsterden varensgezellen uit het dorp als commandeurs of als manschappen op deze scheppen aan. De Hollandse walvisvaart richtte zich gedurende de gehele 18de eeuw op de omgeving van Groenland en op de Straat Davis, die tussen Groenland en Baffin Eiland ligt. De commandeurs ter walvisvaart bleven als regel in het dorp Wijc op See wonen. Zij namen in het kerkelijk en maatschappelijk leven een vooraanstaande plaats in. Zo waren van de 12 ‘Groenlandse’ commandeurs er maar liefst 9 lid van de kerkenraad van de ‘Gereformeerde Gemeente’. Van de 6 commandeurs, die op Straat Davis voeren, waren er 3 lid van de kerkenraad. Een zo vooraanstaande plaats in de kerk, betekende in die tijd tegelijk een vooraanstaande plaats in het dorp. Want de lidmaten van de ‘Gereformeerde Gemeente’ genoten politiek en bestuurlijk aanmerkelijke voorrechten, die aan hun ‘Paepsche’ dorpsgenoten stelselmatig ontzegd bleven.
3 Het scheepje in de kerk
In de dorpskerk hangt een scheepsmodel, en het stelt een pinas voor. Een gewapende koopvaarder , die de Verenigde Oost Indische Compagnie sinds 1652 in gebruik had voor een reeks van taken. Het werd gebruikt als een snelzeilend jacht, men gebruikte het in voorkomende gevallen als oorlogsschip en meestal diende het als vrachtvaarder. Het schip was opgetuigd als een driemast volschip en daarvan ook nauwelijks te onderscheiden, behalve dat het een slag kleiner was dan de retourschepen van de VOC, het toppunt van scheepsbouwkunst van die tijd. Het sachip had een platte achterkant (spiegel). Van de twee dekken liep er een door van de boeg tot aan de achtersteven. Het bakdek was midscheeps onderbroken. De pinas ontleende zijn vloeiende lijn aan de hoge verschansing, die veel zaken aan dek aan het oog onttrok. Het schip viel dan ook op door zijn welgevormde zeeg.
Het model in de kerk is een kopie van een ouder model, dat naar schatting twee eeuwen in de kerk heeft gehangen. Het oorspronkelijk scheepsmodel is aangekocht in 1911, door een kenner. Deze heer Crone liet het scheepje restaureren en schonk het vervolgens aan het Scheepvaartmuseum in Amsterdam. Voor de dorpskerk van Wijk aan Zee liet hij een kopie maken.
1.5 Van badplaats naar woonplaats
· Botaniseren in de Breesaap
· Zeebaden in de Moriaen
· De droom van Tappenbeck
· Nieuwe groepen, nieuwe kansen
· De getijstromen van het toerisme
1 Botaniseren in de Breesaap
In 1839 schrijft Nicolaas Beets onder de schuilnaam Hildebrand een bundel verhalen over het Hollandse leven. Hij noemt die bundel ‘Camera Obscura’. Een van die verhalen draagt de naam ‘Een nurks in de Haarlemmerhout’. Het gaat over een vervelende neef, die met zijn onheus aangekondigde bezoek Hildebrand ervan afhoudt te gaan botaniseren in de Breesaap, een duinvallei net ten zuidoosten van Wijk aan Zee. Hij schrijft: ‘Ik had een Leidse makker bij mij gelogeerd, met wie ik te Zomerzorg eten zou, om vervolgens over Velzerend naar Velzen te wandelen, waar wij de nacht zouden doorbrengen om ’s morgens naar de Breezaap te gaan en aldaar wat te botaniseren, waarvan wij beide grote liefhebbers zijn’. Dit voornemen van Hildebrand en zijn vriend om te gaan botaniseren, dat wijst op een nieuwe en andere belangstelling voor de natuur. Een belangstelling die zich nooit eerder zo sterk had voorgedaan. Blijkbaar was de Breesaap voor de natuurliefhebbers van die tijd een aantrekkelijk gebied met een grote rijkdom aan planten. De nieuwe liefde voor de natuur, samen met de afkeer van de sterk vervuilde steden waar keer op keer de cholera uitbrak, bracht de steedse burger er toe de kust op te zoeken. Daar kon hij frisse lucht inademen, wandelen en baden.
2 Zeebaden in de Moriaen
Scheveningen, Noordwijk en Zandvoort zijn Wijk aan Zee als badplaats voorgegaan, maar in 1839 verleende het toenmalige gemeentebestuur vergunning voor een badinrichting in de herberg De Moriaan aan de toenmalige Brink. De badinrichting mocht bestaan uit vier gastenkamers, twee badkamers en een badkoetsje. In grote kuipen konden de gasten een bad nemen in het zeewater, dat met sleperskarren in tonnen werd aangevoerd. De badgast, die het aandurfde, die kon zich met de koets naar het strand laten rijden. De voorman bracht de koets tot aan de waterlijn en daar kon de badgast enkele treden afdalen en te water gaan. Wel was hij van de enkels tot en met de polsen en de hals, gekleed in een badpak. Een bad kwam er in die tijden op neer, dat de bader zich enkele malen onderdompelde in de zee om vervolgens de treden van de badkoets te bestijgen. Het goede gerucht over de kust en het dorp Wijk aan Zee verspreidde zich snel onder de hogere burgerij van Amsterdam. De een na de ander bouwde voor een langdurig zomerverblijf een villa langs de tegenwoordige Rijckert Aertszweg, de Van Ogtropweg en de Julianaweg.
Ongeveer een veertig jaar na de eerste vergunning kwam de herberg De Moriaan in handen van de Amsterdamse zakenman van Duitse afkomst, Heinrich Tappenbeck. Hij vroeg het gemeentebestuur toe stemmen in de bouw van een luifel. Zo wilde hij van De Moriaan en de aangrenzende gebouwen bouwkundig een grotere eenheid maken. Zakelijk werd het blijkbaar een succes, want nog geen jaar later mocht Tappenbeck de oude herberg en de aangrenzende gebouwen slopen. Zij moesten in 1881 plaats maken voor het Badhotel aan de Brink, later hernoemd tot De Zwaanstraat. Het tweede gedeelte kwam te staan aan de Gasthuisstraat. Al spoedig bleek dat Tappenbeck zijn kansen te hoog had ingeschat, zijn onderneming zowel actief in Wijk aan Zee als in Noordwijk, bezweek onder de schuldenlast en hij ging failliet. De ‘desolate’ boedel kwam in handen van een exploitatiemaatschappij ‘E pluribus unum’ , kortaf ‘EPU’, wat zoveel betekende als ‘Eenheid in verscheidenheid’.
Tappenbeck had het goed gezien, al kwam zijn droom voor hemzelf niet uit. De aanleg van de spoorlijn van Haarlem naar Alkmaar en de bouw van het station Beverwijk brachten niet alleen de burgerij naar de kust, maar ook de meer gegoede middenstanders en ambachtslieden. Zij zochten onderdak en van lieverlee kwamen er meer hotels en pensions in Wijk aan Zee. Het uiterlijk van die gebouwen was kenmerkend voor een badplaats uit die tijd. De kamers op de verdiepingen en op de begane grond kwamen uit op balkons en veranda’s. Zo konden de gasten, beschut tegen de wind en de felle zon, toch genieten van het uitzicht. Toen nog vooral over de Dorpswei, want de weidekant van de Voorstraat en de Julianaweg waren toen nog nauwelijks bebouwd, zoals dat bij de Verlengde Voorstraat en het oostelijk deel van de Julianaweg nog steeds het geval is. Genieten van het uitzicht dus, want al te bruin worden, daar hield de stadsmens niet van. Gezondheid, dat was bepaald niet de reden om de zon te mijden, het was standsbewustzijn. Want wie al te gebruind door het leven ging, kon wel eens een handarbeider of een landarbeider zijn, een boer of een schipper en dat misverstand omtrent hun stand wilden de stedelingen, maar liever vermijden. Een erger gezichtsverlies was toentertijd nauwelijks denkbaar.
4 Nieuwe groepen, nieuwe kansen
Nieuwe groepen in de stad kwamen tot welvaart en ook zij wisten de weg te vinden naar de kust bij Wijk aan Zee. Winkeliers en arbeiders stapten op hun vrije zondag op de pakketboot in Amsterdam en voeren naar de steiger bij Velsen-Noord, toen nog Wijkeroog geheten. Vandaar wandelden zij door de Breesaap en het landgoed Rooswijk over de Bosweg naar de zuidvoet van het Paasduin en zo kwamen zij in Wijk aan Zee. Tegen de avond legden zij dezelfde weg af en voeren terug naar de kade achter het Centraal Station van Amsterdam. De Tweede Wereldoorlog en al eerder de economische crisis die daaraan vooraf ging, maakte aan dit alles een eind. De bezetter verklaarde het strand en het duingebied tot ‘Sperrgebiet’. In 1942 besloot de bezetter tot een grootscheepse ontruiming van het dorp en in 1944 moest iedereen, die nog was achtergebleven verdwijnen. Het overgrote deel van de inwoners moest in het achterland een onderdak zien te vinden. De jaren na de oorlog gaven een opleving te zien, de stadsmensen keerden terug naar Wijk aan Zee en zochten opnieuw hun intrek in de hotels, de pensions en in de woonhuizen. De vaste bewoners van die huizen pakten hun boeltje op en woonden enkele maanden in het ‘zomerhuis’ achter op het erf. Het heeft zo nog twintig jaar geduurd, toen was het gedaan met het verblijf van badgasten in het dorp voor enkele dagen, een week of zelfs weken achtereen. De auto werd een bezit van velen in alle lagen van de samenleving en het voertuig bracht verre bestemmingen binnen bereik. Onderweg kon nog wel een regenbui vallen, maar de Spaanse costa’s waren zonzeker en wel zo goedkoop. Heel anders dan de wisselvalligheden van de Hollandse kusten. Op de auto volgde de goedkope vakantievlucht. Het vliegtuig legde nog meer vakantiebestemming open voor de badgasten van het noorden.
5 Getijstromen van het toerisme
Het dorp bleef achter, maar niet in arren moede en nog minder in armoede. Dank zij de zomerse verhuur hadden veel inwoners van Wijk aan Zee kans gezien om hun wintervoorraad kolen te kopen. In de jaren die volgden begonnen zij hun zomerhuis te verhuren en dat stelde de een na de ander in staat om zijn huurwoning te kopen van de eigenaar. Eigen woningbezit werd in het dorp regel, huren een uitzondering. In die zomerhuizen woonden de werknemers, die meewerkten aan de uitbreiding van het Hoogovenbedrijf, nu Corus.
![]() | ||||||
![]() | ||||||
![]() | ||||||
Rondleidingen met gids